Ongeloof
Johannes 20 : 24-29
Op de vraag, waarom Thomas ongelovig was, kan men antwoorden: omdat hij er niet bij geweest was, toen Jezus aan de discipelen verscheen. Wij kunnen dan een geografische reden zoeken en het nakijken op de kalender. Deze jongere was misschien toevallig op reis naar een andere stad; best mogelijk op een bedevaart naar Jezus' geboorteplaats en kwam juist een week te laat terug. - Dat is een zeer gewone verklaring van ongeloof. Wij zijn er niet bij geweest, toen God de wereld schiep; we zijn er niet bij geweest, toen Hij Jezus uit de doden opwekte. We zijn precies zesduizend of wat meer jaren te laat om de schepping te constateren en ongeveer tweeduizend, om hetzelfde te doen met de opstanding. Wat een mensen tussen mij en God, riep Rousseau uit. Was ik er maar bij geweest!34
Op allerlei wijze kunnen wij trachten deze geografische en chronologische afstand tussen ons en God te verminderen, zonder dat we nader tot het geloof komen. Wij kunnen Paulus nareizen op zijn zendingswegen zonder zijn prediking te leren verstaan en Jezus in de lijst van zijn tijd plaatsen, zonder het eeuwig Evangelie beter te horen. Het zou zelfs kunnen gebeuren, dat het ons ging, zoals ik pas van Thomas onderstelde, dat we er juist door die bedevaarten niet bij waren.
De reden van het ongeloof zal wel dieper gezocht moeten worden. Dat Thomas er niet bij geweest was, valt niet te ontkennen. Maar dat kwam, doordat hij zich in zichzelf gekeerd had. Ongeloof is de staat van een op zichzelf teruggeplooide geest. En daarvan is Thomas het type. Dan is de ziel als een losgesprongen elastisch koord, dat zich snel in zichzelf terugtrekt. Dan lopen de gedachten en overleggingen achter elkander terug. De ene verschuift zich achter de andere en deze weer achter de vorige. In smartelijke terugtocht struikelen ze over elkander en vallen zonder einde achterwaarts. De volgende is steeds weer ongeloviger dan de voorafgaande en geen enkele waagt het, staande te blijven. Een gedachte die staande blijft is geloof. In het ongeloof wijken ze lafhartig uit en zoeken dekking, de eerste achter de tweede en de tweede achter de derde enzovoort in een eindeloos syllogisme des twijfels en geen enkele staat z'n grond of verschaft de veiligheid, die de nakomende er achter zoekt.
Paulus ziet in het geloof hemel op hemel gestapeld, tot de derde toe, moeilijk om er te komen. En toch is hij er geweest. Het ongeloof kent grond onder grond, stevig om op te staan en is er tenslotte nog niet. Het twijfelt aan eigen identiteit en aan de identiteit van alle dingen. Het wil zijn vinger leggen in Jezus' handen en de hand in zijn zijde. Het wenst zich te overtuigen, dat Hij dezelfde is aan de andere als aan deze zijde van het graf. Het zoekt Jezus, zoals men een gemerkt schaap zoekt in een vreemde weide. Thomas zoekt het eigene, het zelfgemerkte. Hij wil Jezus terug hebben. De andere discipelen zijn al begonnen zich zelf aan Jezus te verliezen. Zij hebben al iets van de grote dood leren kennen, die ze straks zullen verkondigen en waardoor de prikkel uit hun eigen kleine dood is weggenomen. Thomas is nog zover niet. Hij zou als hij Jezus volgde naar de overzijde om in te klimmen in het andere leven, zich liefst voorzichtig omkeren om uit z'n vingerafdrukken te constateren, dat hij het zelf was, die binnenklom.
Thomas, gezegd Didymus. Dat is tweeling. Tweelingbroeder, in z'n ongeloof, van Judas; straks, in zijn belijdenis, van Petrus. Hier echter van Judas, die Jezus als zijn eigendom beschouwt en Hem verkoopt voor dertig zilverlingen. Die heengaat naar zijn eigen plaats en die misschien de eerste is geweest, die begraven werd in de akker, die voor zijn bloedgeld werd gekocht. Begraven in eigen grond, zoals alle ongeloof. Judas is de man, die er bij wil zijn als Jezus verhoogd wordt en zijn discipelen met Hem op twaalf tronen zullen zitten. Hij is er ook bij geweest, als Jezus gezalfd wordt. Maar hij gaat weg, omdat de zalf Jezus' begrafenis voorbereidt. Judas is er bij geweest, toen Jezus het Avondmaal instelde als een inwijding in het Nieuwe Testament. Maar hij gaat weg, omdat het vast is in de doden en het gebroken lichaam en vergoten bloed er de tekenen van zijn. Hier blijkt het wezen des ongeloofs. Plaats en tijd maken geen scheiding tussen God en ons. Ongeloof is weggaan, als men er bij is. Het is: de grote ruimte niet aandurven, die de dood schept voor een nieuwe wereld en een nieuwe mens, de ruimte waarin het geloof een vaste grond is van de dingen, die men hoopt en een bewijs der zaken, die men niet ziet. Het is, zich terugtrekken op eigen stukje grond en eigen argument en daar de dood te vinden, die men met Christus niet in het aangezicht dorst te zien in het geloof. Het is: de hemelse erfenis niet aanvaarden, waartoe wij in Christus gesteld zijn en in plaats daarvan het Evangelie met Judas beschouwen als een failliete boedel, waaruit wij het eigene terug zoeken te nemen. Zo doet Judas, die zijn aandeel in het Evangelie te gelde maakt om het te beleggen in een akker des bloeds en des doods en de opstanding ruilt voor een kerkhof.
Dat is de eerste tweelingbroeder van Thomas. Thomas is ook bijna weggegaan terwijl hij er bij was. Bijna had een ander ook zijn opzienersambt moeten nemen.
Niet tevergeefs waarschuwt Jezus hem: "Wees niet ongelovig maar gelovig." Hij wil zijn hand op Jezus leggen en Hem met de vinger aanraken en bedenkt niet, dat dit niets anders is dan een poging om van zichzelf verzekerd te worden. Zoals een blinde tot op zekere hoogte in alles wat hij aanraakt zichzelf waarneemt en niet buiten de cirkel van zijn eigen bestaan komt, zo ook het ongeloof. Thomas verraadt zich in zijn woorden en zegt in één adem tweemaal ik en tweemaal mijn. Men voelt de aansluipende wanhoop, verwant aan die van Judas, waarbij de zelfhandhaving en het twijfelen-aan-zichzelf één en hetzelfde zijn. Waarbij, onder het losrafelen van eigen zekerheid en verzekerdheid, Thomas naar zichzelf tast en Judas zichzelf aantast om van eigen identiteit bewijs te verkrijgen. Wanneer iedere gedachte die uitgaat, terugkeert, als de duif in de ark; als zij straks zelfs geen groen blad meer mee terugbrengt; als de kring steeds nauwer wordt getrokken en de geest om zichzelve cirkelt en de kennis steeds beslister op het eigene wordt teruggewezen; als de inhoud steeds minder wordt en de vorm steeds leger, dan wentelt de ziel om de spil des ongeloofs. Dan ontrooft iedere gedachte aan de andere haar waarheid tot ze alle tesamen ter helle varen in de leugengrond van het eigen ik.
Thomas is er uit verlost in die éne schreeuw die hij heeft gegeven: Mijn Heer en mijn God!
Hij is tweelingbroeder, thans van Petrus, naast wiens christusbelijdenis de zijne daar staat in het evangelie als de pilaren Jachin en Boaz in de tempel van Salomo.