Judas en Goliath1
Nu ik toch met de schoolkwestie begonnen ben en een kattebelletje over een niemendalletje geschreven heb, kan er nog wel een tweede bij.2 Vooral nu de naam van een bijna niet meer te noemen dorp langzamerhand in de kerk een soort derde sacrament dreigt te worden.3
Ik merkte vroeger op, dat er tweeërlei schooltype bestaat. De christelijke school is universeel. Zij is gevormd naar de idee ener universiteit. Principieel zijn er aan het onderwijs geen grenzen gesteld en de theologie heeft de leiding. Zoals het in ons werelddeel was aan de Sorbonne en te Leiden en overal. - De openbare school heel anders. Zij behoort tot de naaste familie van de H.B.S. Het is wat de Duitsers een 'Realschule' noemen. Dat zij zonder bijbel bestaat, is geen politieke toevalligheid; het behoort tot haar wezen. De geestelijke wetenschappen staan er achterop. Ook historie en typisch menselijke bezinning komen in het gedrang. Zij is niet alleen niet christelijk, maar evenmin humanistisch.
Dat het bederf ener christelijke school gevaarlijker zal zijn dan dat van een openbare, kan men a priori verwachten. Of ik met Judas in de klas gezeten heb, kan ik niet zeggen. Toen het er op aan kwam, wisten Jezus' discipelen niet eens of zij het zelf niet waren. Zij vroegen allemaal: Ben ik het? - Wel weet ik zeker, dat Goliath van Gath er bij was. De buitenkerkelijken weten uit mijn vorig stukje reeds, waar men van hem lezen kan. In het dorpsschoollokaaltje, waar ik twee jaar lang mijn eerste lessen ontving,4 was op een der posten van het schuifbord een merkteken aangebracht, dat de lengte van deze reus aangaf. Het heeft een diepe en blijvende indruk op mij gemaakt. Wat zat er een schot in zo'n buitenkerkelijk mens. Wat was die knaap uit de kluiten gewassen, geheel uit eigen kracht. Zes ellen en een span. Vooral dat laatste, die span, nog boven op die ellen! Wanneer mijn christelijke meesters onder dat teken doorgingen; de sanguinische bovenmeester en de flegmatische ondermeester, dan waren zij als dwergen. En toch ontbrak het ook hen niet aan vitaliteit. De eerste sprak ik nog toen hij vierennegentig jaar was geworden en de verhouding van meester en leerling was nog even fris en vriendelijk als in 1877. Maar zo'n groei als in Goliath zat er in zulke mensen niet. Jezus en Judas moeten ook veel kleiner geweest zijn. Men moet heel voorzichtig zijn als men uit de kerkelijke apotheek etiketten gaat halen. Zij kleven erg. Het kan gebeuren, dat men het etiket 'Judas' komt vragen en dat men zelf het etiket 'Filistijn' op zijn rug heeft, als men de deur uitgaat. ⚑Dat wij zo'n Filistijn in de school hadden als stille achtergrond van het christelijke, is mij een bewijs te meer voor het universele van dit onderwijs. Een ander bewijs zie ik in de aard van het toenmalige rekenonderwijs. Er zat een stuk metafysica in; het was een soort filosofie. Ik bedoel de later in onbruik gekomen 'denksommen'. Vaten die door verschillende kranen leegliepen; mensen die elkaar ergens op een weg moesten ontmoeten; wijzers op de klok, die elkaar inhaalden. Alles natuurlijk zonder algebra, met zuiver behulp van de intuïtie. Deze denkoefeningen namen enige jaren in beslag. Maar zij rekten de capaciteit van de hersenen en versterkten elke spier van de geest. Het was een soort infinitesimaalrekening, waarbij men de bewegingen van Achilles en de schildpad op heterdaad moest leren betrappen. Professor Kohnstamm5 deelde mij eens mee, dat hij als lid van een enquêtecommissie had ontdekt, dat deze vaardigheid bij de jeugd is verloren gegaan. Men kon wel een methode toepassen, maar geen twee, drie of meer dingen bij-elkaar-denken. Mijn eigen ervaring stemt daarmee overeen.
Dit zijn nog maar de zeer vage achtergronden in de universitaire idee der christelijke school: het kosmische en het logische. Meer naar binnen toe komen dan de historie en de taal, waarbij alles veel duidelijker wordt.
Maar dit moet een kattebelletje blijven.