Verschuiving1
Dezer dagen, midden in een gesprek over een der vragen van de dag, herinnerde ik mij, hoe voor enkele jaren een uitnemend theoloog in ons land, tevens bekend politicus, op een predikantenvergadering de schepping in het geweer bracht tegen de zgn. dialectische theologie, die toen pas haar wat bruuske entree gemaakt had in de kerkelijke en - men mag nu wel zeggen - burgerlijke wereld.2 Deze nieuwelinge, met haar Johannes-de-Dopermanieren, leek zich toen overigens van die burgerlijke wereld bitter weinig aan te trekken. Ze scheen de dood in de pot te gooien en kolokwinten (2 Kon. 4 : 39) voor brood te geven. Tegen dit onculturele bedrijf was toen bovenbedoelde waarschuwing gericht. Er werd nadruk op gelegd dat het Evangelie betekenis heeft voor dit leven; zelfs overdreef men onopzettelijk de eigen bedoeling door het 'diesseitig' te noemen. En ten slotte werd er aan herinnerd dat het God om zijn schepping te doen is en blijft.
Ik laat thans deze uiting van toen, die geheel in het licht van de daarbij in aanmerking komende omstandigheden gezien moet worden, voor wat ze was. Namelijk een verwonderd rondkijken van een scherpziend man die, pas uit andere staat des levens in de kerk terug, merkt, dat zich daar verschuivingen hebben voltrokken van zo radicale aard, dat ze in geen verhouding schijnen te staan tot de overigens ook niet geringe veranderingen, waarmede hij in het burgerlijke leven van nabij heeft kennis gemaakt. - In deze gewaarwording kan ik mij levendig indenken. Het overkwam mij eens dat ik ergens gelogeerd, van een wandeling terugkomende, door een raam de beide grote wandmeubels in het woonvertrek precies andersom geplaatst zag als enkele uren te voren. Ik zal nooit de duizeling in mijn geest vergeten; de draaiende twijfel of ik 'compos mentis'3 was. De zaak loste zich spoedig genoeg op. De stukken waren op natuurlijke wijze verplaatst.
Men verwijt de kerk vaak dat zij in allerlei opzicht achter de loop der dingen een aantal jaren aan komt. Men begroot die dan op een halve of een hele eeuw. In het door mij besproken geval was het andersom. De radicale tegenstelling tussen Evangelie en Schepping, die sedert enkele maanden zo diep in 't politieke en burgerlijke leven begint in te snijden, begon zich ruim tien jaren geleden reeds aan sommige theologen te openbaren en dat heeft op de prediking, over bijna de gehele lijn, een diepgaande invloed geoefend. Nu zou men kunnen zeggen, dat komende dingen hun schaduw vooruit werpen en het als een geval van theologische en pastorale telepathie kunnen opvatten. Het zou echter ondankbaar tegenover God zijn, als wij deze dingen zo in de natuurwetenschappelijke zielkunde terug duwden. Laten wij liever openlijk belijden dat God in de kerk nog tot ons spreekt en dat Hij ons in geen nood zonder zijn Woord laat. Er is een onweersprekelijk mystiek iets in de omstandigheid waarop ik wees, dat God ons niet zonder geestelijke wapenrusting in de boze dag (Efesiërs 6) brengt. En dat Hij met name in de Duitse kerk, die de eerste stoot van het nieuwe heidense scheppingsgeloof heeft op te vangen, mannen heeft verwekt, die in hun prediking en theologie daarop waren voorbereid.
Zo blijkt het ook hoe wonderlijk de kerk en de burgerlijke wereld samenhangen en hoe onbillijk het kan zijn als men aan de kerk verwijt, dat zij zich te weinig met dit leven bezighoudt; dat zij te 'jenseitig' is. Wanneer er op dit ogenblik in Duitsland nog iets is, dat invloed kan oefenen op de ontwikkeling van het burgerlijke leven en dat overeind blijft staan in de storm, dan zijn het de prediking en de theologie. En dan zijn het niet in de laatste plaats mannen als Barth, die reeds tevoren tot het inzicht waren gekomen, hoe kritisch men met het begrip schepping moet omgaan, als het in de prediking bruikbaar zal zijn.
De mens staat niet ergens op de biologische ladder boven de planten en de dieren op God te wachten. Tot de kerk van Gods kinderen wordt hij van het kruis uit verkoren en zó en niet anders ontstaat de eenheid van het menselijk geslacht. Iedere andere eenheid, ook de kosmopolitische en de biologische, is een beletsel. Wie vader en moeder niet haat om Christus' wil, kan niet ingaan in 't koninkrijk Gods... (Lukas 14 : 26). Van het kruis uit klinkt het woord: vrouw zie uw zoon, zoon zie uw moeder 4Hier is de angst der ware geboorte. De afstamming uit énen bloede is geen christelijk dogma. Zij brengt ons hoogstens tot de aanname van een alles omvattende 'cultuurkring' (Böhl).5 Daarmee zou voor de kerk en het Koninkrijk niets gewonnen zijn. "Niets is zo tweedrachtig door zijn gebreken en tegelijk zo sociaal van nature als het mensengeslacht" (Augustinus).6 Het eerste broederpaar halveerde zich zelf. En Schopenhauer zag in de eigenschappen van een zeker reptiel, waarvan de beide helften op elkaar aanvallen, als het doorgesneden wordt, het symbool van de afstammingswil.7 Het paradijs ligt rondom Golgotha en de Adam en Eva, die wij er zien in- en uitgaan, zijn de moordenaar en Maria Magdalena, twee uit het vuur gerukte brandhouten van Christus.
Dit zijn harde waarheden, die God ons in deze dagen leert. En de mensen verstaan ze. Ik citeer een bericht van het Christelijk Persbureau.8 Op 16 maart waren te Dortmund 25.000 mensen bijeen tot constituering van de vrije Westfaalse kerk,9 "bij wie het wonder van de dag beleefd werd, nl. dat het al die mensen, ook de eenvoudigen, zo geweldig duidelijk was, wat het verschil is tussen openbaring en geloof op grond van de H. Schrift en het Woord Gods alleen, én openbaringsgeloof op grond van 'bloed en geschiedenis'. "Hier werd opnieuw beleefd hoe het mogelijk was, dat... de moeilijkste dogma's op momenten van volksontroering levende werkelijkheid kunnen worden."
Hoe hard deze dingen voor vlees en bloed ook mogen zijn, deze schepping rondom het kruis is de hemel. Er is geen reden om te klagen, als wij haar vergelijken met de hel die er opduikt achter de prediking der schepping wanneer die gezien wordt, niet als de gemeenschap der heiligen, van engelen en mensen onder het Hoofd Jezus Christus, maar als een natuurlijk gewas van de aardbodem.
Het is waar dat in de prediking en de theologie de beide grote stukken, Schepping en Evangelie, niet meer op dezelfde wijze naast elkaar staan als dat wij gewend waren. De wijziging is radicaal, ingrijpend. Maar: aux grands maux les grands remèdes. God spreekt nog in zijn kerk en Hij doet dat voordat Hij werkt en oordeelt in de wereld. Zo deed Hij het in Abrahams dagen (Gen. 18 : 17) en zo doet Hij het nog. Wanneer wij de verplaatsing opmerken behoeven wij aan onze theologische 'bon sens' niet te twijfelen. De Huisheer heeft er zelfs de hand in gehad.