O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De inwendige mensZondaar en bedelaarOpstanding →

Verzamelde Werken, deel 8 · Zondaar en bedelaar · p. 90–94

Met Christus gekruisigd

Ik ben met Christus gekruisigd, en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.

Galaten 2 : 20a (St.V.)

Door de dood heen te komen, is het moeilijkste wat van ons gevraagd wordt.

De schaduwen des doods zijn zo donker!
De prikkel des doods is zo scherp!
De vreze des doods zit er zo diep in!

In veler hart zal wel deze gedachte leven dat gij, moet het zijn, nog wel vele moeilijke dingen zoudt kunnen doorworstelen, maar dat ge, komt het op sterven aan, uw krachten wantrouwt.

Bij de dood valt de gerechtigheid, die iemand in gezonde dagen misschien meende te bezitten, tot het allerlaatste overblijfsel, weg bij de gedachte aan het oordeel Gods. De levensmoed die in jonge jaren of bij krachtige levensarbeid tot onoverwinlijke sterkte scheen aangewassen, gaat maar niet zonder meer over in stervensmoed, maar zinkt dan soms plotseling in de schoenen.

En toch moeten we door de dood heen, zo het leven ons deel zal zijn. Alles wat in en aan ons is, zal het een toekomst hebben, moet door de dood voor 'gezien' worden getekend. Wie de grenzen der beide werelden wil passeren, moet aan de strenge grenswachten zijn verschuldigde tol betalen. Aan zijn ogen ontgaat niets. Van het tarwegraan af, dat in de aarde valt en sterft, tot aan de heerlijke verschijning toe van onze Here Jezus Christus, is alles, alles, wat in de gelijkheid des zondigen vleses verschenen is, gebonden en gehouden, in dezen 'alle gerechtigheid te vervullen'.

Deze moeilijkheid zien misschien de meeste mensen in de toekomst.

De apostel Paulus en gelukkig velen met hem zien die achter zich liggen.

De vreze des doods is geweken.
De prikkel des doods is weggenomen.
De schrik des doods verdwenen van het levenspad.

Dan ziet men niet meer zijn beste dagen verdonkerd door de schaduwen, die plotseling voor de voet neerstrijken en de vreugde des levens verstoren.

Voor Paulus en die met hem eens-geestes zijn ligt een levenspad waarop, zover het oog reikt, geen doodsschaduw meer valt. In het volle licht baadt zich de weg, zover het oog reikt en verder.

Hoe is de apostel in staat geweest die moeilijke doorgang te maken? Hoe komen Paulus en die met hem roemen reeds in dit leven de dood te boven? Kunnen zij meer dan andere mensen? Zijn zij uit andere stof geschapen, minder vergankelijk? Is hun lichaam niet even broos? Het gedichtsel huns harten niet even boos?

In dit alles is er wel geen onderscheid. Op deze regel komen geen uitzonderingen voor. Maar zij hebben het heilsgeheim leren kennen, waaruit deze hun roem wordt verklaard. De verborgenheid des kruises is hun geopenbaard geworden. In de gemeente van Christus hebben zij, als leden van zijn lichaam, dood en leven met hun Hoofd voortaan gemeen. Zij zijn met Christus gekruisigd en nu leven zij niet meer, maar Christus leeft in hen.

Hoe moeilijk ook die verborgenheid te doorgronden is, zij is volle werkelijkheid. Het is geen leuze, maar leven. Dat is geen krachtterm, maar kracht Gods tot zaligheid. Het is geen retoriek maar eenvoudige belijdenis. Uit alles blijkt, dat het waarheid en werkelijkheid is.

Ik ben met Christus gekruisigd, zegt de apostel. En zoals in de donkere wintertijd de korte en afstervende dagen zich wenden en plotseling de zon en het leven tegemoet gaan; de donkerheid achterlaten en alles in toenemende mate van het licht profiteert, zo ook degenen, die in Christus zijn.

"Zij wand'len, Heer, in 't licht van 't godlijk aanschijn voort;
Zij zullen in uw naam zich al de dag verblijden,
Uw goedheid straalt hun toe; uw macht schraagt hen in 't lijden;
Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,
Maar uw gerechtigheid hen naar uw woord verhogen."37

Het lied en de roem van de gemeente, de dag des oordeels tegemoet, is geen illusie. Wanneer er iets zal blijken gegrond te zijn geweest, dan is het dit roemen in God. Het mysterie des kruises is werkelijkheid.

Ik ben met Christus gekruisigd. ⚑De blijde verzekerdheid van de overwinning over de dood ligt in dat met Christus verankerd. Daarin ligt de bekentenis, dat wij buiten Christus ons met de dood niet vertrouwen. Om alleen met de dood op het levenspad te gaan, met de dood, die nooit van onze zijde wijkt, die ons altijd in het oog houdt; de felle dood, die geen 'wit', geen blijdschap mag zien.

Durft gij dat, lezer! met de dood alleen te gaan? Bedenk u eens goed.
Paulus dorst het niet.

Ook hij had op de hoge levensbrug gestaan, die over de afgrond moest heen voeren, de hand aan de leuning der wet geslagen. Evenals Luther had ook Paulus dit waagstuk beproefd. Hem had echter geduizeld. De wet was ten leven gegeven. Maar in de hand des doods was zij Paulus ten dode geworden. De begeerlijkheid was levend geworden. En Paulus was gestorven.

Sedert had hij zichzelf gewantrouwd. Zijn eigen roem was vergaan. Zijn eigengerechtigheid scheen hem nu als een wegwerpelijk kleed. Liever dan met de dood over de afgronden des levens te gaan, had hij zich met Christus laten kruisigen en 'in Christus' de dood ontmoet. Aan de 'trotse zielen' had hij 'de ijd'Ie waan' overgelaten, dat iedere broze, zondige mens tot God kan komen en de dood kan overwinnen. Hij had zich 'gevoegd tot de nederigen', zich geschikt tot de 'armen van geest'.38 Hij had zijn eigen naam leren begrijpen. Saulus, zo heette hij vroeger en met trots, genoemd naar Israëls hoogmoedige en onboetvaardige koning uit het geslacht van Benjamin. Paulus heet hij nu gaarne, de kleine, de bange, de zwakke. Paulus heeft nu de dood ontmoet. Liever dan hem altijd aan zijn zijde te hebben, heeft hij dadelijk in Christus de ontmoeting gewaagd. Toen moest er veel sterven. Ja, het was geen retoriek. Hij was gestorven en met Christus gekruisigd. De oude Saulus was er niet meer.

Er zijn vele mensen, die van dit alles zeer weinig verstaan. Zij gaan langs de afgronden en zien ze niet. Ze hebben ogen en zien niet. Oren en horen niet. Harten en gevoelen niet. Zij menen, dat alles terecht komt en vertrouwen op hun eigen gerechtigheid en kracht. Er zijn ook vele mensen, die ten sterkste zullen ontkennen, dat zij door hun eigen gerechtigheid zullen behouden worden, maar die toch het 'met Christus gekruisigd' niet als een duidelijk schrift op hun leven hebben staan. Die als 'bekeerden' in zelfgenoegzame leerheiligheid meer gelijkenis vertonen met 'de ijdle waan der trotse zielen', die God van verre met gramschap aanziet, dan met Jezus en zijn mede-gekruisigde, Paulus, de kleine.

Wie het beangst geweten niet kent of de armoede van geest, de vreze des doods niet gevoelt, of de schrik van het toekomende oordeel, die begrijpt de woorden van de apostel niet.

Ik ben met Christus gekruisigd, dat betekent: ik waag het niet, alleen te sterven, maar wel 'in Christus'.

"Jezus, uw verzoenend sterven,
Blijft het rustpunt van ons hart."39

Over deze verborgenheid des kruises mogen wij spreken. Van deze verborgenheid moeten wij getuigen. Van deze levenservaringen zingt de gemeente. Doorgronden kunnen we het echter niet. Precies uitleggen, hoe het toegaat, kunnen we evenmin. Onze dogmatiek is hier gebrekkig. De volheid der tonen van deze belijdenis ligt in bijbel en confessie, in kerklied en prediking verspreid.

In Christus wijkt de duizeling van het gaan over de afgronden en wordt de nuchtere helderheid des Geestes geboren.

Met Christus gekruisigd. Dat 'gekruisigd' geeft aan de vreze des harten gelijk. Het doet ons zien, dat het geen inbeelding was, wanneer het zondaarshart schroom gevoelde. Het was geen hersenschim. Men had zich er ook niet overheen mogen zetten, zoals sommigen dat willen. Het kruis met zijn bange verlatenheid toont ons, hoe ontzaglijk Gods oordelen zijn.

Moeten wij deze dingen dan in al hun verschrikking met Christus doorleven? Moeten wij Christus' kruisiging beleven? Dat kunnen wij niet. Het avondmaalsformulier spreekt dat zo duidelijk uit. Het kruis bespaart ons de angsten der hel. In dat 'met Christus' en 'in Christus' horen wij te duidelijk een krachtig 'voor ons', dat de beklemdheid des harten verbant.

Maar wij mogen het kruis niet als een versiersel op onze hoed zetten. Het moet in ons en aan ons betoond worden te zijn een kracht Gods. Nu leef ik niet meer, maar Christus leeft in mij. Welk een ommekeer. Waar is die Saulus, die de gemeente vervolgde? Waar is de ijveraar voor de wet? Waar is de trotse Benjaminiet met zijn koningsnaam? Hij is nergens meer te vinden. Hij is dood. Hij is met Christus gekruisigd. Niemand heeft meer last van hem. Zijn handen en voeten zijn met Christus aan het kruis genageld. Hij grijpt en vervolgt niet meer. Zijn hoofd is met Christus gebogen. Zijn hart is met Christus gebroken. Zijn zijde is met Christus doorboord. In het lijden om Christus' wille voelt hij de eenheid met Christus. In de slagen om Christus' wille voelt hij de gemeenschap aan de smaadheid van Christus.

Ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij. Hoe heerlijk is het, wanneer op deze wijze vele zondige, ongeschikte, boze mensen recht met Christus gekruisigd worden, zodat niemand meer last van hen heeft. Men zoekt hen en vraagt naar hen en ze zijn er niet meer. Ze zijn dood en begraven. ⚑En in hun plaats ontmoet gij christenen, mensen in wie Christus leeft. Zij gaan het land door goeddoende. Zij helpen gaarne. Zij oordelen niet. Zij vergeven de zonde. Zij verklagen niet bij de Vader. Zij onderwijzen, vermanen, hebben lief en lijden.

Eindnoten

  1. 37

    Psalm 89 : 7 (berijming-1773).↩

  2. 38

    Achtereenvolgens zinspelingen op Psalm 138 : 3 (berijming- 1773); Rom. 3 : 16; Matth. 5 : 3.↩

  3. 39

    Gezang 50 : 3 (bundel- 1938), geschreven door Rhijnvis Feith.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De inwendige mensZondaar en bedelaarOpstanding →