Geloof en Cultuur1
Toen ik op 29 april van dit jaar over bovengenoemd onderwerp las, op een conferentie te 'Woudschoten', zag de wereld er nog heel anders uit dan nu.2 Als ik het onderwerp nu had moeten behandelen, zou het stuk op sommige punten anders zijn gesteld geworden. Ik moet de lezer verzoeken, dat wel in het oog te willen houden. Waar het spel hier en daar door de gedachte heenbreekt, zou de ernst van de tegenwoordige situatie daarop een sterker rem hebben gelegd.
Toch zouden de grondlijnen van mijn betoog geen grote wijziging hebben ondergaan. Daarvoor zijn de beginselen van ons geloofsleven te vast en te blijvend. Bovendien is er te veel continuïteit tussen de toestand-van-nu en in de daaraan voorafgaande maanden en jaren, dan dat de toon in wezen toen anders had kunnen zijn. De schaduw van wat thans aanwezig is, ligt dan ook wel heel kennelijk op het in april van dit jaar gesprokene.
Op voorwaarde van bovenstaande overwegingen, heb ik dan ook niet willen trachten terug te komen op mijn geruime tijd geleden gegeven belofte, mijn lezing aan Eltheto te zullen afstaan. Uitwerking en wijziging heb ik mij toen reeds voorbehouden en het verheugt mij nu te meer, dat ik dat toen gedaan heb. Het gesprokene moge dan hier volgen.
De hereboer
Het woord cultuur kan men in verschillende talen uitspreken. Men kan dat, om te beginnen, doen in het stevige Latijn. Daarbij denk ik dan aan een generatie van mannen, een kleine eeuw ouder dan Cicero, die deze laatste in zijn Cato Major, De Senectute, en in zijn Laelius, DeAmicitia, laat praten. De bezwaren en voordelen van de oude dag en de eigenschappen van de vriendschap worden daarin behandeld. De 'dramatis personae' worden voorgesteld zoals ze, een beetje terzijde van het ruige handwerk der politiek, hun 'otium cum dignitate' vullen met de genoegens van het beschouwende leven. Zij hebben een beetje de smaak beet gekregen van de letteren, die de aanraking met Griekse meesters hen heeft bijgebracht. Hun belangstelling blijft daarbij verdeeld tussen de meditatieve geneugten van het akkerleven en de wijsgerige aandacht voor wat er groeit en bloeit in het innerlijke van de mens. Het zijn belezen hereboeren. Zij zullen hun samenspraken besproeid hebben met een glas oude FaLerner. Zij wisten nog van het verband tussen ploegijzer en cultuur; tussen het snoeien van de wijnstok en het wegnemen van de lompheden, waarmee het 'animal rationale' behept is, als men het niet wat goede educatie geeft. Zij hadden schik in 't geval. Zij bleven boer genoeg om te weten, dat men met de ranken de stok niet moet wegsnijden. En hun cultuur ging niet zo ver, dat de mens in de beschaving zoek zou raken. De ontwortelde Griekjes, die hen wat hielpen, gunden ze wel een handdruk en een glas wijn, maar ze hielden altijd een boerenglimlach in reserve voor het geval dat de zaak hun iets te ver mocht gaan. De uitdrukking cultura animi, die bij Cicero voorkomt,3 draagt nog heel sterk de kenmerken van overdrachtelijkheid.
De fabrikant
Heel anders klinkt het woord 'cultuur' in sommige andere talen. Ik denk aan het Duitse Kultur. Het wordt gekenmerkt door grote zwaarwichtigheid. Ieder moet er zijn houding tegenover bepalen. De mensheid wordt er door verdeeld in twee helften: de 'kulturfreundlichen' en de 'kulturfeindlichen'; de theologen in de eerste plaats. Een beetje over de zaak praten, op de manier van Cato en Laelius, is verboden. Op ieder punt van ons leven ontstaat een 'überaus schweres Problem'. Op een 'Harzreise' hoorde ik in mijn hotel het dienstbodenvraagstuk eens op die wijze betitelen. Ik dacht aan Willem Levend,4 waarin het veel huiselijker en toch ook wel treffend wordt gezegd: 't Is een spul met de meiden.
De cultuur raakt op die wijze wat erg los van de boeren. Zij dreigt uit te lopen op het overslaan van de boer. In plaats van met de natuur, zou de cultuur dan nog alleen met de natuurwetenschap verband blijven houden. Er bestaat gevaar dat met de boer ook God zal worden overgeslagen. Want er is gelijkenis tussen God en de mens, die uit het stof der aarde genomen is en tot stof wederkeert. In wiens bestaan de opvolging der geslachten sterk tot uitdrukking komt en die in de beurtloop van geboorte en dood, naast de uitbeelding der vergankelijkheid, een afbeelding van de eeuwige uitgang van de Zoon uit de Vader gewaar wordt. Maw.: er is gelijkenis tussen God en de boer. Rilke heeft het gezien als hij van God zegt: "Du bist der Bauer mit dem Barte."5
Ik geloof niet dat de cultuur zich steeds verder van de natuur kan verwijderen, zonder dat daarbij ademnood voor het geloof ontstaat. De geschiedenis der mensheid is geen eindeloos proces. Zij heeft een begin en een einde. Wel is er verschil met de dieren, die er nog precies zo voorstaan als bij Noach in de ark. De mens heeft in de cultuur veel meer speelruimte. Maar de mensen blijven, in onderscheiding van God, toch ook een soort. En iedere soort is bepaald door zekere grenzen. De mensen bewegen zich in een geschapen ruimte, die ze niet kunnen verlaten. De slingerwijdte, die de maat der cultuur aangeeft, is niet onbeperkt. Wie in de kennis van goed en kwaad als God wil wezen, zou een duivel moeten worden. Zijn geloof in God zou in siddering (Jak. 2 : 19) overgaan. Dat dit niet gebeurd is en niet gebeuren zal is de eerste, de grondgenade, die God de mens schenkt. De mens, die optornt tegen de grenzen die God hem gesteld heeft, valt. En de manier waarop hij valt hangt daarmee samen, dat hij tot een soort behoort, met bepaalde grenzen. Wanneer hij zondigt, doet hij dat niet alleen. Zijn zonde is erfzonde, waarin hij met alle anderen betrokken is. Die overerft van vader op zoon, van geslacht tot geslacht. En zo gaat ook de dood, de bezoldiging der zonde, tot alle mensen door (Rom. 5 : 12). De zonde is geen verschijnsel in de cultuur als zodanig. Zij is geen fout in een eindeloze ontwikkeling. De zonde, zoals die in de bijbel voorkomt en in Gods genadeverbond is opgenomen, is boerenzonde. Zij betreft de soort, de opeenvolging der geslachten en de stand dezer geslachten tegenover God. Daarom kan de kerk ook nooit geheel afstand doen van het gevoelen, dat de erfzonde met de begeerlijkheid, de concupiscentia, samenhangt. Voor zover de zonde vergeven kan worden, blijft ze een verhouding tot de natuur des mensen behouden; tot de soort. Werd ze zuiver individueel, cultureel, dan zouden wij daarmee aan de grenzen van het mensenleven en ook van de bijbel komen. Wanneer de zonde een zuiver cultuurelement zou worden, dan werd de mens der zonde geopenbaard (2 Thess. 2 : 6), de Antichrist.
Daarom geloof ik niet dat de speelruimte der cultuur, de afstand die ze van de natuur kan nemen, onbegrensd is. In het O.T. komt dat op allerlei plaatsen uit. Men kan de houding der profeten tegenover de cultuur niet begrijpen, zonder deze dingen in acht te nemen. Ik denk aan de tegenstand van Samuël tegen het koningschap en aan wat bij Amosa en Jesajab te lezen staat. Om niet te spreken van de Nazireeërsc en de Rechabieten.d En in het N.T. komt de cultuur nauwelijks ter sprake.
Deze overwegingen komen bij ons op, als wij het woord cultuur als 'Kultur' horen uitspreken. Het heeft een autonome klank, alsof de mensheid in het rijk des geestes haar eigen weg kon zoeken. Dat is een erfenis van het Duitse idealisme. De oude Stoïcijnen, die op het Europese denken ook een zeer grote invloed hebben uitgeoefend, wisten beter van de omstandigheid, dat de cultuur de geschiedenis van een soort is. Zij bepaalden de cultuur tegenover de natuur.
De ritmeester
Wij willen nu met het woord cultuur nog een proef nemen in een andere taal, het Frans. Het klinkt ons nu weer anders in de oren. Minder abstract.
Toch niet meer zo boers als in het Latijn. De Renaissance is er geweest. ⚑Montaigne heeft geschreven. Het beschouwelijke van Cicero is minder rustiek en minder breed geworden. Het richt zich nu meer eenzijdig op het gedrag in de samenleving, de société; bijna zei ik: de sociëteit, al is bij Montaigne de achtergrond van het land, de Latijnse rusticiteit nog zeer merkbaar. In Pascals tijd worden de eisen geformuleerd, die men de honnête homme mag stellen.6 En met deze standaard rekent men als met een grondelement van het mensenleven. Het is alsof God de mens op een bepaalde cultuurhoogte heeft geschapen en alsof hij in die staat het beeld Gods vertoont. - Goddeloosheid is aan dit cultuurideaal op zich zelf niet eigen. Van een onvrome autonomie, zoals bij de Kultur, is hier geen sprake. En deze cultuur zoekt evenmin de grenzen van het leven te benaderen. Zij bestaat veeleer in het maathouden, het bewaren van een juste-milieu. Een filosofie van de geest ligt er niet aan ten grondslag. Eerder kan men er een verfijning van de stoïsche levenshouding in zien. Wel bestaat de mogelijkheid van een geraffineerde goddeloosheid en deze is in Montaigne vervuld. Maar het is dan niet de eigen onvroomheid der cultuur, doch die van de schrijver van de Essais zelf. Het raffinement wordt ter hand genomen om zich zelf een 'eigen ik' te vormen, een 'moi', waarvan Pascal zal zeggen dat men er een 'mishagen' van moet hebben.e
Deze cultuur kan echter ook een andere richting nemen. Zij dient dan om aan het persoonlijke christendom een verfijnde volmaking te geven. Frankrijk heeft daarvan vele voorbeelden gegeven. Vinet8 is wel het meest volmaakte. De honnêteté zoekt dan haar ideaal niet in het eigene en het weelderige, maar in de deemoed en het offer.
Cultuur en Ethiek
En toch blijft er een formele overeenstemming tussen het ene en het andere type.
Wij hebben gezien dat het verwarrend werkt als we zomaar van cultuur gaan spreken. Men moet beginnen met te vragen, in welke taal men het woord wil uitspreken. En zo behoren wij vooral te weten, hoe het in onze eigen taal klinkt.
Het woord is uit het Frans tot ons gekomen en niet regelrecht uit 't Latijn.f Het zou daárom voor de hand liggen, dat de associaties, die het bij ons wakker maakt, meer naar de persoonlijke zijde te zoeken waren. Dit is echter niet helemaal het geval. Wij zijn al heel lang trouwe lezers van Duitse boeken geweest. En de cultuur-idee, zoals die bij ons gangbaar is, draagt daarvan de duidelijke sporen.
oor de persoonlijke vorming hebben de Duitsers, vooral sedert de Romantiek, het woord Bildung geijkt. 'Kultur' heeft in verband daarmee een veel zakelijker betekenis gekregen en bij ons heeft de zin van het begrip cultuur zich ook in die richting ontwikkeld. Wanneer wij christendom en cultuur verbinden, dan heeft dat vaak nog plaats in Franse geest. Maar dan laten wij andere stukken liggen. En een beperking van het begrip tot de beschaving van de enkele mens, in de zin van 'cultura animi' bij Cicero, is nooit helemaal vol te houden. De Ouden hebben, als zij het Griekse en Romeinse wezen tegenover het barbarendom stelden, ook meer bedoeld dan dat.g Zij dachten dan aan het geheel des levens; aan de structuur daarvan. Wij zullen dus de zakelijke kant nooit buiten beschouwing kunnen laten. En in ons land staat deze zijde, als wij 't woord cultuur noemen, althans in de laatste tijd, wel 't meest op de voorgrond.
De samenvoeging van het zakelijke en het persoonlijke vindt men overigens ook reeds bij Bacon (1561-1626). Hij verdeelt de ethiek niet op de bekende wijze in drieën, waarbij dan over goederen, deugden en plichten gehandeld wordt. Maar in twee delen.h Het eerste behandelt de zakelijke zijde. De goederen worden daar besproken. De andere helft houdt zich bezig met de deugden en plichten, die onder het hoofd 'cultura animi' worden saamgevat. Men merkt derhalve dat Bacon aan het woord cultuur reeds een samenvattende functie verleent, maar dat hij de zakelijke zijde er nog buiten houdt. Het geheel heet ethiek. Later is dan die zakelijke kant, bij het spreken over cultuur, er steeds meer in betrokken, zodat 'Kultur' een synoniem wordt van ethiek.
Merkwaardig is dat Bacon het overdrachtelijke van de uitdrukking 'cultura animi' nog zo sterk gevoelt, dat hij voor dit deel van de ethiek de naam opgeeft van Georgica of Landbouwkunde van de geest.
De cultuur en God
Ik mag nu niet langer bij deze dingen stilstaan. Het programma van deze bijeenkomst roept mij een ad seriora toe. Te ernstig zullen wij daarbij niet mogen worden. Daarvoor moeten wij ons hoeden. Wij moeten een beetje in de buurt van God en de boeren blijven. In de humor breekt het persoonlijke even door het zakelijke heen. In Psalm 2 horen wij Gods lach door het woeden der volkeren. En de boer weet dat het ploegijzer, het symbool der cultuur, niet anders kan doen dan een vore trekken. De regen en de hagel, de donder en de bliksem, die volgens Luther over de akker moeten gaan, komen van boven.9 Hier blijft ruimte voor de lach en voor het gebed, die ons van de dieren onderscheiden.
Het cultuurprobleem begint pas te nijpen, de ademnood voor het geloof begint te ontstaan, wanneer de beschaving een gesloten systeem wordt. Een politiek en economisch stelsel dat geen openingen overlaat, zodat de persoonlijke zijde geheel in de zakelijke gevangen raakt. - Dit is in het individuele leven ook wel mogelijk. Ook hier kan de correctheid, het attribuut van de Boze, de goedheid verstikken. Maar wij zien dit toch het duidelijkst in het groot, in de openbare les die God thans aan de wereld geeft.
Deze les is iets anders dan wanneer wij ons verdiepen in een handboek over ethiek. Het is een praktische onderwijzing, waarbij ons hele bestaan betrokken is. Wat in de negentiende eeuw geleraard is over een gesloten wereldbeeld, over de onmogelijkheid van het wonder, over de nutteloosheid van het gebed, dat wordt in de twintigste toegepast. Er worden proeven genomen met het monisme, dat zo sterk beslag had gelegd op de geesten. En als laatste consequentie wordt daaruit getrokken, dat ook de discussie daarover moet ophouden en dat de persoonlijke zijde in de ethiek zich geheel aan de zakelijke moet onderwerpen. Door de tweede helft van Bacons zedekunde wordt een streep gehaald.
De cultuur heeft grenzen
Wat deze verabsolutering van de cultuur voor de mensheid zou betekenen, daarvan beleven wij nog slechts een beginsel. Een troost is het echter te weten dat het begin tevens een einde is. De cultuur heeft grenzen. Wij zijn door God geschapen en kunnen ons aan onze bepaaldheid niet onttrekken. Ik heb daarop boven reeds gewezen. Een beschaving die God uitsluit en eigen wet en norm zou willen stellen, is onmogelijk. Het einde, het oordeel, ligt zeer bepaald in de cultuur opgesloten.
Dat in de politiek en de economie geweldige krachten optreden, is het erge niet. Die ontmoet men ook in de natuur. We hoorden Luther zeggen dat de donder en de bliksem over de akker moeten gaan. Het grote kwaad is de geslotenheid en de opgeslotenheid. Het toegepaste monisme. Wanneer in de plaats van de alwetendheid Gods de omstandigheid komt dat de muren oren hebben; als de lach voor staatsgevaarlijk wordt gehouden en het gebed hoogverraad wordt geacht, dan hebben wij daarin de aanwijzingen van een nadering van de grenzen van het mensenleven.
Dat het geloof daarbij allereerst in de knel komt is een aanwijzing dat het zo niet duren kan. Daaruit bemerken wij dat het een zaak is, waarin God betrokken is en dat het geen strijd is tussen aardse machten onderling. Het is een conflict tussen twee rijken, het hemelse en het aardse; het koningschap van Jezus en dat van de Overste dezer wereld.
Want als bij de toepassing van het praktisch monisme God ter sprake komt, dan gebeurt dat niet in 't algemeen. God zonder meer kan ook nog dienen om aan de gesloten cultuur een naam te geven. Hij is dan de helper dergenen, die zich zelf helpen. Wanneer wij God hier noemen, dan doen wij dat in een zeer bepaalde, historische zin. Hij is de Vader van onze Heer Jezus Christus en zo wordt de tegenstelling volkomen duidelijk.
De wereld moet open blijven naar boven toe
De wereld rondom Jezus Christus is wel de ellendigste, die men zich denken kan. Blinden, doven, kreupelen, melaatsen, van de duivel bezetenen, tollenaren, zondaren, moordenaren omringen Hem. En toch noemen wij het verhaal van dit stukje mensenleven een evangelie, omdat het absoluut openstaat voor God. Van cultuur is hier geen sprake. Van christendom nog minder. Hier zijn God de Vader en de Zoon en de Heilige Geest samen met de zonde, de ellende en de dood. En daarom noemen wij dit het Evangelie. De correctheid, het attribuut van Satan, is hier ver te zoeken. Er is hier een sauve-qui-peut naar Jezus toe. Het geloof, de hoop en de liefde breken uit als passiebloemen voor Hem die gekruisigd zal worden. De zwakke is hier machtig en de onwaardige krijgt dubbele eer.
Het ergste wat men met dit evangelie kan doen is, dat men er weer een gesloten stelsel en een sluitende zedeleer van maakt. Monisme is het worgkoord voor de prediking. Men moet het mensenleven open-laten naar God toe, dat is naar Christus henen. De tussenruimte is gevuld met wonderen en gebeden.
Spanning tussen cultuur en kerk
Deze tegenstelling tussen praktisch monisme en evangelisch geloof zal de kerk onzer dagen zich weer meer bewust moeten maken. De vervolgingen die er zijn uitgebroken, geven rijkelijk bewijs, dat men van de andere zijde het verschil scherp heeft opgemerkt. Het zou verkeerd zijn hierin een opvatting te zien van louter persoonlijke aard. De kerk heeft het onderscheid op haar beurt eveneens duidelijker in het oog te vatten dan zij wel eens gedaan heeft. Dit zal ook wel langs de praktische weg moeten gaan. De nood zal haar worden opgelegd.
De middeleeuwse kerk vertoonde vete trekken, die tot een vergelijking met het Evangelie aanleiding geven. Men kan die tijd niet zonder meer een gelukkige noemen. In armoede en ellende, krankheid en geplaagdheid door de duivel heeft de christenheid toen vaak weinig ondergedaan voor de scharen die Jezus volgden. Maar het besef dat er tweeërlei rijk was en dat men tot Jezus kan vluchten was zeer levendig. Raadhuis en kathedraal stonden nooit ver van elkaar. Samen gaven zij aan het stadsbeeld zijn vormen en stelden tevens de mogelijkheden des levens voor. Het bestaan droeg een duidelijk dualistisch karakter. En in verband daarmee stond het open naar boven toe.
De moderne cultuur is tegen deze tweeledigheid des levens gekant. Zij legt veel straffer beslag op de enkeling. Daarachter steekt bittere noodzaak, die wij niet over het hoofd mogen zien. Het zijn zakelijke samenhangen, die deze verandering meebrengen. Wij kunnen dat niet op de rekening schrijven van enkele grote figuren, die daarbij de leiding hebben. De geloofsnood tegenover de cultuur ontstaat niet willekeurig.
Dapperheid en geloof
Het zijn vaak de dappersten, de matigsten, de rechtvaardigsten en de meest wijzen, die daarbij naar voren treden. Men kan hun het bezit van de filosofische deugden niet altijd betwisten. - De nood ontstaat hierdoor, dat deze deugden in zo grote spanning komen te staan met de drie theologische deugden: het geloof, de hoop en de liefde, wier beoefening tot het domein van de kerk gerekend wordt. Deze spanning wordt zo groot, dat zij elkaar gaan uitsluiten. Wat in de middeleeuwen harmonisch bleef samengevoegd, treedt nu vijandig uiteen. Men kan van de zijde der dapperen het verwijt horen, dat het geloof het niet meer doet; dat de hoop op een eeuwig leven imaginair is en dat de christelijke liefde de mens week en laf maakt. Jezus moet, als wij ons naar Hem zullen blijven noemen, niet meer als de grote Lijder, maar als een Held worden gepredikt. Ook Hij moet uit de orde des geloofs in die van de dapperheidworden overgebracht. Aan de kerk wordt de beschuldiging in het aangezicht geslingerd dat zij praktisch niet in staat is gebleken de noden der wereld te lenigen en dat sterkere handen deze taak ter hand hebben genomen. Men zegt dat het niet voldoende is om met bijbelteksten door het land te trekken en dat dit preken wel gemist kan worden.
Deze controverse is zeker niet helemaal nieuw. Zij is ook vroeger wel gevoerd. Maar nimmer vond het geding zo midden in de praktijk des levens plaats; zodat de toekomst van de hele wereld bij de uitslag betrokken raakt. Wat vroeger nog voor een academisch dispuut kon worden gehouden, is nu een zaak van de publieke markt des levens geworden. Het wil uitgemaakt zijn of dapperheid dan wel geloof ons zullen zalig maken. In beide gevallen is de rechtvaardigheid het centrale begrip. In het eerste geval maken wij het recht zelf; in het andere is de rechtvaardigheid Gods gave.
Het gaat om het recht
De kerk van hare zijde heeft deze dingen zien aankomen. Men mag zeggen dat reeds bij de Kerkhervorming de rechtvaardiging van de zondaar voor een meer verborgen werk is gehouden dan in de Roomse Kerk. Zo concreet als daar heeft men zich het werk der zaliging niet meer voorgesteld. Het was alsof men er toen reeds op bedacht was het onderscheid tussen dapperheid en geloof, staat en kerk, beter te markeren. In het sola fidei van Luther ligt een uitsluiting van de werken; maar dan in 't bijzonder van de wijsgerige deugden, die de heidenen ook hebben. De rechtspraak over de mens werd met nadruk van de aarde naar de hemelse rechterstoel overgebracht. Uit deze reformatorische theologie zijn èn theoretisch èn praktisch de consequenties zeer gebrekkig getrokken. De latere godgeleerdheid scheen vaak niet anders te zijn dan een afdingen daarop. De laatste tijd echter merkt men in de kerk een hernieuwd wantrouwen tegenover de wijsgerige deugden, dwz. tegen de zedeleer van de mens zelf en een cultuur die de zonde als element in zich opneemt en zich zelf zoekt te rechtvaardigen.
De kerk kan het culturele recht verwerpen
Dit is de moeilijke situatie, waarin wij ons bevinden. En nu zouden wij ons daaraan nog kunnen onttrekken, als wij op het stuk van cultuuraanvaarding geheel vrij stonden. Wij zouden een bepaalde manier van leven kunnen verwerpen en weigeren er aan mee te doen. De kerk heeft dat in sommige tijden en in bepaalde gevallen ook wel gedaan. In de eerste christentijd kwam hun dit te staan op de roep van vijanden van het menselijk geslacht te zijn. Het niet meedoen aan het openbare leven, krijgsdienst en publieke spelen, bezorgde hun een euvele naam. Zij golden voor een lichtschuw volk en een minder ras.
Zij heeft daarvan afgezien
Zulk een uitzonderingspositie heeft de kerk echter leren opgeven. Deze les is er goed ingegaan. Toen de protestanten de staatsvorm van de kerk verwierpen en tussen de rechtvaardiging door het geloof en het aardse recht een strenge scheiding maakten, hebben zij er van afgezien een eigen canoniek recht naast het burgerlijke recht op te stellen. Zij hebben zich daardoor in de wereld wel heel erg bloot gegeven. Met name de Lutherse Kerk gaf zich voor haar uitwendige regering bijna op genade en ongenade aan de wereldlijke overheid over.
Tweeërlei recht in gereformeerde landen
Calvijn heeft aan de kerkorde meer aandacht geschonken en door een strenge tucht voor leer en leven er voor willen zorgen, dat de christenen hier op aarde een eigen houding bewaarden en op hun eigen wijze een volk in de staat bleven. De presbyteriale kerkorde betekent een sterke rem op de demonie van de staat. In grote mate was in gereformeerde landen de belangstelling gericht op de kerkelijke legering van het volk. Het politieke interesse stond hier vaak, wanneer de nood niet drong, vlak bij het nulpunt. Van de overheid verwachtte men dat zij de kerkelijke levensordening zou beschermen en handhaven.
In ons land heeft dit tot allerlei wrijvingen aanleiding gegeven. Staat blijft nu eenmaal staat en hij heeft zijn eigen ordening. Het conflict tussen de staatsorde en de kerkorde heeft onder de Republiek onze geschiedenis vrijwel bepaald. De Oranjes waren de voedsterheren der kerk. De regenten voerden de omineuze naam van de Staten.
De moeilijkheden lagen hierin, dat er tot op zekere hoogte in de gereformeerde landen tweeërlei recht bleef. Het ene samenhangend met de rechtvaardiging door het geloof; het andere verband houdend met de wijsgerige deugden, die het merg van het burgerlijke leven uitmaakten. Dit dualisme is wederzijds soms met duidelijke woorden gesignaleerd.
Deze strijd is ten onzent, en ook elders, slechts zeer gebrekkig uitgevochten. Men is er in blijven steken. Dat er spanning was, en is, tussen tweeërlei recht, is echter bij verschillende gelegenheden duidelijk gebleken. Ik denk daarbij voor de nieuwere tijd aan de rol die de Kwakers gespeeld hebben inzake de slavernij in Noord-Amerika.10 Hier was een vlucht mogelijk van de politieke natie naar het kerkelijke volk. Een bedreigde slaaf was veilig als hij onder het laatste een toevlucht wist te zoeken.
Voor ons eigen land is de schoolstrijd een zeer duidelijk voorbeeld. Hier stond recht tegenover recht. Naast de staatsschool, zoals ze heel tekenend heet, kwam de bijzondere, die in het kerkelijk recht gegrond is.
De inrichting der Herv. Kerk ondermijnt in ons land het christelijk rechtsbesefl
Heel ongunstig is voor ons volk de omstandigheid geweest, dat gedurende de negentiende eeuw, en nu al weer bijna de eerste helft van de twintigste, de Hervormde Kerk niet vrij is. Koning Willem 1 gaf haar een organisatie naar luthers model, die zo is ingericht, dat zij zich zelf bijna automatisch continueert.11 Daardoor is in ons land ten opzichte van de uitbouw van het christelijk recht een steeds pijnlijker achterstand ontstaan. Wij lopen gevaar het als vanzelfsprekend te beschouwen, dat ons hele culturele leven, sociaal en politiek, beheerst wordt door de burgerlijke orde. Het hele ascetische leven, dat is de op de eeuwigheid gerichte kerkelijke ethiek, die het geloof, de hoop en de liefde voor haar bronnen heeft, en haar recht om te leven ontleent aan het rechtvaardig zijn voor God door het geloof, dit ascetische leven ging men zien als een overwonnen standpunt, dat samenhing met eigenaardigheden van de zestiende en de zeventiende eeuw. De gelijkschakeling van de kerk met de cultuur heeft daardoor onder ons reeds grote afmetingen aangenomen.
Hierdoor staan wij in de huidige crisis zwakker dan nodig was geweest. Wanneer wij nog vreemd en onwennig staan tegenover de absolute staatsgedachte en alles wat daarmee samenhangt, dan hebben wij dat te danken aan het feit dat wij nog ruim zoveel als kerkvolk dan als politieke natie bestaan. Maar het gevaar is niet denkbeeldig, dat dit besef zou uitslijten. ⚑Blijken daarvan hebben de laatste tijd niet ontbroken. Bedenkelijk is het als men zich van Oranje wil meester maken ten behoeve van de staatsgedachte, inplaats van dit stamhuis zijn historische plaats als beschermheren der kerk te laten.
Intussen grijpt de staatsbemoeiing om zich heen
Dit klemt te meer, omdat de staatsidee steeds machtiger in het leven ingreep. Was de staat vroeger de garant van de rechtsorde, terwijl binnen die orde andere publieke lichamen, allereerst de kerk, hun wezen konden uitleven, dan schijnt dit thans steeds minder het geval te zijn. De politieke en sociale bemoeiing van de overheid strekt zich steeds verder uit. En dit gebeurt met de kracht van een aardverschuiving. Wie op zijn standpunt zou willen blijven staan, merkt dat de grond onder zijn voeten in beweging is.
De spanning tussen cultureel en christelijk recht neemt toe
De vraag van geloof en cultuur, zoals die vaak wordt gesteld, alsof een christen de keus zou hebben minder of meer aan cultuur te doen en dat men die keuze van de zijde der cultuur zou respecteren, lijkt daarom wel geantiqueerd. De toestand is bezig de oud-christelijke vorm terug te krijgen. Zij stelt weer met nadruk de vraag van kerk en staat. En ook dan zijn we er nog niet. Wij kunnen eigenlijk niet zeggen dat zij onder de eerste christenen in die vorm bestond. Wel in de middeleeuwen. Bij de tijdgenoten van Petrus en Paulus was het de vraag of het geloof verenigbaar was met het aardse bestaan in zijn geheel en of Christus spoedig zou wederkomen om hen in de hemel op te nemen.
Als bij de eerste christenen, staat ons hele bestaan op het spel
Deze uiteindelijke spanning gaan de vragen van geloof en cultuur in onze tijd terugkrijgen. Wij kunnen tegen de cultuur, zoals die ons zakelijk insluit, niet ja of neen zeggen, zonder dat ons hele aardse bestaan er mee gemoeid is. Evenmin als wij tegen ons inwonen in het lichaam ja of neen kunnen zeggen. Wij hebben goed protesteren tegen de broodkaart of tegen het gasmasker of tegen zandzakken, het zal ons niet veel baten, als wij ons aardse bestaan niet op het spel willen zetten. Wij kunnen evengoed tegen de dood protesteren als tegen deze cultuurverschijnselen. Ascese laat zich hier niet prediken; allerminst een 'innerweltliche'.j Ascese zou hier alleen kunnen wezen in de vorm van opheffing van het aardse bestaan.
De cultuur krijgt hier trekken, die wij niet gewoon waren er aan op te merken.
Zo staat de vraag van geloof en cultuur nu
Bij wat ik de ouderwetse cultuurvraag zou willen noemen, werd de cultuur opgevat als levensverruiming. Wij vroegen dan of wij zoveel ruimte wel mochten nemen; of God wel wilde hebben dat wij ons op deze wereld zo genoegelijk inrichtten. En of het niet beter was dat wij ons met het oog op de ernst der zonde en de lengte van de eeuwigheid in dit korte leven opzettelijk wat intoomden en tegen een aantal dingen, die tot de mogelijkheden van ons aardse bestaan behoorden, neen zegden. Immers het kon zo licht gebeuren, dat de zonde als een noodzakelijk cultuurelement daarbij onze huisvriend werd en wij hem een vaste plaats aan onze haard inruimden. Men denke slechts aan de romanliteratuur.
De dood spreekt er in mee
Wij merken nu dat de zonde niet altijd alleen komt, maar dat de bezoldiging der zonde, de dood, de vrijheid neemt zich tegelijk aan te melden. Dat is een andere zijde van de cultuur. Bij de staat hebben wij dat altijd wel geweten. Haar ultima ratio, haar laatste argument, het zwaard, was bekend. Dit behoort reeds tot de primitieve elementen der cultuur, zoals men in de eerste hoofdstukken van de bijbel kan lezen. Ploegijzer en zwaard komen naast elkaar voor. Men leze ook 1 Samuël 13 : 19 en 20.
Hier kan geen dapperheid, maar alleen geloof ons redden
Wanneer wij nu in onze tijd de vraag van geloof en cultuur stellen dan komt deze zijde wel heel sterk op de voorgrond. Zij gaat de gewone tegenstelling van kerk en staat nog te boven. Het dilettanterige van de vroegere probleemstellingen ten opzichte van de cultuur gaat er helemaal af. Het is ook geen familietwist meer tussen kerk en staat, geen huiselijk krakeel wie het grootste stuk van ons leven zal hebben. De cultuur in haar geheel vertoont de grimmige trekken van de dood. En het ja of neen zeggen houdt op. Althans in de gewone vorm. Wij kunnen alleen met ons hele bestaan nog een antwoord geven. Wij kunnen de zonde met de dood er bij meer bewust dan vroeger als cultuur-element aanvaarden en dan is de dapperheid de hoogste deugd van het ras. De kerk houdt dan op en de staat gaat dan steeds meer op in haar ultima ratio, haar laatste argument. Wij zijn al een heel eind op weg in deze richting. Of - en dat is geen mensenwerk - de weg des geloofs wordt weer voor ons gebaand, in de weg van lijden en gebed, zoals in het Evangelie. Ook daar speelt de dood een grote rol. Hij vult samen met de zonde het hele Evangelie. Maar hij is geen kroon op het hoofd van de zonde. Jezus is in Gethsemane niet dapper maar beangst. De dood dient tot verzoening van de zonde en wordt een doorgang tot het eeuwige leven. Wij worden niet ontrouw aan God door de dood te aanvaarden. Maar wij aanvaarden hem niet als cultuurelement. Wij aanvaarden daarin het einde van de cultuur.
De kerk ziet op het einde (Psalm 73)
De bijbel is het boek van het begin. Maar ook van het einde. Het is nergens een leerboek der cultuur. Het is het boek des geloofs. De vragen die zich daarbij voordoen zijn van eschatologische aard. Op die wijze komt de kerk naar voren. Want deze is geen culturele maar een eschatologische verschijning. Zij kan alleen recht gezien worden tegen de achtergrond van het wereldeinde. Calvijn noemde de christen een schildwacht der eeuwigheid.13 En de bijbel eindigt met de bede: Kom Here Jezus!
De kerk lijdt en bidt en waakt
De vraag van geloof en cultuur is zo geen ethische vraag meer, ofschoon ze op de zedeleer van invloed zal zijn. Maar zelf gaat ze daar boven uit. Zij betreft niet de Georgiek, in de zin van Bacon, die een deel is van de zedeleer, maar in de zin van het Evangelie, waar de maaiers de engelen zijn (Matth. 13 : 39). De houding die wij daartegenover kunnen aannemen, is er een van bidden en vasten.
Daarmee hebben wij de grondvorm der kerk teruggewonnen. Evenmin als het mogelijk is God terzijde te schuiven, kan dit ook met de kerk van Christus gebeuren. Zij leeft uit de Schrift, het cultuurloze boek van de val en de wederopstanding, van het begin en het einde. De cultuurvragen van onze tijd zullen de kerk steeds meer in die stand terugbrengen. In de strenge zin van het woord is de kerk geen cultuurelement. Het praten over christendom en cultuur heeft in het licht van de bijbel geen zin. Slechts zijdelings kan de kerk culturele betekenis hebben. En daarbij loopt zij steeds het grote gevaar van in de algemene beschaving op te gaan en met de zonde als cultuurbestanddeel een voorzichtig verdrag te sluiten, om het Evangelie op die wijze invloed in deze wereld te verschaffen. Zodra de kerk als een onbestaanbare grootheid, of als een verschijning van een ander rijk, uit de cultuur wordt uitgewezen, loopt zij althans dit gevaar niet meer. Zij wordt dan weer teruggewezen op de bijbelse bestanddelen van haar wezen, het lijden, de gemeenschap, het gebed, de prediking, de sacramenten, de zending en het wachten op de wederkomst van Christus.
Haar houding is profetisch, niet cultureel
Dat wil niet zeggen dat de kerk zich daarbij van haar bemoeiing met de wereld zou moeten laten terugdringen. De houding die Jezus en de apostelen hebben aangenomen is niet bepaald lijdelijk te noemen. En de Oude kerk stond in een agressieve stand tegenover het mensenleven. Alleen maar, men kan deze houding niet cultureel noemen; zij was profetisch van aard. Daarvan ging veel groter kracht uit dan er ooit van culturele bemoeiing kan uitgaan. Het werk der kerk ging van een ander koninkrijk uit, van een hoger plan. Christus zit aan de rechterhand Gods en alle dingen moeten aan zijn voeten worden onderworpen. Daarom bemoeit de kerk zich wel met alle dingen, maar zij blijft vrij tegenover de cultuur. Een vrijheid, die zich soms in onverzettelijke tegenstand zal openbaren. Zij bezit die vrijheid omdat het koninkrijk van Jezus niet van deze wereld is. Jezus zegt dat zijn discipelen het zout der aarde moeten zijn.14
Een praktisch monisme duldt deze houding niet
Het bestaan van zulk een hogere gemeenschap, die onder lijden de wereld overwint, die door bidden werkt en die in haar merkbaar wachten een andere orde der dingen zoekt, is voor de absolute cultuurmachten, die zonde en dood in hun praktisch monisme opnemen, onduldbaar. Zij zouden het kunnen goedvinden, wanneer de kerk er in kon toestemmen een departement van Eredienst te worden. Desnoods de hoogste verdieping in de cultuur. Mits zij binnen de cultuurkring bleef ingesloten. Maar wanneer de kerk de pretentie heeft de openbaring van een ander rijk te zijn, met eigen wet en eigen geschiedenis, dan wordt zij deswege als een bedreiging opgevat. Dat dit ook werkelijk gebeurt, is een bewijs dat de zaak van Christus niet verloren is, maar dat God zijn kerk nog steeds vergadert, beschermt en onderhoudt.
De cultuurvraag is boven-persoonlijk
Wanneer wij over de verhouding van geloof en cultuur spreken, dan mogen wij deze dingen wel bedenken. Het gaat niet aan om, alsof het een plaats uit een handboek was, altijd in dezelfde toonaard door te gaan. Wij mogen niet doen, alsof de cultuur onder alle omstandigheden een soort particuliere onderneming blijft, welker beoefening enige moeilijkheden voor het persoonlijk geloof oplevert; een tijdelijke collisie van plichten, maar die dan met een beetje passen en meten wel weer in 't gelijk te breien zou zijn.
't Gaat om tweeërlei burgerschap
Wij hebben te bedenken dat het genus humanumk een soort is met een geschiedenis, waarin de vragen nooit gelijk blijven staan. De X, die wij moeten oplossen, levert telkens weer een andere uitkomst. Wij mogen ons wel eens herinneren, dat de eerste christenen zich reeds de naam van vijanden van dat genus humanum moesten laten welgevallen. En dat zij een houding hebben aangenomen, waaruit bleek dat zij de geschiedenis van de soort niet onder alle omstandigheden wilden meemaken. Zij hadden, zo verklaarde de kerkvader Tertullianus, de ware senaat en de ware staat.15 En de kerkvader Augustinus schreef later zijn machtig boek over de twee staten, de hemelse en de aardse.16
Babel of bijbel
Nu de cultuur als een onweer boven ons hoofd hangt, wordt het tijd dat we de oude vragen weer geheel opnieuw onder ogen zien. Wij mogen, om misverstand te vermijden, wel een andere naam gaan gebruiken. Wij hebben jaren geleden de Babel-Bibel-strijd gehad.17 Daaruit klinken ons reeds namen tegen, die wat meer bij de situatie schijnen aangepast dan wanneer men spreekt over cultuur en geloof als een ietwat moeilijke plaats uit een handboek voor christelijke zedekunde. Wij hebben dan ook dadelijk iets van de augustiniaanse visie terug en daarachter van die uit het boek der Openbaring. De felheid van de spanning wordt ons dan ook dadelijk veel duidelijker en wij weten dan dat onze eeuw in het verlengde ligt van andere eeuwen.
't Gaat om het einde
Er is nog iets anders waarop ik in dit verband moet wijzen. De cultuurvraag wordt op kerkelijke erve vaak behandeld in verband met het leerstuk van de schepping. In aansluiting daaraan zoekt men dan de houding van de gelovige te bepalen. Men zoekt de ordeningen te ontdekken, die God heeft ingesteld eens voor altijd. Daarbij rekent men dan vaak in het geheel niet of te weinig met de geschiedenis, die eigen is aan de mensheid als soort en met de zonde die een bestanddeel daarvan is geworden. Het gesprek krijgt dan allicht een zo afgetrokken karakter, dat men meer van de werkelijke moeilijkheden wordt afgeleid dan er op gericht. Wanneer alles aan een einde doet denken, heeft het weinig zin steeds weer over het begin te spreken. Bij de moeilijkheden, waarin God de kerk brengt, hebben wij zeker te letten op wat in het Nieuwe Testament over de dag des Heren te lezen staat.
Cultuur en ascese
Als wij de vraag van geloof en cultuur zo stellen, vallen er heel wat kwesties weg als niet aan de orde zijnde. En er komen andere voor in de plaats, die veel moeilijker zijn en die men veel minder uit de weg kan gaan. Moeilijkheden, die door de enkeling nauwelijks of niet te beantwoorden zijn en waarop hij toch ja of neen moet zeggen. Waartegen ascese alleen gevolg kan hebben als men zijn hele aardse bestaan op het spel zet.
Er zijn tijden geweest waarin cultuur een andere naam voor christendom scheen te wezen. Sommigen meenden zelfs een betere. In andere perioden scheen men de cultuur voor de mannelijke tweelingbroer van het vrouwelijke christendom te willen houden. Het zou dwaas zijn de probleemstellingen uit zulke tijden steeds maar aan te houden. Wij kunnen niet anders dan de dingen veel meer in nieuwtestamentisch, eschatologisch licht te zetten.
Calvijn heeft, met het oog op de taak der kerk in deze wereld, een terughoudende houding tegenover de cultuur aangenomen. Dit stempel is tot op heden min of meer op de volkeren van gereformeerde religie blijven staan. Deze houding is van grote betekenis geweest en zij is het nog. Maar zelfs in haar beste vorm is zij niet voldoende om de wereld van thans te overwinnen. Zij kan hoogstens de meest gunstige sfeer zijn, waarin nieuwe moeilijkheden worden tegemoet getreden. De dingen komen tenslotte in het leven niet achter ons aan, maar wij komen ze tegen. En die welke ons geslacht ontmoet zijn zo dreigend, dat de enkeling bij zijn moeilijkheden weer opnieuw behoefte voelt aan de grote gemeenschap der gelovigen op aarde. Wij merken dat wij met onze voeten vast in een ander koninkrijk moeten staan om staande te kunnen blijven.
De cultuur - als ik het eens zo noemen mag - die daar geldt, is die uit het Evangelie, dat wij naar gewone maatstaf cultuurloos moeten noemen. De gemeenschap des lijdens, der gebeden, der heiligen,l der leer, der zending en des wakens is de vaste grond der dingen die de gemeente ook nu nog hoopt. En vandaar uit kunnen alleen het Woord en de Belijdenis uitgaan, die ook uit onze tijd niet ledig zullen wederkeren.
Rijk tegen rijk
Daarbij zal het dan in volle zin weer gaan: rijk tegen rijk. In het ene zal de dood een poort zijn naar aardse macht; in het andere naar de hemelse heerlijkheid. In het eerste is hij het instrument van menselijke vijandschap; in het tweede het zegel van goddelijke verzoening. Het aardse stelt zijn verwachting op de slag van Kaïn; het hemelse op het bloed van Abel dat roept van de aardbodem tot God.18