De inwendige mens
Opdat Hij u geve, naar de rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden, door zijn Geest, in de inwendige mens.
Efesiërs 3 : 16 (St.V.)
Wanneer Jezus in de bergrede de innerlijkheid der kinderen Gods schildert, dan staat de armoede bovenaan. Zij is de eerlijke en volledige boedelbeschrijving van de inwendige mens bij het licht van het Evangelie. Zij is de titel van de hele inventaris en al wat er volgt moet in haar licht bezien worden. Mogen ook al de andere zaligsprekingen soms nog de indruk maken een catalogus te zijn van zedelijke goederen en aan een zekere rijkdom doen denken, dan is het geboden telkens te letten op het opschrift van de lijst: armoede van geest. De eerste spréuk ziet de christelijke innerlijkheid als een leegte.
Trouwens, alle innerlijkheid is niet anders. Wie 'hart' zegt, zonder meer, die noemt honger, treurigheid, armoede. Wie spreekt van 'gemoed', die bedoelt verlangen. Een hart, dat aan zichzelf genoeg heeft, is geen hart. En een gemoed, rijk en verrijkt, is niet wat het heet. Het onderscheid tussen de christelijke innerlijkheid en de andere is slechts, dat de eerste getroost is, de tweede niet.
De inwendige mens kennen wij niet anders dan als een raadselachtige, ledige plaats. Een holligheid achter de volligheid van ons bestaan. Het is natuurlijk mogelijk hem meer positief te bepalen. Ook al behoren we niet tot de platte materialisten, die bij de paulinische uitdrukking niet anders vermogen te denken dan aan de binnenzijde van hun lichaam, die zij op gezette tijden zoeken te versterken, dan zijn er nog vele manieren om op voldoende afstand van de angstige leegte een veilige afrastering te maken, die haar aan het oog onttrekt. Is ons denken geen innerlijkheid; en ons bedenken van al wat liefelijk is en welluidt? Bovenal ons zedelijk streven, is dat niet directe betoning van de innerlijke mens?
Het leven echter werpt deze staketsels telkens omver en opent het uitzicht op een dieper innerlijk. Juist wanneer onze gedachten van de morgen tot de avond uitvliegen en onze gevoelens 'zwieren naar alle einders', als een rijk 'innerlijk' leven zich schijnt te ontplooien, dan blijkt het vaak, dat wij zelf geen haard overhouden om de voeten te warmen. Men is overal thuis, behalve bij zichzelf.
Uit het hart zijn de uitgangen des levens. Maar wat houdt dat hart zelf over als het leven naar buiten trekt? Gaat het er niet vaak mee als met een bankier, die zijn middelen heeft vastliggen in bevroren Kredieten en die zelf gevaar loopt bankroetier te worden? Schept het leven niet zelf achter zich het ledige?
Zo noemen we vaak innerlijk leven, wat enkel uiterlijkheid is. Wat met de inwendige mens niets te maken heeft. Het is dan een scherm om onze armoede te dekken. Hele stukken van het leven zijn dood kapitaal geworden, misschien niet in elk opzicht, maar voor de eigenaar zelf. Dit geldt niet slechts van de geestelijke kapitalist, de denker of dichter, maar even goed voor de zedelijke of godsdienstige werker. Wat houdt Elia over op de grote dag van z'n leven, als hij op de Karmel historie heeft gemaakt? Of Luther na Worms? Wie redt hun amechtige zielen? Anderen hebben zij verlost; zichzelf kunnen ze niet verlossen. Wordt dit woord niet zelfs Jezus toegeroepen in de ure zijner verlatenheid?
Deze innerlijke armoede schijnt meer dan iets anders ons geestelijk wezen te benaderen. Zover wij naar binnen kunnen zien, wordt onze laatste positie er door aangewezen. Wij hebben het leven niet in onszelf en kunnen ons ook inwendig geen schatten op de aarde vergaderen.
God alleen heeft het leven in zichzelf. Bij Hem klateren de fonteinen des Geestes eeuwig in hun springbekken terug en vullen het rijker dan te voren. Hij heeft steeds des Geestes overig. Daarom kennen wij geen andere versterking van de inwendige mens dan in de vorm van troost. Dat is het krachtbegrip van het Evangelie. Paulus, in het tekstwoord boven deze overdenking, bedoelt ook niets anders. De versterking geschiedt door Gods Geest, d.i. door de Trooster, die de Vader op Jezus' voorbede gezonden heeft.
Onwillekeurig vervangen wij telkens dit begrip van kracht door andere voorstellingen, die wij overal vandaan halen, behalve uit het Nieuwe Testament. Er is echter alles aan gelegen ons hier aan de bijbel te houden. Wij kunnen de geest op de hoogtepunten van ons leven niet naar ons toeroepen, zoals Goethe meende. Althans niet de Heilige Geest. Die wordt op het gebed geschonken. Hij laat onze armoede bestaan, maar stelt daartegenover "de rijkdom zijner heerlijkheid".
Alleen zulke versterking kweekt ware innerlijkheid. Wij weten dat tenslotte ook zelf wel. Mensengeest, in welke gedaante ook, in zijn beste en vroomste vormen, en die vermeerderd en versterkt, krijgt spoedig iets demonisch. Hij draagt het beeld van de antichrist, die zich tegenover God op de troon zet.
De versterking van de inwendige mens, die Paulus bedoelt, is een geheel andere. Zij heeft niet plaats op de dagen van overwinning en succes, maar dan, als het hart verbroken en verslagen is. Als het leven er voor gezorgd heeft da-t het ledige, de armoede achter ons bestaan, tot bewustzijn is gekomen. Mislukking, smart, smaad en hoon zijn daartoe meestal betere voorbereidingen dan dagen van voorspoed of eer. ⚑Zo bestaat de inwendige mens, voor zover wij die kennen door het Evangelie, niet zelfstandig en op zichzelf. Hij bestaat altijd en alleen te zamen met God. Hij is er slechts als de getrooste. Hij heeft het leven niet in zichzelf. Zijn wezen is armoede, tegenover de rijkdom van Gods heerlijkheid. En het werk des Heiligen Geestes is, deze innerlijkheid te scheppen, niet eens vooral, als een vast bezit, maar altijd weer, als het leven deze mens op zijn ware positie heeft teruggedreven. Versterkt wordt hij slechts, zoals Jezus in Gethsemané door een engel versterkt wordt.
Van deze kracht en deze innerlijkheid zijn alle anderen, die die namen dragen, slechts schaduwen. Wie zag ze nooit in z'n leven naast elkander, een beweging van de Heilige Geest zelf en daarnaast het eigen gemaakte, het surrogaat?