De ladder Jakobs
Genesis 28 : 10-19
Gelukkig dat de wereld ook vensteren naar boven heeft. Het uitzicht uit onze ramen kan meer of minder mooi zijn. Op sommige dagen en op sommige plaatsen is het zo, dat men het oog er niet van kan afhouden. Maar tenslotte is er in elk uitzicht over de vlakke grond dezer wereld iets van weemoed.
Zoals de avond met zijn stilte en zijn rust ons in het oor fluistert, dat wij zelf ook spoedig rusten zullen, zo zeggen ook de morgen en de middag, dat alles vergankelijk is. Wij voelen als we recht over de grond kijken onwillekeurig, dat bij al het moois dat we zien, we tegelijk bezig zijn over een kerkhof te staren.
Gelukkig, dat die andere richting er ook nog is, die Jakob zag in z'n droom. De richting naar boven. De lijn des levens, die het vlak des doods doorkruist.
Jakob gaat de ouderlijke woning verlaten. Een nieuw levenstijdperk ligt voor hem. Dat nieuwe daar voor hem is nog ledig. Hij weet niet wat het brengen zal. Het is een witte plek op de kaart van zijn leven. Hoe durft hij, alleen, zomaar als een ontdekkingsreiziger, die onbekende wereld binnen te gaan? Hoe durven wij, elke dag weer, het onbekende tegemoet te gaan? Elke nieuwe dag is immers een reis in een onbekende wereld.
Het leven dat voorbij is, is niet ledig. Hoe zou het ook, waar wij toch geleefd hebben. We hebben, op de ene of andere manier, het ledig, dat nu achter ons is, gevuld. Jakob heeft dat ook gedaan. Lees maar de geschiedenis vóór Genesis 28. Maar hoe heeft hij z'n leven gevuld! Het ziet er niet mooi uit daar in Gen. 25 en Gen. 27. Jakob heeft Ezau's eerstgeboorterecht gekocht en z'n eerstgeboortezegen gestolen. Van kwaad tot erger is het gegaan. Als wij het leven van Jakob moeten vertellen tot dat ogenblik toe, dan weten we niet anders dan van die koop en die diefstal. Dat is alles. En dat is het nu, waarmee de levensgeschiedenis van Jakob gevuld is. Met die bundel moet hij de toekomst tegemoet gaan. Voor hem het onbekende, de witte plek. Achter hem het bekende, maar tegelijk het donkere; het zwarte. En daartussen staat Jakob; de mens.
De lezer heeft het misschien beter gemaakt dan Jakob. Hij heeft geen geestelijk goed gekocht, als deze, maar aards goed. Hij heeft zich wellicht niet voor een goddelijke zegen in alle bochten gewrongen, doch om iets van deze tijd. Maar staat hij er nu beter voor? Is er achter geen zonde? En vóór niet het onbekende?
Jakob verlaat het bekende; zijn vader en zijn moeder. Maar dat is nog niet het ergste. Hij moet God verlaten. God die hij kent zoals hij zijn vader en moeder kent. Die God, in wiens rechten en zegeningen hij handel heeft gedreven. Als Jakob zich van Hem verwijdert is het hem alsof de grond waarop hij loopt, geen grond meer is; en de hemel boven hem geen hemel meer. Het gaat hem zoals later David, als hij uit het land Kanaän vluchten moet, wat voor hem hetzelfde is als bij God vandaan te moeten.
Misschien vinden wij die mensen van vroeger wel erg bekrompen, dat ze na een dag reizen al meenden bij God vandaan te wezen. Misschien zegt ge: ik durf wel naar Amerika te reizen en daar is God ook nog. Dat is zeker wat verder dan de reis van Jakob. Maar het verschil is toch niet zo groot. Durft ge dan ook nog verder? Waarheen dan? vraagt ge. Ik kan toch niet verder dan de andere kant van de wereld! Ja maar, durft ge dan nog verder? Van de wereld af? Laat ik 't nog anders zeggen. Gij durft 60, 70, 80 jaar te leven; dan voelt ge u veilig. Alles is zo bekend en gemoedelijk om u heen. Maar durft ge ook te sterven? Durft ge te gaan naar het vreemde land; naar de witte plek op de kaart van uw leven? Bij die God vandaan, in wiens aardse of misschien ook wel geestelijke zegeningen gij handel drijft?
Werkelijk, het verschil is niet groot met Jakob of David. Er is eigenlijk helemaal geen onderscheid.
Gelukkig dat er ook die richting naar boven is. De angsten van Jakob zinken weg in de droom. De ware richting openbaart zich terwijl hij met zijn hoofd op de steen ligt. Hij had gedacht, dat God er niet was en ziet het is een huis Gods; Beth-el. De Here is aan deze plaats en ik heb het niet geweten. Deze God is een God, wiens rechten en zegeningen men niet kopen of stelen kan. Hij geeft het zijn beminden als in de slaap.