Autonomie der cultuur?1
In verband met het thema 'neutraliteit' wil deze vraag 'autonomie der cultuur?' zeggen: wat is de verhouding van religie en cultuur?
Religie en cultuur - dat is de tegenstelling, die bij ons wordt opgeroepen als we het woord 'neutraliteit' horen noemen. Ook bij autonomie denken we allereerst aan de machtige aanspraken van boven of van buiten, die in de religie tot ons komen. Autonomie wil zeggen, dat we ons de wet niet laten stellen. We hebben de wet in ons zelf. Dat klinkt zeer hoogmoedig. Om te oordelen of het dat is, moeten we billijk overwegen hoever dat gaat. Het wil niet zeggen, dat we niets van boven of van buiten willen aannemen. Solipsisme is een positie, die bijna overal en altijd is afgewezen. Dat de inhouden van ons denken op allerlei gebied, de stof, niet van ons zelf stamt, wil bijna iedereen toegeven. Maar autonomie wil zijn een zekere mondigheid, meerderjarigheid, dat men zich die stof, het leven, de waarheid niet zonder meer laat opdringen van buiten af. Om het populair te zeggen: men wil het niet als kinderen van buiten leren. Niet op gezag aannemen, niet op gezag handelen. Men laat zich de wet niet stellen, maar men heeft zelf de wet, het criterium. Men hééft de vorm, waarin het (die stof) passen moet, het geheel, waarmee het in overeenstemming moet zijn.2 Zodat het niet als een Fremdkörper onder het andere is. De imperatief moet innerlijk zijn. Autonomie wil zi n het gevoel, dat men zichzelf gehoorzaamt, aan zichzelf verplichtingen heeft, eigen risico's aangaat en eigen overtuigingen vormt. Dat men zelf waarheid, zo niet produceert, dan toch modelleert.3 Men kan dus vragen of de uitdrukking 'autonomie der cultuur' geen pleonasme is, twee keer hetzelfde zeggen. Of ik niet bedoel de geestelijke inhouden als cultuur te bezitten en niet als religie. Als een beschavingsvorm van de eigen geest en niet als verering van en overgave aan een Ander. Als bevestiging van eigen leven en niet als losmaking daarvan. Niet als oordeel, crisis, Entscheidung.
Zo komt de vraag tenslotte te staan als de grote tegenstelling tussen cultuur en religie. Is de cultuur autonoom, dan is het einde van de echte religie gekomen. Is er absolute religie, dan is de cultuur niet autonoom. De religie is de grote inmenging van buiten in een gesloten systeem, de absolute inmenging. De storing als van een komeet. Daartegen is de neutraliteit een veiligheidsmaatregel. De neutrale zone tussen twee loopgraven. Wordt die zone opgeheven, dan is er de strijd op leven en dood.
Ons gaat de kwestie aan, niet in z'n algemene vorm van cultuur en religie, maar in de vorm van christendom en cultuur. We kunnen niet praten over religie in 't algemeen; voor ons is dat toch het christendom. Historisch gezien voerden het christendom en het Romeinse rijk de strijd op leven en dood. De uitbreiding van het christendom zien we historisch gepaard gaan met 't ondergaan van een cultuur. De kerk heeft de eis der neutraliteit niet aanvaard. Ze heeft geen sekte willen worden, maar heeft zich met haar absolute eisen op de wereld gericht.
Wanneer we de tegenstelling zuiver willen hebben, dan moeten we spreken over 'Evangelie en cultuur'. In christendom en cultuur zijn natuurlijke elementen, in 't Evangelie niet. Evangelie is de inmenging van buiten en van boven, de storing van de autonomie van de humaniteit.
De grote kwestie splitst zich in de praktijk in kleinere. Ze ligt ten grondslag aan het vraagstuk in de verhouding van kerk en staat. De staat vertegenwoordigt het meer autonome, de kerk de inmenging, de storing. Zo is het ook tussen geloof en wijsbegeerte. De wijsbegeerte is het autonome, het geloof de inmenging, de storing. Of kunst en moraal. De kunst is het autonome, de moraal de vreemde inmenging. Of de school en de bijbel. De school is het autonome, de bijbel is het Fremdkörper. Er is een christelijke en een onafhankelijke moraal. Overal is het streven er op gericht geweest een neutrale zone af te bakenen, een terrein van onverschillige, indifferente dingen. Eik van deze kwesties heeft een geschiedenis. Bij kerk en staat de geschiedenis van Hendrik IV tot Mussolini.4 Bij geloof en wijsbegeerte denken we aan Descartes. Bij kunst en zedelijkheid aan Renaissance en Romantiek. Bij bijbel en school denken we aan Thorbecke en Kappeyne.5 Het onderscheid tussen christelijke en onafhankelijke moraal stempelt de twintigste eeuw.
Tegenover de kerk hebben de onderscheiden cultuurgebieden de neiging zich zelfstandig te maken. Het is merkwaardig dat het christendom, dat een cultuur zag ondergaan, tevens als kerk moeder van een nieuwe cultuur is geworden, het corpus christianum in Europa. Achtereenvolgens hebben wetenschap, wijsbegeerte, onderwijs en kunst zich vrijgemaakt. Ze gaan zich tegen inmenging van en storing door het christendom verzetten. Ze worden mondig, meerderjarig en doen aanspraken op autonomie gelden. Ze willen zich uitleven naar eigen innerlijke aanleg en wet.
De filosofie gaat zelf waarheid zoeken en verwerpt de autoriteit van Aristoteles en Schrift. De wetenschap maakt schoon schip van allerlei onduidelijke krachten en aangenomen levensvormen en probeert te werken met volkomen doorzichtige eenheden. Op de manier van tellen, bijvoorbeeld tellen tot vijf. De school herneemt haar humanistisch karakter, waarbij niet de bijbel maar de Griekse en Romeinse klassieken de geest bepalen. Er ontstaat een zelfstandige ethiek, niet als een lagere, uit nood toegelaten, trap in de christelijke, maar volwaardig, vol zelfbewustzijn en zonder verband met de christelijke ethiek van wedergeboorte en bekering. Een ongestoorde ethiek.
Tussen deze autonome cultuurgebieden en de kerkelijke of christelijke inmenging werd in de middeleeuwen voorzien door een hiërarchisch systeem. Na de Hervorming gaat dit niet meer. Er is strijd, ook in roomse landen. Soms wordt dan van regeringswege de neutraliteit afgekondigd. Zo in 1624 in Frankrijk, toen verboden werd tegen Aristoteles te schrijven. Ook in ons land zijn er zulke datums in de strijd tussen Voetius en Descartes.7 In de zedeleer krijgt deze neutraliteit de vorm van adiafora, het indifferente, het onverschillige, dat niet goed of kwaad is. Het toelaatbare of geoorloofde, meer niet.
Is dit proces van zelfstandigwording der cultuurgebieden nu een normale ontwikkeling? Zodat het christendom één van de takken der cultuur wordt of als een oude moeder ten grave gedragen wordt? Zeker is dat de verhouding niet gemakkelijk te bepalen is. De ontwikkeling is zo geweest gedurende enige eeuwen, maar daarmee is niet gezegd, dat dit de doorgaande ontwikkeling zal zijn. Eer schijnt het tegendeel het geval te zullen wezen. Ten opzichte van Evangelie en cultuur heeft het heel weinig te zeggen. Het is een proces in de verhouding tussen de cultuurvorm van 't christendom en de zelfstandige humanistische cultuurvorm. Het kunstmatige systeem, waarin Evangelie en cultuur naast elkaar in eenheid gebonden lagen, is verbroken. Hoe is nu de verhouding geworden?
De verloren eenheid heeft men teruggezocht door een systeem op te bouwen zonder inhoud, in de persoonlijkheid. Het is mogelijk, dat men in de onderdelen niet gereed is, maar de hoofdindeling moet compleet zijn, zodat men de zekerheid heeft het hele terrein te beheersen. Dit alleen geeft zekerheid, dat men een geheel cultuurgebied kan afzoeken en geeft waarborg tegen verrassingen. Tegen wonderen en vreemde inmenging.
Descartes leert zo de dingen in een rij te zetten en op te passen, dat men nergens een schakel overspringt. Cultuurovermoed: het is geen al te groot werk om alle dingen, die deze wereld bevat, met de gedachte te willen omvatten; opdat wij leren inzien, op welke wijze ze - elk op z'n beurt onderworpen zijn aan het onderzoek van onze geest. Want niets kan zo veelvuldig zijn of verspreid door de wereld of het kan door de enumeratio, de wetenschappelijke reeks, in zekere grenzen bepaald worden en in enige hoofdstukken ondergebracht. Dit is een vruchtbaar wetenschappelijk beginsel. Het gaat uit van de idee van het geheel en dit geheel wordt begrensd. En wat daarbinnen is, wordt ingedeeld. Voor het toeval komt het zoeken volgens de methode in de plaats. Wat men weten wil, moet eerst gevraagd worden en iedere kwestie moet goed omschreven worden. Een goed omschreven kwestie kan altijd opgelost worden, terwijl alle niet goed omschreven kwesties eerst moeten herleid worden tot goed omschreven kwesties. Ervaring is een vraagstuk.
Ook Lorentz8 houdt het net dicht. Een nieuwe ervaring zit als een spin in 't net, een gedachtennet. Soms gebeurt het, dat een nieuwe ervaring het net doet scheuren. Soms kan het geheeld worden, soms geeft de ervaring aanleiding tot een nieuw net. De gedachte van Descartes is een vruchtbaar wetenschappelijk - althans natuurwetenschappelijk beginsel. Het ideaal is dan, dat de gehele natuur als een gedachtennet met steeds kleiner wordende mazen voor ons zou komen te liggen - met principiële uitsluiting van het wonder. Dit is absolute autonomie. Het is daarbij vrij onverschillig of men de wet in het object legt of in het subject of in de vereniging van beide. Hierop komt het aan, dat hier een gesloten wereld ontstaat, waarin van buiten niets inkomt. (Prof. Kohnstamm heeft tegen deze gesloten natuurcausaliteit gefulmineerd in zijn bekende boeken.9 Ik begrijp dat bij hem niet goed. Hij heeft het tegen een verouderde determinering van de gesloten natuur, die buiten ons omgaat. Hij speelt Kant tegen Kant uit.) Descartes zoekt een evidente ervaring, zo ook Lorentz.
Bij Kant staan de dingen anders. Kant kent ook de gedachte, dat de ervaring een geheel moet zijn. Hij deelt ook de mogelijke ervaring in in vakken en tafels. Hij wil ook wel compleet denken of anders niet denken. Maar de overmoed is geluwd. Hij ziet het geheel, de totaliteit in geheel ander licht. Het laatste geheel is een grens, een idee. De ervaring wekt de gedachte aan een geheel, maar aan deze idee beantwoordt geen ervaring. Het geheel ervaren we niet; het geheel is schijn, noodzakelijke schijn. Pas op zedelijk gebied is het geheel een ware idee, want daar is geen ervaring zonder de idee van het geheel. De eigenlijke ervaring (buiten deze idee om) is daar schijn. In de natuur is het geheel de limiet, in het zedelijke uitgangspunt. Intussen beperkt hij (Kant) de autonomie van het denken. De autonomie is niet principieel, want wij denken alsofer een gesloten geheel was en wij delen het met ons verstand in. Maar de hogere synthese is ons niet gegeven. Het ervaringsgebied blijft open, maar het ideaal is het dicht te houden, zoals de spin het web. Naar deze kant is een hele 'Philosophiealsob' uitgewerkt. Als van de natuurwetenschappelijke kant een overgang gezocht wordt naar de zedelijke en godsdienstige ideeën, moeten deze dan als illusies worden opgevat? Bij Kant zelf niet. Deze gaat op zedelijk gebied juist van de ideeën uit en deze wekken de ervaring. Kant heeft de rede gekortwiekt om het geloof plaats te geven. Op wetenschappelijk gebied blijven we zitten met een toren van Babel, die niet ten hemel wil reiken. In de majesteit van het zedelijke komt de hemel nu naar ons toe.
Ten opzichte van deze scheiding in 't theoretische en 't praktische, waarin men dus christendom en cultuur ook tegenover elkaar kan zien, heeft men tweeërlei houding aangenomen. Aan de ene zijde kan men trachten de eenheid bij Kant te herstellen, d.w.z. naar aanleiding van 't natuurwetenschappelijke ook een zedelijke autonomie en een godsdienstige postuleren Men denkt zich celkernen in de persoonlijkheid, die precies in dezelfde richting werken en samen de autonome persoonlijkheid vormen, maar verschillend zijn naar gelang van de stof, zedelijk of godsdienstig. De storing houdt dan op en het net wordt dicht gehouden. Het bezit grote vangarmen of voelhorens, maar van redelijke constructie naar analogie van de autonome wetenschappelijke kennis. Met wij der mazen, maar met een besliste bedoeling om ze te dichten. Men kan ook van een andere kant uitgaan en men kan er de nadruk op leggen, dat Kant de laatste eenheid in de autonome wetenschap open laat om plaats te laten voor een heel andere wijze, namelijk voor de inmenging, de storing. Dat in de ethiek de storing beginsel is en geen lacune.
De catastrofen staan tegenover de eenheid. De cultuur is niet autonoom en is, alleen op zichzelf beschouwd, oneigenlijk. Ongestoorde cultuur is hoogmoed.
Een mens, die alleen de innerlijke imperatief kent, is een demon. Een vrucht, die ... opzwelt.
Aphelium en perihelium.10
Zaad en Zon.
God is geen inhoud.
Het hele systeem is verbroken.