O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← HemelvaartZondaar en bedelaarOngeloof →

Verzamelde Werken, deel 8 · Zondaar en bedelaar · p. 80–83

Sola fide

De beide woorden van de titel betekenen, zoals de meeste lezers wel zullen weten: door het geloof alleen. In verband met het gebruik van het Latijn in theologie en wetenschap, in vroeger dagen, zijn ze in die vorm veel bekender geworden dan in de woorden der landstalen, die meer moeite hebben om zich kort en krachtig uit te drukken. In onze Statenvertaling vindt men het beroemde woord alleen niet. Het stamt van Luther, die het aanbracht in zijn vertolking van Rom. 3 : 28. Het is van grote waarde gebleven voor alle protestanten. Men vertelt van een der Duitse landsvorsten, dat hij Luther, toen deze zich naar een van die samenkomsten begaf, waar de grens tussen Rome en Wittenberg met zorg werd afgebakend, met tranen in de ogen vroeg, hem toch vooral dat woordje 'alleen' weer mee naar huis te brengen.29 Wanneer men het in de bijbel naleest, ziet men, dat het 'sola fide' de hele tekst samenvat; want daardoor vallen de werken vanzelf af. Maar het doet meer; het vat de hele brief aan de Romeinen samen, die van zo grote betekenis is geweest voor de kerkhervorming. Wie kan, moet zich de Duitse vertaling aanschaffen van de voorlezingen, die Luther in 1515 en '16 over die brief hield.30 Dan kan men zien hoe het 'sola fide' geboren werd. Het is heerlijk dit ontwaken in de geest bij te wonen en te aanschouwen hoe Christus zich losmaakt uit de windselen en hoe de ene zweetdoek na de andere in een hoek wordt gerold. Zulke dingen moet men toch eigenlijk niet aan schilders vragen om ze ons te tonen, al zijn het Italiaanse of Hollandse meesters, maar aan het Evangelie of aan Luther.

Luther vat met die woorden het Evangelie samen. En hij vindt zelf, dat de greep nog niet strak genoeg is. Sola fide - door het geloof alleen - dat zou nog zo kunnen worden begrepen alsof vroeger het geloof en de werken het samen deden en nu het geloof alleen. Op de manier, waarop een bekend uitleggen, de vrome Bengel, het heeft voorgesteld, om ons het 'sola fide' te doen verstaan. 31Hij maakt er een aftreksommetje van. Geloof en werken zijn twee. De werken gaan er af. Dan blijft het geloof alleen over. Zo rechtvaardigt hij de invoeging van Luther.

Behalve dat deze voorstelling wat smakeloos is, is ze ook niet in de geest van de hervormer. Luther zegt ergens, dat hij het nog beter vindt om te zeggen: slechts door het geloof dan: alleen door het geloof.32 Het sola fide is niet ontstaan door een deling van geloof en werken. Dan was het geloof ook nog een soort werk en deed nu alleen, wat het vroeger met de werken samen deed. Maar neen, het is slechts geloof. Het is heel iets anders dan werken. Uit een zeker oogpunt gezien veel minder. Het is niet de helft, maar evenmin een ander onderdeel, hoe klein ook. Het is de grens van alle werk, waar werken ophoudt. Het is de limiet van alle steeds kleiner wordende delen, die het voor zich zou kunnen opeisen bij een deling.

Het geloof is niets en de werken zijn iets op dezelfde wijze waarop we zeggen dat een steen iets is, en de kracht, die hem wegslingert, niets. Zij heeft geen volume en geen gewicht; geen gedaante en geen heerlijkheid. En ook deze vergelijking gaat nog mank, want de kracht zou zich tegen de steen nog kunnen beroemen. Het geloof is minder dan de werken op andere, nog heel andere wijze. Het is slechts geloof en de streep onder dat slechts kunnen wij nooit dik genoeg trekken.

Luther is een bedelaar vergeleken bij Franciscus van Assisi. Hij bezit zelfs de armoede niet, die de Poverello zo rijk maakt. Noch zijn kuisheid en zijn gehoorzaamheid. Hij heeft slechts geloof. Wat zou het hem baten als hij al zijn goederen aan de armen uitdeelde. Hij zou rijk en verrijkt kunnen zijn en geens dings gebrek hebben. Rijk gelijk een Croesus of als een Diogenes. Wat gaf het hem, al hield hij de kloostergelofte van het celibaat. Hij was er misschien buiten de van God gestelde orde in geestelijke hovaardigheid, dat is ontucht, die de grenzen tussen engelen en mensen uitwist als in Genesis 6. En wat nuttigheid zou hem geven een gehoorzaamheid buiten geloof, die zich aan alles onderwerpt, maar de opstand des harten tegen God overeind laat. Luther heeft ook die gehoorzaamheid niet, evenmin als de tollenaar uit de gelijkenis.

Slechts het geloof heeft hij. Hij keert terug in de maatschappelijke orde; hij heeft geld en goed, huis en hof. En in de zedelijke: hij heeft vrouw en kind. En in de politieke: met woord en daad. Hij proclameert deze drieërlei orde in zijn reformatorische schriften: De vrijheid van een christenmens, De Babylonische ballingschap en Aan de christelijke Duitse adel. Hij keert de rug toe aan die kleine orden en regelen, waar een gerechtigheid wordt opgericht, waar God geen verstand van heeft en hij begeeft zich weer in de grote, die God kan beoordelen, omdat Hij ze gaf; en waar de zonde is, omdat God er oordeelt.

Daar, in de wereld, houdt men slechts het geloof over, omdat men wel weet er midden in de zonde te leven. De gerechtigheid Gods is er niet, ook niet voor het kleinste part. Wij hebben ook niet de kracht daartoe; want het geloof is anders dan een kracht; heel anders. Het is minder, veel minder. Het is slechts geloof. Wij zullen die gerechtigheid Gods ook nooit krijgen in dit leven; wij blijven in de zonde. Wij hebben alleen het gebed om die gerechtigheid. Of nog minder dan een gebed. Want het gebed kan nog vroom zijn. Het geloof is nooit vroom. We hebben slechts geloof.

Zo blijven wij dan in onze zonde en daar wordt ons geloof geboren. En als wij geloven hebben we reeds geen zonde meer, maar de gerechtigheid Gods. Lopen we uit de zonde weg, al is het maar één stap, dan kunnen we niet geloven. Luther heeft het ervaren. Hij is in de zonde teruggekeerd, in de maatschappij en in het gezin en in het politieke leven. De sterren zien wij slechts in de nacht en de gerechtigheid Gods alleen, wanneer we midden in de zonde zijn. Als wij het 'sola fide' beleven en slechts geloof overhouden. Want alleen daar houdt alle mensen-gerechtigheid op.

Zo gaat het geloof niet buiten de zonde om. Het is het werk van een zondaar en niet van een heilige. En dat is een verdere en diepere reden waarom wij moeten zeggen: sola fide; slechts door geloof. Midden uit het leven, daar waar men zondigt, de hele dag en ieder ogenblik, gaat het geloof uit. Aangrijpend heeft Luther het uitgedrukt in zijn voorlezingen als hij schrijft, dat hierin het hele leven van het gelovige volk bestaat, dat zij met het zuchten des harten, met de schreeuw van de daad en met de moeiten des lichaams eisen, verlangen en bidden om tot de dood toe gerechtvaardigd te worden. Zij willen nergens ophouden en een stuk zonde voor gerechtigheid aanzien, maar liever midden in de zonde wachten op de gerechtigheid Gods.33

Zo wordt het hele leven, het zondige leven, in het geloof betrokken. De christenmens, met de zuchten zijns harten; de huisvader en -moeder, met de moeiten des lichaams; de burger in de staat met de schreeuw van de daad, naar de drieërlei vrijheid, die Luther heeft uitgeroepen. Daar kunnen wij geloven niet zo nu en dan, tussen het zuchten en de moeiten en de daden door. Maar ieder ogenblik, even vaak als wij zondigen; dat is zonder ophouden. Wij kunnen het alleen doen, als wij in de zonde blijven. Want alleen zonde is de volle naam voor het ophouden van eigen gerechtigheid. En pas daar begint de gerechtigheid Gods. Zo alleen worden de werken volkomen afgesneden. Wij kunnen slechts geloven. Maar als we het doen hebben wij geen zonde meer. Dan merken wij dat het een werk Gods is. Dat het niet niets is, maar alles. En de ware betekenis van het 'sola fide', van het afsnijden van mensenwerk, wordt ons openbaar. Dan is het niet meer slechts, maar alleen door het geloof. God alleen. Zodat Luther toch goed vertaald heeft.

Eindnoten

  1. 29

    Vindplaats onbekend.↩

  2. 30

    WA. 56 v. Andere uitgaven bijv. J. Fieker, 19304, E. Ellwein, 19574.↩

  3. 31

    Vgl. J. A. Bengel, Gnomon Novi Testamenti, Stuttgart 1891, t.p., p. 558.↩

  4. 32

    Vindplaats onbekend.↩

  5. 33

    WA. 56,264.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← HemelvaartZondaar en bedelaarOngeloof →