O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Autonomie der cultuur?InhoudVerschuiving →

Verzamelde Werken, deel 6 · p. 590–600

Daad en Lot1

Onderstaande beschouwing wil uit de aard der zaak nauwelijks meer zijn dan een bescheiden aanwijzing van enkele vragen, die bij ons opkomen, als we aan de cultuur en hare toekomst denken. Algemene cultuurproblemen zijn zo moeilijk en ingewikkeld, dat de gedachte, die er zich in begeeft, er hoe langer hoe meer in verward raakt. Slechts aan de daad kan het gelukken de knoop te ontwarren. De zwaardslag van Alexander te Gordium en de opoffering van Albert Schweitzer in Lambarene vereenvoudigen de moeilijkheden op een wijze, die ons aan het ei van Columbus doet denken. En toch hebben ze de macht werelddelen te ontsluiten en aan culturen heerschappij te verschaffen.

Naast deze grote, naïeve, scheppende cultuurdaad staat in het rijk der gedachte gelijkwaardig slechts de profetische en apocalyptische visie. Ook deze past een grootse vereenvoudiging toe, verwant aan die van de daad. Zij heeft het klare en volledige gezicht op het einde, zoals de daad dat heeft op het begin. Ze heeft kennis van de tegenpool van de daad: het lot.

Deze beide zijn het, die de cultuur beheersen. Zij komen in allerlei belangrijke trekken overeen. Ze maken een einde aan alle geparlementeer en alle tegenspraak. De grote, naïeve daad van voren; de profetie van achteren af. Zij werken op elkaar in en trekken elkaar aan. Ze reiken elkaar de hand. Zij vereenvoudigen de kwesties; ze weten wat wezen moet en wat wezen zal. Als deze twee er niet waren stond de wereld stil. Nu gebeurt het zo en niet anders. De grote naïeve daad weet het begin; de profetie kent het einde. En daarmede is alles bepaald.

Dit is van toepassing op het gehele terrein des levens. Het gaat op in kerk en staat, in kunst en wetenschap. Als Cromwell in 1648 een einde maakt aan het Lange Parlement, dan heeft hij bij ingeving een onberedeneerde, onparlementaire kijk op wat er gebeuren moet. Het gebeurt omdat hij het weet. En hij weet het omdat het gebeuren moet. Hier is sterke verwantschap met het lot, waartegen geen tegenspraak baat. De dingen worden eenvoudig en vast en een kennisleer is niet meer nodig. Psychologie en verdere ingewikkeldheden kunnen terzijde gelaten worden. De daad reikt het lot de hand en het lot de daad. En daarmede is alles beslist.

Luther in z'n grote ogenblikken staat precies zo. Even onberedeneerd, even onopzettelijk, even on-ingewikkeld en even eenvoudig en vast. Maar ook in de kunst van een Bach, hoeveel techniek er ook mee gemoeid moge zijn, heerst deze afwezigheid van het opzettelijke en samengestelde. Hier is de kunst geen resultaat van een methode, maar gaat de eenvoud logisch aan het ingewikkelde vooraf.

Met de aanwijzing van deze daad en van de profetie heb ik boven de cultuur uitgewezen. Zij beheersen deze volkomen, maar liggen er zelf buiten. Ze zijn transcendent ten opzichte van de cultuur. Wanneer we ons in een van beide, of, wat eigenlijk alleen mogelijk is, in beide tegelijkverplaatsen, staan we op geloofsstandpunt. De naïeve daad is naar haar wezen geloofsdaad en de profetie is de kennis, die het geloof van het lot en het einde heeft. Tussen beide bestaat wel spanning, maar gaapt geen onoverkomelijke klove. De geschiedenis vormt een pad, een baan van de eerste naar de laatste. Grote beginners op elk gebied zijn nooit geheel zonder kennis van het einde geweest; anders zouden ze niet begonnen zijn. En de grote figuren van de daad waren steeds vrienden van het lot, waaruit ze hun predestinatie aflazen, zonder welke ze geen kracht hadden om staande te blijven.

Dat we hiermee op geloofsstandpunt staan, blijkt het best als we aan het Evangelie denken. Daar vallen daad en profetie geheel samen. Ieder moment is hier zowel begin als einde. De daad wordt lot en het lot wordt daad. Iedere stap, die Jezus doet, is een schrede in het duister en tegelijk vervulling van een oud psalm- of profetenwoord en daarmee volkomen kennis van het einde. Men kan niet zeggen hoe de gang der dingen is: van voren naar achteren of omgekeerd. De profetie wekt hier de daad en de daad vervult de profetie.

Heel anders wordt het als we ons standpunt nemen binnen de eigenlijke cultuur. Als we immanent blijven. Hier heerst juist geen vriendschap tussen daad en lot. Cultuur is verzet tegen het lot. Symbool is het ploegijzer, dat door de akker gedreven wordt. Het is een wapen. Rust de daad geheel tegenover het lot, dan is er geen cultuur maar slechts natuur. Beheerst de daad het lot volkomen, dan is er evenmin cultuur. We hebben daar geen naam voor dan die van duivel. Hi wordt hier natuurlijk niet in theologische zin bedoeld maar als grensbegrip. Is het ploegijzer, het begin der cultuur, een wapen, waarmee moeder aarde spelend wordt gewond, dan is de duivel de absoluut gewapende, die in volle ernst tegen de Vader van alle geesten te velde trekt.

Natuur en duivel begrenzen de cultuur. Ik zeg niet de mensheid, maar de cultuur. Cultuur loopt niet uit op vergoddelijking. Hier gaat letterlijk op dat "jede Konsequenz zum Teufel führt". Ik bedoel niet te zeggen dat de cultuur in werkelijkheid op deze grens uitloopt. Wel is het aan haar te merken dat ze die bezit. De werkelijke grens, niet de ideële, wordt aangewezen door een ander symbool, dat van de oogst, in bijbel en letterkunde welbekend. De cultuur-mens, als hij z'n wapen tegen het lot opheft en zich een eigen oogst bereidt, vergeet gemakkelijk, dat hij slechts het teken van eigen lot schept. Shakespeare legt deze wijsheid in de mond van een melancholicus en deze heeft het weer van een nar, als hij in As you like it Jacques laat vertellen, hoe de nar over z'n horloge filosofeert:

It is ten o'clock:
Thus we may see, quoth he, how the world wags:
'Tis but an hour ago since it was nine
And after an hour more 't will be eleven;
And so, from hour to hour, we ripe and ripe,
And then, from hour to hour, we rot and rot;
And thereby hangs a tale.

Wie het einde der cultuur als oogst ziet, weet de verhoudingen omgekeerd. Z'n grootste aandacht is niet gericht op het kleine wapen, dat de mens tegen het lot getrokken heeft, maar op het grote, dat hij over het hele gewas der cultuur ziet zwaaien. Wij behoren althans tot een geslacht, dat de grote zeis heeft zien glinsteren.

Ik heb deze principiële overwegingen voorop gesteld om duidelijk te maken, in hoever ik kan meedoen aan een cultuur-beschouwing. Ik zou niet gaarne aan de cultuurfilosofie alle recht ontzeggen om ons voor te lichten. Maar vast staat, dat ze dit doet op een veel lager plan en in veel bescheidener rol dan de profetie en de apocalypse. Ze blijft immanent in de cultuur en kan dus daarop niet een klare visie hebben.

Met een enkel sprekend voorbeeld wil ik de onzekerheid van alle cultuurfilosofie illustreren. Een belangrijke zaak bij het vaststellen van een taak is de leeftijd. Wat de jeugd misschien lukt, is de ouderdom ontzegd. Dit is ook van toepassing op de cultuur. De vraag naar de biologische leeftijd van de westerse beschaving is vaak opgeworpen. De voorbeelden van opkomen en ondergaan van culturen zijn in de geschiedenis te talrijk om de kwestie zo maar ter zijde te leggen. Maar nu het ons zelf geldt staan we merkwaardig verlegen. Ben ik oud of ben ik jong, is de zeldzame vraag, die het Westen zich zelf doet in de cultuurfilosofie. Twee bekende doktoren stellen, misschien wel na gehouden consult, een diagnose. Ze zijn het niet eens. Spengler verklaart dat de patiënt stokoud is.2 Zijn cultuur is civilisatie geworden. Dat is wat we fysiek aderverkalking noemen. Kunst acht hij in Europa niet meer mogelijk. Dichters doen beter bij de marine te gaan, om nuttig werkzaam te zijn. De ander, Keyserling, komt tot een tegenovergestelde conclusie.3⌫ Onze cultuur is volgens hem piepjong. 't Is protestantse cultuur, die de daad verheerlijkt boven het dulden, waartoe Calvijn het Westen de moed heeft gegeven. Pas ongeveer honderd jaar geleden is een versnelling van het levensritme ingetreden, een verjonging, die ongekende perspectieven opent. Een moed tegenover het lot, die bijna de dood baas schijnt te zullen worden. ⚑Dit voorbeeld is niet geheel willekeurig gekozen. Twee bekende filosofen zeggen hier hun mening over de beschaving waarin wij zelf staan; de atlantische. Het betreft het volkerencomplex, dat het christendom belijdt. En de kwestie waarover het gaat is de hoofdvraag voor iedere cultuur; die naar de verhouding van daad en lot. De een zegt dat het lot de daad achterhaald heeft en de ander dat de daad dit met het lot heeft gedaan.

Daardoor wordt het heel duidelijk in welk vlak de cultuurfilosofie zich bevindt. Daar, waar leven en lot tegenover elkaar staan: binnen de cultuur en niet, waar beide elkaar de hand reiken: boven de cultuur. Ze kan ook nergens anders zijn. Ze zou het alleen kunnen als ze profetie werd, wat iets anders is dan gelovige cultuurfilosofie.

Meestal wordt die immanentie dan ook uitdrukkelijk geëist. Cohn zegt, dat in cultuurvragen, waaronder hij ook de godsdienstige rekent, slechts de richting ons duidelijk gegeven is en dat we die uit onze kennis en arbeid moeten aflezen, terwijl we die richting dan zelf bepalen.4 Troeltsch wil de voortzetting der eschatologie slechts toelaten van het personalisme uit; een eschatologie die hij bij Dante vindt aangegeven en die de bijbelse moet vervangen.5 Het Angelsaksisch pragmatisme eindelijk heeft heel beslist de spits der grote waarheidsvragen in de cultuur neergedrukt.

Zo is het niet te verwonderen, dat hier niet de vastheid en eenvoudigheid gevonden worden, die grote beslissende daden moeten steunen. Deze hebben in een of andere vorm de profetie nodig, de onberedeneerde en onweersproken kennis van het lot. Wanneer dan ook de cultuurfilosofie beoefend wordt met overwegend intellectuele middelen, zo sticht ze slechts verwarring. Dan ontneemt ze aan de mensen hun laatste kracht en wijsheid tot handelen. Een lijkrede, als door Spengler op Europa gehouden, zou, indien ze in wijde kring geaccepteerd werd, heel wat gevaarlijker zijn dan de bekende eschatologische verwachting omstreeks het jaar 1000. Een zuiverintellectuele beschouwing doet het helemaal niet. Wie de vraag wil oplossen of Rome, het fascisme of het bolsjewisme in ons werelddeel de toekomst zal hebben, zonder zelf in positieve of negatieve verhouding te staan tot een van de drie, houdt zich bezig met een puzzel. Het is tijdverdrijf.

Slechts dan kan men aan deze filosofie een betrekkelijke betekenis toeschrijven, als ze naar analogie van de verhouding van profetie en geloofsdaad, in correlatie staat met een daad. Het karakter van deze daad zullen we in overeenstemming met haar immanentie en in onderscheiding van de naïeve daad, nog hebben te bepalen. Maar voorop moet staan, dat ook de immanente profetie, de wetenschappelijke apocalypse, de handeling tot tegenpool moet hebben. Inderdaad is dit ook vrij algemeen het geval. Althans in ons land ziet men de beoefening van cultuurfilosofie vaak gepaard gaan met actie op politiek, sociaal of kerkelijk gebied. In overeenstemming met het praktisch karakter van onze landaard en onze calvinistische geesteshouding is dit zelfs overwegend het geval. Daarmee ligt dan tevens een geduchte rem op de fantasie.

Maar afgezien van deze lokale gesteldheid heerst toch wel het bewustzijn, dat cultuurfilosofie, zal ze iets betekenen, niet enkel met intellectuele middelen mag trachten het lot af te lezen. Er is een wijdverbreide voorliefde voor het parool: mannelijk christendom.6 Deze uitdrukking heeft vaak geen andere betekenis dan die van: actieve cultuurfilosofie. Met 'christendom' wordt dan bedoeld, dat men niet afwijzend staat tegenover de waarde daarvan, voor zover die immanent blijft. En met 'mannelijk' wordt de nadruk gelegd op de agressieve houding, die men tegenover het lot wil aannemen; welke houding, zoals ik boven aanwees, eveneens op immanentie wijst. Immers binnen de cultuur zagen we daad en lot vijandig tegenover elkaar, zoals ze daarboven elkaar de hand reikten. De geloofsdaad is ook wel mannelijk, maar ze is het niet eenzijdig; ze is niet viriel. Ze is mannelijk zoals de kop van Dante of Shelley, die evengoed van een vrouw kon zijn.

Hiermee hebben we reeds een begin van een karakteristiek van de daad, die correspondeert met de wetenschappelijke apocalypse. In verband daarmee wijs ik er verder op, dat die handeling is wat de Engelsen een science noemen. Het is beredeneerde praktijk. Zij mist het n:dieve van de geloofshandeling. Ze herinnert sterk aan de toegepaste zijde van de natuurwetenschappen. Zoals wij tegenover de natuur niet lijdelijk gebleven zijn, maar haar een deel van haar geheimen hebben ontwrongen en krachten aan ons hebben onderworpen, zo wil het mannelijk christendom van onze strijd tegen het lot een 'science' maken. Men verwacht, men hoopt althans, dat het gelukken zal door methodisch, beredeneerd handelen een heel eind verder te komen, ook wanneer de zwarigheden hier veel groter zijn dan in de strijd tegen de natuur.

De beslissing over het mensenlot valt daarbij niet in enkele grote momenten der geschiedenis. Hier geldt welbewuste, systematische cultuurarbeid. Een langzame, methodische uitholling van het lot. Daarom is deze cultuurdaad ook niet meer zuiver persoonlijk. Ze is sterk afhankelijk van een organisatie. Grote chefs zullen daarbij wel niet kunnen ontbreken, maar deze zijn toch weer niet meer dan exponenten van het bedrijf, ook het geestelijk bedrijf, dat ze regeren. Heel anders dan de grote, transcendente helden der cultuur; de vrienden van het lot.

Zo krijgt de cultuurdaad een zeer uitgesproken technisch karakter. En daarmee iets mechanisch. Hier en daar wordt dit technische dan ook als een blijvende factor van ons toekomstig geestesleven aanvaard. Elders wordt men daarin gehinderd door een oude liefde voor het lot, "waar alle vergankelijke en betrekkelijke waarden nederzinken".7 Onverdeelde liefde zal men in ons werelddeel wel moeilijk kunnen verwachten. Daarvoor zijn we te zeer gedrenkt met het profetisch christendom en rust de greep van enkele transcendente beslissingen in de historie te zwaar op ons.

Onwillekeurig gaan daarom onze gedachten naar de overzijde van de grote vijver, waaromheen onze cultuur zich uitbreidt. Ook de Engelsen, niettegenstaande hun voorliefde voor 'science', zullen wel niet geheel mee kunnen. Hoe langer hoe duidelijker wordt de mogelijkheid van een Amerikaanse uitloper van onze cultuur. Keyserling, hoe fantastisch hij soms ook moge zijn, heeft daarop een scherpe kijk gehad. Ik denk nu het eerst aan het beneden-eind van de schaal. De reizende filosoof vond New York een frappant voorbeeld van de mechanisering der natuurzijde van ons bestaan.8 Hier heeft dan het lot, als het niet z'n laatste krachten verzamelt tot het noodlot van een aardbeving, weinig in te brengen. En ook dan nog schijnt de skyscraper een geduchte tegenstander. Maar ook de landbouwer daar in het Westen is niet de speelbal van weer en wind. Hij is, ook geestelijk, een industrieel geworden.9

In verband met een ander stuk van het lot der mensen, waaraan deze steeds zo zwaar hebben getorst, denk ik aan christian science.10 Veelbetekenend ook hier weer het woord 'science'. Tegenover de lichaamsnoden wordt hier methodische, technische gedachtenhandeling gesteld, die duidelijk verschilt van wat in het profetisch christendom onder gebed verstaan wordt. Hier is een meer eenzijdig-actieve, mannelijke houding, die voor mogelijke aanvaarding van en liefde tot het lichaamskruis weinig of geen plaats overlaat. Wil men het gebed noemen, dan zou het een immanent gebed moeten heten, wat een contradictie inhoudt. Want het staat op cultuur-niveau. De gedachte is hier een wapen, dat gehanteerd wordt tegen het lot.

Zo zou er verderop, in Amerikaanse richting, meer te noemen zijn. Daar is het vraagstuk van erfelijkheid. De eugenese wil zijn een methodische, bewuste, wetenschappelijke, technische poging om hier tegen het lot op te tornen. Zij zou het huwelijk mechaniseren en de gedachte van een goede afkomst, die in Europa nog geldt, consequent moeten vervangen door die van een goede nakomelingschap.

De Nieuwe Gedachte,11 tenslotte, regelt de hogere levensfuncties en mechaniseert zedelijkheid en godsdienst. En doet dan haar hoogste greep, als ze door massale gedachtenconcentratie het lot definitief aan zich zoekt te onderwerpen. Over de hele lijn merkt men hier het opzettelijke, bewuste, mechanische. Het is er in de vaste oefeningen van de christian-scientist, wanneer men ze vergelijkt met de protestantse huiselijke godsdienstoefening. Ook in de twee minuten geconcentreerde aandacht op de wereldvrede, als men die plaatst naast de derde bede van het Onze Vader. Geest en techniek naderen elkander hier en geestescultuur en lichaamscultuur worden als meer verwant gevoeld dan wij, behoudens een enkel: "mens sana in corpore sano" van de Latijnse school, van ouds gewend waren te doen.

Men kan er over verschillen of de sociale strijd ook in deze lijn moet gezien worden. Voor het vasteland van Europa zou ik dat zeker niet doen. Een rasechte cultuurstrijd is het onder ons niet, althans nog niet. Wel ligt het in de bedoeling van de grootste leiders om haar zo te doen zien, maar het is de vraag of de Europese mens geestelijk los genoeg is van bodem en verleden om, als hij daarvan in massa los komt, er niet naar terug te grijpen in de vorm van panem et circenses. Van Rome en de middeleeuwen af heeft de sociale vraag onder ons iets overgehouden van een uitbreiding van diaconale zorg. Humaniteit, het geestelijk cultuursymbooi, heeft een vrouwelijke klank behouden, die in een ander soort christendom past dan het mannelijke, waarmede wij ons thans bezighouden. Ik geloof, dat dit juist het kruis is van alle sociale strijd, althans op het vasteland van Europa. De vraag is of het goed zou zijn, zo dit kruis geheel werd afgenomen. Nietzsche heeft getracht het af te schudden, zonder dat men kan zeggen, dat dit hem is gelukt. Zo blijkt de sociale strijd onder ons veel te hebben van een verzekering tegen armoede, dat oude bekende stuk mensenlot, bijna even verbreid als de dood. Zal de sociale zorg een stuk humanisme worden in de betekenis, waarin dit woord door de pragmatisten gebruikt wordt en zal ze in de lijn komen van de actieve houding tegenover de toekomst, de uitholling van het lot, in dit geval de armoede, door de daad, de mechanisering van het leven, het mannelijk christendom, dan moet eerst het medelijden, dat er in is, overboord geworpen worden en daarna het gepraat over recht en moet alleen de wil en de macht overblijven. Keyserling drukt het heel juist uit in de volgende tekening:

"Die Menschen, welche ungebrochen durch die grausame Schule des amerikanischen Daseinskampfs hindurchkommen, sind hart und elastisch wie Stahl; sie sind innerlich gespannt, wie sonst niemand. Aber da sie alles von sich, und nichts von anderen erwarten, so geben sie, wo sie edel sind, desto lieber; so wird Humanität, bisher eine Rückversicherung, zum reinen Geschenk."12

Hier zijn we weer in de lijn van het mannelijk christendom. Hier is de sociale strijd een zuivere cultuurstrijd. Ik railleer niet als ik hier van christendom spreek; althans niet meer dan bij het epitheton ornans in christianscience en bij de vermelding van het christelijk karakter van de Nieuwe Gedachte. Ook deze humaniteit heeft haar letter. Zegt Jezus ook niet, dat het zaliger is te geven dan te ontvangen?13 En is dat ook niet toepasselijk op Carnegie14 of welke dollarkoning dan ook?

Maar hier zien we toch weer duidelijk, niettegenstaande de tekst en het christelijke en de humaniteit, de grens der cultuur, de duivel in 't gezicht komen. Het staalharde in deze cultuurmensen, de innerlijke spanning, hun cultuurgestalte - afgezien van wat ze daarnaast nog zijn als gewoon mens, als 'jolly good fellow' - staat in gevaarlijke oppositie met het kruis.

Het is merkwaardig, dat dergelijke figuren in Europa ook wel sporadisch op omen, maar er niet schijnen te gedijen. Stinnes was er een en Loewenstein.15 Ze waren in eens niet meer. Hun geest was niet mannelijk of niet christelijk of niet duivels genoeg.

Hiermee heb ik enigszins een bepaling gegeven van de daad, zoals die is of althans zijn moet als complement van de cultuurfilosofie. Ze betekent zelf-ontwikkeling, die op een cursus kan worden geleerd en die verschilt van de cultuur der wijsheid, die van boven rijpt voor de oogst. Men zou hier de vraag kunnen stellen naar de waarde van een cursus, dat wijdvertakte instituut van onze tijd, tegenover de kerk, die tot voornaamste taak heeft de mensen te troosten in hun lot. Ik zal dit zaaien in rechte voren niet oordelen, maar het is anders dan de brede worp op de wereldakker van de grote godsmannen der geschiedenis, de vrienden van het lot, waaruit ze hun predestinatie aflazen, en geroepenen door de profetie, waarmee ze stonden in de grote transcendente orde. Ze hebben gezaaid over de eeuwen en het gewas werd lang en ze wisten zelf niet hoe.

Daartegenover maakt de immanente cultuurdaad de indruk van - ik schreef bijna - een geniepig uithollingswerk van wat over mensen bestemd is te komen. Een gewild leven, dat niet meer wil oogsten dan men zelf zaait en vergeet, dat ieder cultuurwapen, van het eerste ploegijzer af, slechts symbool is van de zeis des doods. En elke oogst, die wij in natuur of geest bereiden, beeld van de grote transcendente oogst, die wij evenmin kunnen uithollen als een mierenhoop het een korenschuur kan doen. Wanneer de Nieuwe Gedachte geheel vergeten zal zijn en nog slechts zal voorkomen als 'idée fixe' in het hoofd van de laatste vertegenwoordiger ener overleefde beschaving, dan zullen Gods gedachten over ons nog elke morgen nieuw zijn.

Is nu daarmee alle cultuurarbeid veroordeeld? Ook dat zou hybris zijn, evengoed als die in de beschaving kan schuilen. We zouden het ook niet kunnen zonder, met een bekende figuur uit het boek Koningen, zelfs bodemcultuur uit den boze te achten.16 Maar wel stemt het ons tot deemoed als we de verhouding tussen het transcendente en het immanente doorschouwen. Als we geloof en profetie in volle maat zien staan tegenover de correlatieven: zelf-ontwikkeling cultuurfilosofie.

Het zal ons bijv. kunnen leren een cursus niet te hoog boven de kerk te stellen. De wetenschap, dat de cultuur een wapen is, zal ons tot voorzichtigheid in het gebruik daarvan kunnen manen. Hebben we niet nog steeds de vreselijke wonde voor ogen, steeds ongeheeld, die de Europese samenleving zich daarmee zelf heeft toegebracht? En komt het eigenlijk wel te pas om onder die omstandigheden anders dan op gedempte toon over cultuur te spreken? Zoals een jongen over het mes, waarmee hij pas z'n broer heeft toegetakeld?

Wanneer we de verhoudingen niet uit het oog verliezen, zal ons dat er ook voor kunnen bewaren onevenredige verwachtingen te koesteren van de macht der techniek in ons geestesleven. Wanneer de grote, naïeve daad haar inspiratie steeds van het lot ontving, dan zal de kleine, de beredeneerde, het zeker niet overwinnen. Er zullen wel vaste relaties blijven. Ook al wordt er op cursussen veel gesproken over emancipatie van de vrouw en van de jeugd.

Maar meer nog wordt die bescheidenheid geëist tegenover de grote veranderingen, die de mensheid nodig heeft. Vrede-op-aarde en Heilige Geest. Kerstmis tot Pinksteren. Is de 'nieuwe gedachte', dat het Evangelie technisch te verwezenlijken zou zijn, geen dwaze overmoed?

Hier moeten we ons herinneren de grenzen der cultuur. Enerzijds de natuur en anderzijds de duivel. Wanneer de cultuurfilosofie met de techniek uit de natuur zo maar overgaat naar de geest, dan wijst dat in dezelfde richting. De nevenstelling van natuur en geest, zoals die hier voorkomt, is de christelijke niet. De cultuur kan het kwaad, waartegen ze strijdt, niet kwijt worden. Zij vergeestelijkt het slechts en vindt het op hoger gebied in bozer vorm weer terug. Geest is hier erger dan natuur. Geestestechniek produceert geen Heilige Geest, maar boze geest. Hier liggen grenzen van mensenleven, die nooit worden bereikt. Voordat het zover komt, slaat de grote sikkel al weer in de tarwe en het onkruid. Maar iedere beschaving heeft ze aan te wijzen, die demonische figuren, die door hun voleindigde cultuur-techniek de grens markeren.

Het is gelukkig, dat alle cultuur een fragment blijft. De toren van Babel, uit het bekende bijbelse verhaal,17 is daarvan een sprekend symbool. God staat daar niet op het bouwwerk maar er naast om het te bezien. En gelukkig staan wij zelf er ook naast. Terwijl we bezig zijn door cultuur ons lot te regelen en te overwinnen, blijft ons ware lot in een heel andere dimensie onveranderd in Gods handen. Het profetisch christendom ziet de Geest niet in het verlengde van de cultuur. God is Geest en wanneer we daarvan iets zullen krijgen, moet die worden uitgestort. Hier staat weer de transcendentie in alle majesteit voor ons tegenover de armzaligheid van onze immanente mannelijkheid.

Dat we met ons eigenlijke lot naast God blijven staan, heeft de grote kunst altijd wel geweten. Zij staat in geheel andere verhouding tot geloof en profetie dan de technische geestescultuur. Zij heeft het lot lief zoals het is en niet anders. Rembrandt en Jozef Israëls zouden hun figuren niet anders willen hebben dan ze zijn. Ze kunnen de zelfontwikkeling niet schilderen maar wel de wijsheid, die van boven is. Ze zouden geen raad weten zonder armoede, krankheid en kruis. Ze zien die als voorwaarde voor vertroosting en niet als aanleiding tot verzet. Hun penseel is geen wapen maar strijkt balsem. Daarom is het zuiver gezien van Spengler als hij meent, dat in een cultuur, die civilisatie, d.i. technisch geworden is, geen plaats meer is voor de kunstenaar. Weliswaar sluit de dichter de daad niet uit. Hij volgt die zelfs op de voet in het heldendicht. Maar daar geldt het weer de grote, naïeve daad. Men moet zich de vraag eens stellen, wat de muziek zou zijn in de tempel van de New Thought. Een muziek, die niet alleen haar opvoering maar ook haar inspiratie aan de techniek zou te danken hebben. Bach zonder de jubel en de tranen der barmhartigheid en der genade. Zij zou hels zijn en een nieuwe openbaring van de grenzen der cultuur.

Een laatste vraag moeten we nog stellen. Zal de cultuurfilosofie, voorzover ze de profetie uitsluit en zuiver immanent zich oriënteert aan de techniek, met afzien van het geloof, een stuk toekomst kunnen laten zien? Zou zij er op kunnen rekenen, dat het mogelijk zal zijn methodisch en opzettelijk de bakens van het mensenlot een eindweegs te verzetten, zonder dat daarbij storingen uit de andere dimensie, uit de transcendente sfeer, die van geloof en profetie, haar figuren komen uitwissen? De gedachte is fantastisch, Jules Verne-achtig, Amerikaans; dwz. kwantitatief. Het liet zich alleen denken als we de hele kwalitatieve zijde van ons leven, ons eigenlijke lot, naast God konden laten liggen. Als het mogelijk was met onze cultuur buiten het bereik van die omineuze omgeving van het transcendente te gaan, waaruit de storingen komen. Dan zouden we misschien een heel eind raken in de richting van een wetenschappelijke apocalypse. Maar dan zou die laatste ons ook openbaren, dat we daarmee regelrecht naar de grens der cultuur, naar de duivel gingen.

Dergelijke apocalypsen zijn ons niet helemaal vreemd. Ik bedoel nu eerst zulke, die hun inspiratie ontlenen aan de handelingen van groot-industriëlen en politici. Ik denk aan publikaties als van Van Embden.18 In die richting worden ons beelden getoond, die zonder overdrijving apocalyptisch genoemd mogen worden. Ze tonen het einde der cultuur. - In geheel andere lijn en precies andersom liet het zich denken, dat een technische geestescultuur nood op nood uit het leven wegnam, zodat zonde, berouw, genade, barmhartigheid, vertwijfeling en hoop niet meer bekend waren en er alleen klare, staalharde naturen overbleven. Ook dan zouden er geen mensen meer zijn maar slechts duivelen.

Dit zijn echter geen apocalypsen maar slechts fantasieën. Ons lot ligt niet in de cultuur maar daarnaast, in de dimensie van geloof en profetie.

In de biologie is men van de evolutieleer van het darwinisme, met z'n onbeperkte mogelijkheden, weer terug gekomen tot de erkenning der soorten en van de cirkels, die deze omschrijven. Men kan de mensheid ook een soort noemen. De slinger van haar lot slaat niet wijder uit dan tot een bepaalde breedte. Maar terwijl elders de grenzen in de eerste plaats biologisch bepaald zijn, is bij ons de begrenzing een andere. Zij is godsdienstig. Wij zijn vastgelegd door onze verhouding tot God. Deze is aan geen evolutie onderhevig. Wat in woorden als hoop, geluk, vertwijfeling, berouw, zonde, schuld wordt uitgedrukt, is constant. Ook van Gods zijde: toorn, vergeving, liefde, barmhartigheid. Dat alles betekent voor ons niets anders dan voor Abraham, de aartsvader.

Hier ligt ons levenslot vast. Ten opzichte van al het andere liggen we veel losser dan een der andere schepselen. Daarin is meer evolutie mogelijk dan ergens elders. De lijnen daarvan te volgen is het werk der cultuurfilosofie. Zij mag daarbij echter niet vergeten, dat de wetten der cultuur slechts symbolen zijn van ons ware bestaan. De cultuur is niet autonoom. Zij volgt slechts zeer ten dele haar eigen logica. Ook al zouden wij moeten toegeven dat aan de evolutie der wetenschap, ook der psychologie en der geesteswetenschap, ideëel geen grenzen zijn gesteld, dan moeten wij ons toch herinneren, dat deze lijnen in werkelijkheid niet worden afgelopen maar worden omgebogen rondom ons ware lot, dat in een andere dimensie rust. De cirkel daarvan blijft beschreven

Om 't een en eenigh middelpunt
......................
Het hart, de bronaér, d'oceaen
En oirsprong van zoo vele goeden,
Als uit hem vloeien, en bestaen.19

Daarom moet deze filosofie praktisch en theoretisch haar zeer ondergeschikte plaats kennen. Zij moet de geloofshelden en de grote kunstenaars, de vrienden van het lot en van God, in het oog houden en ter schole gaan bij de profetie, die alle lijnen laat convergeren naar het kruis, dat de zin van het mensenlot openbaart.

Eindnoten

  1. 1

    N. publiceerde Daad en Lot in GPers., p. 76-89 (pag.). Daarvoor was het onder dezelfde titel verschenen in Barchem-Bladen. Orgaan van de Barchembeweging 4 (1928-1929), p. 96-107. N. schreef zijn opstel in 1928. De inhoud van het dubbelnummer van Barchem-Bladen is als volgt:

    Ter Inleiding; H. T. de Graaf (Wijzigingen onzer cultuur); Hendrik de Man (Hedendaagsche cultuur); J.D. Bierens de Haan (Kultuur of civilisatie); H.Roland Holst-van der Schalk (De vooruitzichten der Kultuur); O.Noordmans (Daad en Lot); H.Marsman (1928); B. de Ligt (Mijn kijk op de cultuur); Gerard Brom (Een getuigenis).

    De redactie van de Barchem-Bladen had een aantal personen van uiteenlopende denkrichting, "maar allen sprekend uit een religieuze achtergrond" de vraag voorgelegd: "Wat denkt gij van onze hedendaagse cultuur?" Door het stellen van enige vragen poogde zij de aandacht van allen in gelijke richting te leiden. Deze vragen zijn woordelijk bijna volledig afgedrukt in het artikel van Hendrik de Man:

    1. Is er, of groeit er een Europese cultuur of mensheidscultuur uit de volksculturen?

    2. Is er harmonisch verband tussen individuele cultuur, volkscultuur en mensheidscultuur? Is met name deze laatste te zien als een bovenbouw op de andere, of als de synthese waartoe zij versmelten? Zijn er bij zulk versmelten grenzen, die niet mogen worden overschreden?

    3. Welke krachten werken in onze hedendaagse cultuur (culturen) ontbindend en welke opbouwend?

    4. Welke rol speelt in onze hedendaagse cultuurontwikkeling de religie (spelen de religies) en met name het christendom?

    5. Vormen zich nieuwe centra of vernieuwen zich oude? Kunnen en mogen deze hun invloed doorzetten met negatie van individuele verscheidenheid (Rome, fascisme, bolsjewisme)?

    6. Richt het hedendaagse cultuurstreven zich in grote trekken gezien op een bepaald, eigen geluksdoel en is het mogelijk dit te omschrijven?

    7. In hoeverre is sociale strijd van nu cultuurstrijd?

    De vragen 8 en 9 waren o.m. gewijd aan de tegenstellingen geest - techniek en wereldstad natuur; vraag 9 bevatte de uitdrukking "de cultuur dienen". Deze vragen zijn niet meer letterlijk te achterhalen.

    Na de eerste zin van Daad en Lot schrijft N. in Barchem-Bladen: "Bijna betekent ze een beredeneerde terugzending van de kwesties, die de redactie in dit nummer aan de orde stelt."

    De tekst van het opstel van N. in GPers. bevat enkele wijzigingen (zie de Tekstwijzigingen achter in deze uitgave). Voor N.' woord vooraf bij de eerste en tweede druk van GPers. zie VW., dl. 2, p. 13, noot 1.↩

  2. 2

    Vgl., ook voor het volgende, het werk van de cultuurfilosoof O. Spengler (1880-1936) Der Untergang des Abendlandes. Umrisse einer Morphologie der Weltgeschichte, dl. 1 (Gestalt und Wirklichkcit), München 1929, p. 41, 53 v., 375.↩

  3. 3

    Vgl. voor het volgende het werk van de Litause filosoof en wereldreiziger Hermann Graf Keyserling (1880-1946) Das Reisetagebuch eines Philosophen, 2 dln., Darmstadt 19226, p. 754 v., 824 v.↩

  4. 4

    Vgl. J. Cohn, Der Sinn der gegenwärtigen Kultur. Ein philosophischer Versuch, Leipzig 1914, p. 270 v.↩

  5. 5

    Vgl. E. Troeltsch, Eschatologie, in RGG.I, dl. 2, Tübingen 1910, kol. 598-632. In kol. 632 schrijft T.: "... die Fortbildung der eschatologischen Lehre (liegt) überall da, wo man von dem Grundgedanken des Personalismus, der Freiheit, des ewigen Wertes der Persönlichkeit, der Schöpfung höherer Wirklichkeit durch die sittliche Tat, und von dem Postulat letzter Wirklichkeiten und Werte ausgeht. Diese Grundlagen und Ausgangspunkte aber sind die christlichen, und die nähere Ausführung ist nur eine moderne Gestalt des eschatologischen Mythos an Stelle der jüdisch-kirchlichen. Die herrlichste Darstellung aber haben diese Gedanken schon unter der Hülle des kirchlichen Mythos selbst erhalten, in Dantes grosser Menschheitsdichtung. Hier ist unter der Einwirkung der franziskanischen Willensmystik und des antikisierenden Humanismus die Idee entwickelt, dass die Betrachtung der Höllenstrafen, die Reinigung der Seelen im Purgatorium und die Wanderung durch die Reiche des himmlischen Paradieses ein Aufstieg der Freiheit von der Brechung des endlichen Selbst und seines Hochmutes zu der schliesslichen Willenseinigung mit dem göttlichen Willen ist, und dass in diesem grossen Gang der Sinn des menschlichen Lebens liegt. Insofem ist die göttliche Komödie das grosse Buch der christlichen E., ein Werk des Denkens und der dichterischen Phantasie zugleich. Sie wendet die kirchliche E. instinktiv ins Subjektive, macht die Anschauung der drei Jenseitsreiche zu einem Mittel des Aufstieges und der Entwiekelung der Seele, die in der Erkenntnis der selbstzerstörenden Wirkung des Bösen, der beseligenden Schmerzen der Reinigung, der steigenden Gottesnähe der Gereinigten und der Vereinigung aller Seligen in der Gottesliebe die Entwickelung und Bestimmung der Seele überhaupt beschreibt. In diesem Sinne ist die göttliche Komödie das grosse eschatologische Lehrbuch der Christenheit bis heute. Nur verlangt das moderne Weltbild mit seiner Unermesslichkeit des Universums im Raume, der Unermesslichkeit der Zeitperioden, dem Gedanken der Mehrheit von Geisterreichen, dem Prinzip der Kontinuierlichkeit und Entwickelung, dem organischen Verhältnis von Leib, Seele und Geist eine sehr tief in den überlieferten Bestand eingreifende Urndichtung des eschatologischen Mythos, der immer Mythos bleiben wird, aber an die biblisch-mythische Gestalt nicht gebunden bleiben kann."↩

  6. 6

    Vgl. Keyserling, a. w., p. 191, 268.↩

  7. 7

    Vgl. H.T. de Graaf, Om het eeuwig goed. Inleiding tot het religieuze geestesleven, Arnhem 1923, p. 152: "Waar alle vergankelijke en betrekkelijke waarden nederzinken, daar heeft toch het lot en het bestaan waarde door dit onuitputtelijk verband van waardenrijkdom en door de gemeenschap daarmede." Zie over De Graaf VW., dl. 1, p. 355, noot 5; i.v.m. zijn genoemde boek VW., dl. 3, p. 447 vv.↩

  8. 8

    Keyserling noemt in verband met de 'mechanisering' met name Chicago, niet New York, als voorbeeld; vgl. a. w., p. 809 vv.↩

  9. 9

     Vgl. Keyserling, a. w., p. 799 v.↩

  10. 10

    Zie VW., dl. 2, p. 321, noot 35: "De'Christian Science' is, vooral in Amerika, een invloedrijke beweging, gesticht door Mary Baker Eddy (1821-1910). Zij is gebaseerd op een christelijke filosofie, waarbij grote nadruk werd gelegd op de geestelijke realiteit, welke in staat is het lichaam, met name de gezondheid, te beheersen."↩

  11. 11

    De beweging New Thought is nauw verwant met Christian Science. Keyserling stond positief tegenover deze beweging; vgl. a. w., p. 186.↩

  12. 12

    Keyserling, a. w., p. 798.↩

  13. 13

    Vgl. Hand. 20 : 35.↩

  14. 14

    A. Carnegie (1835-1919), de Amerikaanse staalmagnaat en filantroop.↩

  15. 15

    H. Stinnes (1870-1924) en H.L.F. von Loewenstein zu Loewenstein (1874-1959) waren leidende figuren in de zware industrie in Duitsland, m.n. in de mijnbouw. In de jaren 1920-1930 had in deze industrie een sterke rationalisatie en concentratie plaats. Ten gevolge van de economische crisis geraakten echter verscheidene concerns in financiële moeilijkheden en werden geliquideerd. In naslagwerken uit later jaren wordt meer aandacht besteed aan Stinnes dan aan Loewenstein.↩

  16. 16

    Te denken valt aan Elisa, die opdracht geeft de bodemcultuur van de Moabieten te vernietigen; vgl. 2 Kon. 3 : 19 en 25.↩

  17. 17

    Gen. 11.↩

  18. 18

    De meeste geschriften van prof. dr. D. van Embden zijn gewijd aan vraagstukken met betrekking tot vrede en ontwapening. D. van Embden (1875-1962) was van 1905-1945 hoogleraar in de staathuishoudkunde en de statistiek aan de Universiteit van Amsterdam. Van 1918-1946 was hij lid van de Eerste Kamer (voorzitter fractie der Vrijzinnig-Democraten). Op 23 april 1924 hield hij een opzienbarende rede in de Eerste Kamer; deze werd later in tienduizenden exemplaren verspreid in brochure-vorm onder de titel Nationale ontwapening of Volksverdelging. Op het titelblad prijkt een tekening voorstellend enkele menselijke en dierlijke kadavers in een door oorlogsgeweld verschroeid landschap. De ondertitel luidt: De Verstikkings-, Vergiftigings- en Microbenoorlog. In dit geschrift bepleitte Van Embden onmiddellijke 'nationale' ontwapening.↩

  19. 19

    Aldus in de bekende rei der engelen ("Wie is het, die zoo hoogh gezeten, / Zoo diep in 't grondelooze licht") van Vondels Lucifer, regel 290 vv,; vgl. De werken van Vondel in verband gebracht met zijn leven, en voorzien van verklaring en aanteekeningen door mr. J. van Lennep, dl. 6, Amsterdam 1861, p. 230 v.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Autonomie der cultuur?InhoudVerschuiving →