Volharding tot het einde
Wie volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden.
Mattheüs 10: 22b (St.V.)
Onze tekstwoorden staan in de zgn. uitzendingsrede, waarmede Jezus z'n discipelen twee aan twee op het pad der evangelisatie zendt. De tegenstand, die zij zullen ontmoeten, wordt hun daarin getekend. Maar bezorgd behoeven ze zich daarover niet te maken. De Geest des Vaders zal in hen en voor hen spreken. En als zij op de weg blijven, volstandig tot het einde toe, dan wacht hen de zaligheid.
Jezus brengt daarmee zijn jongeren in de geestelijke strijd. Bedoeld is niet de inwendige, die men voor de mensen verborgen kan houden. Maar de openlijke, die de mensen onder elkaar verdeelt. Zodat de een vóór is en de ander tegen. Zelfs in de huisgezinnen zal die strijd scheiding maken.
Velen voelen zich tegenover zulke woorden van Jezus niet op hun gemak. Zij verstaan wel vele dingen uit het Evangelie. Hun gemoed wordt wel aangeraakt door de liefde van Christus. Zij willen wel en kunnen misschien ook behoren tot de zachtmoedigen of de vreedzamen, die Jezus zalig spreekt in de bergrede. Op die weg hebben zij misschien enige vorderingen gemaakt in de heiligmaking. De strijd, die hun dat kost, willen ze wel strijden. Diep in hun hart vechten ze 't alleen uit. - Maar als zij dan Mattheüs 10 lezen, waar die openbare verdeeldheid beschreven wordt, tussen de mensen onderling, om het Evangelie, dan krimpt hun hart ineen.
Zij zijn het niet met iedereen eens en stemmen niet met alles in. Maar zij spreken dat niet gaarne uit en laten het niet spoedig merken. Zij zijn moedig genoeg om te sterven en ze doen dat op een wijze, die weinig vrees laat blijken. Maar om hun ziel bloot te geven aan de harde woorden van mensen en aan hun ruwe slagen, daarvoor deinst iedere vezel van hun binnenste terug. Met Jezus te wandelen tussen de vogelen des hemels en de leliën des velds en daar het vertrouwen te leren op de hemelse Vader, dat trekt hen wel aan. Maar bij Hem te zijn als Hij uit de synagoge geworpen wordt, dat zouden ze verschrikkelijk vinden. En als zij Mattheüs 23 lezen, het hoofdstuk vol heilige toorn, dan zouden zij zich gaarne bergen in een verscholen hoekje.
Ik denk dat de hemelse Vader ons gaarne onze rust zou gunnen, wanneer het even goed kon. Maar het Evangelie roept de mensen weg uit hun veilig en rustig hoekje en brengt hen midden in de strijd der geesten. Zo is het alle eeuwen door geweest. Denk maar eens aan Mozes, die van achter de schapen en aan Amos, die van achter de koeien vandaan geroepen werd. Petrus was een eerzaam vissersman en Mattheüs een ontvanger. Wat zijn ze in hun rust gestoord toen zij geroepen werden! Maar in die weg hebben ze toch ook geleerd wat volstandigheid betekent. Petrus was van nature geen standvastige natuur. Maar de Geest des Vaders heeft hem tot een rotsman gemaakt.
Wij moeten onderscheid maken tussen wat een mens van nature is en wat hij wordt door bekering.
Goede, aangeboren eigenschappen van het karakter zijn wel aangenaam om te hebben, maar ze maken iemand nog niet geschikt voor het Koninkrijk der hemelen. Mattheüs 10 laat ons zien op welke molen het graan voor het Godsrijk gemalen wordt.
Verdraagzaamheid is een mooi woord en het is ook wel eens zeer in de mode geweest. Maar het is ook een gevaarlijk woord, waarmee men het hele Evangelie kan afschaffen. Men kan er alle kracht en alle gloed en alle scherpte van Jezus' woorden mee wegnemen. Als een mens niet bekeerd behoeft te worden, dan gaat daarmee de scherpte van het Evangelie af. Dan is zedelijke verbetering genoeg en heeft dat dan wel wat tijd. Bekering is altijd heden, vandaag. Maar zedelijke verbetering kan ook tot morgen of overmorgen wachten. Misschien is zij dan alleen nodig voor gevangenen en niet voor nette burgermensen. Of misschien behoeven wij ook niet voor zedelijke verbetering te strijden, maar slechts voor lotsverbetering.
Zo kan men proberen het Evangelie af te koelen als een kool vuur in het water. Wij kunnen proberen het Koninkrijk der hemelen op de lange baan te schuiven. Ieder kan dan zijn rust bewaren en afwachten tot hij sterft en zalig wordt. Hij behoeft ook niemand aan te spreken over zijn ziel en kan zich buiten de geestelijke strijd houden.
Jezus laat het ons echter in ons tekstwoord anders zien. Daar staat de zaligheid in verband met volstandigheid en die volstandigheid wordt geoefend midden onder de mensen. Onder hen moet Jezus beleden worden.