O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Met Christus gekruisigdZondaar en bedelaarVolharding tot het einde →

Verzamelde Werken, deel 8 · Zondaar en bedelaar · p. 94–95

Opstanding

Indien nu Christus gepredikt wordt dat Hij uit de doden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geen opstanding der doden is?

1 Korinthiërs 15 : 12 (St.V.)

Paulus stelt in deze woorden een getuigenis en een ontkenning tegenover elkaar. Die beide kijken elkaar aan en begrijpen elkaar niet. Paulus staat tegenover de ontkenning even ongelovig als de ontkenning tegenover de prediking.

Het is een hachelijk ding als twee mensen of twee groepen van mensen elkaar niet begrijpen. Als een ja en een neen eenvoudig tegen elkaar over staan zonder verbinding, zonder brug. Want tussen ja en neen is geen overgang. Zij zijn elkaars tegenvoeters.

Vermoedelijk zal de lezer de moeilijkheid, waarvoor de apostel hier staat, wel kennen. Hij zal ook wel eens met een ja tegenover een neen gestaan hebben of omgekeerd, zonder dat hij inzag hoe die beide ooit bij elkaar zouden komen. Lange redeneringen helpen dan niet. Zij maken juist de klove tussen de beide standpunten nog duidelijker. De puntjes worden dan nog eens op de i's gezet en daardoor wordt het dan nog klaarder, dat de een werkelijk bevestigt wat de ander ontkent. Dan merkt men, dat geestelijk inzicht en geloof met praten alleen niet veranderd kunnen worden. Overtuigingen hebben een wortel, waarmee zij in het leven vastzitten.

Paulus doet dan hier ook geen poging om zijn prediking, dat Jezus uit de doden is opgewekt, te bewijzen.

Hij herhaalt eenvoudig zijn prediking.

Wel spreekt hij over Cefas en Jakobus en anderen, maar dat is niet afdoende. Het is geen bewijs voor z'n prediking, maar inhoud. Het behoort tot datgene, wat hij aan de Korinthiërs heeft overgeleverd, zoals hij het ook ontvangen heeft (vs. 3). En daarnaast staat z'n eigen ervaring op de weg naar Damascus (vs. 8). Paulus stelt die echter niet hoger dan de getuigenissen van de andere apostelen. Hij zegt niet: Wat Petrus en Johannes zeggen is overlevering, doch mijn eigen getuigenis is bewijs. Integendeel, hij ziet zichzelf als de mindere. Hij heeft de Opgestane ook nog wel gezien. Maar het tijdstip is niet volwaardig als dat, waarop de anderen hem zagen. Het was ontijdig (vs. 8).

Dat alles is inhoud van de prediking; bewijs is het niet.

En nu komt deze prediking bij sommige mensen in botsing met een redenering. Zij zeggen zo in 't algemeen, dat de opstanding der doden er niet is. Dat is voor hen een wetenschappelijke stelling, een algemeen-geldige waarheid. Die komt nu in botsing met de prediking. De redenering stelt zich tegenover het getuigenis.

Wat zal Paulus nu doen? Zal hij een wetenschappelijk tegenbewijs geven? Zal hij door een redenering aantonen, dat er wel een opstanding uit de doden is? Zal hij een wijsgerig betoog leveren, waaruit blijkt, dat het wel kan?

De apostel doet het niet. Hij ontwikkelt de gevolgtrekkingen, die uit de stelling van zijn tegenstanders moeten worden afgeleid. De eerste is, dat dan Christus ook niet opgewekt is. Daaruit volgt dat de prediking dan ook ijdel is; derhalve is ook het geloof ijdel en leeg. Het heeft geen inhoud meer. De apostelen zijn dan valse getuigen. Derhalve blijven de gemeenteleden in hun zonden. Daaruit volgt weer dat er geen hoop is voor de doden. Zo maait de redenering alles weg, als een grote zeis, en er blijft tenslotte niets overeind. De conclusie, die er uit getrokken wordt, heet: dood.

Daartegenover stelt Paulus nu de prediking. Die gaat heel anders te werk. Prediken is wat anders dan redeneren. Zij leidt niet het ene uit het andere af. Prediken is opstapelen van eeuwige dingen. Dat doet Paulus nu nog eens weer en dat is zijn hele bewijs. Achtereenvolgens komen ze voor ons te staan: Christus' opstanding, onze zalige opstanding, Christus' wereldheerschappij en de vernietiging van de dood. En het einde is het eeuwige leven.

Zo blijven ze tegenover elkaar staan; de redenering, met als uitkomst de dood en de prediking met de belofte van het eeuwige leven. Zo staan ze tegenover elkaar ook in ons eigen leven. Ieder weet van het onderscheid. De redenering zegt: De laatste vijand die te niet gedaan wordt, is de hoop des eeuwigen levens. De prediking zegt: De laatste vijand die te niet gedaan wordt is de dood. Wie wenst de eerste, de redenering, voor zijn rekening te nemen?

Een bekend godgeleerde in het midden der negentiende eeuw heeft het letterlijk zo gezegd.40 Ik zie nog mijn leermeester, Gunning, de handen voor z'n gezicht brengen, toen hij ons dat woord mededeelde. Zijn hele houding drukte de ontzetting uit die hem beving, als hij er aan dacht.

Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden en is de eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn. Dat is de prediking. Zij getuigt van het leven en van de vernietiging des doods.

Redeneren, dat is, onze eigen gedachten uitspinnen. De prediking brengt Gods Woord.

Eindnoten

  1. 40

    Auteur en vindplaats onbekend.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Met Christus gekruisigdZondaar en bedelaarVolharding tot het einde →