Verkondiging en Wijding1
Men vroeg mij, de vraag te willen bespreken, in hoeverre de kerk de fata van ons vorstenhuis met haar aandacht mag en moet begeleiden.
Dit is vooral nu een zeer kiese aangelegenheid. Maar toch zou ik het nog anders willen noemen. Het is in de eerste plaats een ernstige zaak. Niet onze verhouding tot het huis van Oranje is in geding, maar de eerbied, die wij Christus verschuldigd zijn. Is er in de kerk nog plaats voor een andere wijze van spreken en handelen, dan die welke door Hem bepaald wordt? Althans wanneer verering en huldiging zich daarmee vermengen? - Wat zijn de voorwaarden, waaraan een wijdingsstond moet voldoen, om geen zonde te worden tegen het eerste gebod en als hij ons niet in botsing zal brengen met de nieuwtestamentische belijdenis, dat Christus onze Heer is?
Deze bezinning daarover heeft het meeste gewicht. Pas als deze haar beslag heeft gekregen, zullen we ons rekenschap hebben te geven van de wijze, waarop wij uiting mogen geven aan onze liefde tot het Oranjehuis en van wat wij deswege schuldig zijn te zeggen en te doen in de kerk. Ik herhaal met nadruk: 'schuldig zijn'. Want ook dan nog is er geen plaats voor een spontane huldiging, waarvoor de straat het aangewezen terrein is. Het woord 'wijding' duidt dit reeds aan. Wij dempen daarbij onze natuurlijke gevoelens en stellen die onder de tucht van een hogere sfeer. Dat voelen we steeds, als het Wilhelmus in de kerk wordt aangeheven. Dat we dit niet duidelijker merken ligt hieraan, dat ons volkslied bijna een psalm is. Het is een kerklied, uit de tijd der martelaren; een klacht van een herder tot de Heer der Heren, over de nood der arme schapen. En toch klemt ons, toch nog, in de heilige gebouwen de terughouding, als wij zingen van het Dietse bloed.
De natuurlijke gang van zaken zou dus zijn, dat ik eerst iets ging zeggen over de verkondiging en pas daarna de wijding besprak. Toch wil ik hier nu de volgorde omkeren. Dit artikel heeft een aanleiding, het 40-jarig regeringsjubileum van onze geëerbiedigde koningin. En daarom ligt het voor de hand dat wij daarvan uitgaan.
Wat ik zoëven van het Wilhelmus gezegd heb, geldt ook van het Oranjehuis. Er is een nauwe relatie tussen dit stamhuis en de kerk. Zoals Israëls koningen een vanzelfsprekende plaats hebben in de bijbelse geschiedenis, zo komen Willem de Zwijger, Maurits en Willem III2 voor in de geschiedenis van de hervormde en de anglicaanse kerken. Ik denk aan de beroemde rede, die Willem I hield in de Raad van State in 1564, die samengevat kan worden in zijn laatste woorden, twintig jaar later, en waarin hij God en het arme volk in één, zijn laatste adem noemde. En aan de overtocht van Willem III, die een einde maakte aan de eindeloze aarzelingen der Engelse bisschoppen en aan de Engelse kerken de vrijheid schonk, die tot op heden een grote zegen is gebleken voor de hele wereld.
De Oranjes zijn in onze geschiedenis steeds de beschermheren der kerk geweest en ook de daad van koning Willem 1, die aan de Hervormde Kerk de bestuursorganisatie gaf, welke haar leven zo sterk belemmerde, bedoelde deze traditie voort te zetten.3
Daarbij moeten wij echter wel oog hebben voor de bijzondere aard van deze verhouding tussen kerk en vorstenhuis. In sommige landen draagt deze een min of meer theocratisch karakter. Zo was het in Rusland; zo is het nog in Engeland. De geschiedenis van koning Eduard VIII heeft ons dat weer eens duidelijk gemaakt.4 Met het Oranjehuis is dat nooit het geval geweest. Er is geen sprake van, dat de drager of draagster van de kroon een kerkelijk ambt zou bekleden, in welke zin dan ook. Het regerende staatshoofd is gemeentelid naast eik ander. Iedere kerkgang van onze vorstin doet dat duidelijk uitkomen.
Wanneer de Oranjes dan toch een grote plaats bekleden in onze kerk, dan is die plaats een historische en geen ambtelijke. Zij zijn de van God verwekte helpers geweest, die op ongeregelde tijden dat werk hebben verricht, zoals de richters in Israël.
Zij waren daarbij niet wat men voedsterheren der kerk noemt. Bij koning Willem 1 kan dat het geval lijken te zijn. Maar daarin komt dan de eigenlijke roeping van het Oranjehuis niet uit. Zulk een vaste, durende verhouding tussen vorst en kerk, ook al wordt die niet ambtelijk opgevat, ligt niet in de lijn der historie. De Oranjes waren de helpers van de verdrukten, van de kerk als slachtoffer van geweld en list. Wanneer zij niet in deze rol optraden, traden zij terug in de rijen der gewone gemeenteleden.
Hiermee moet iedere wijdingsstond rekening houden. Het gevaar, dat dit somtijds vergeten zal worden, is niet denkbeeldig. De versterking van het nationaal besef, die overal en ook te onzent is op te merken, werkt daartoe mee. Oranje dreigt dan symbool van nationale bewustwording en nationale groei te worden en z'n eigen zelfstandige plaats in onze historie te verliezen. Het wordt dan mystisch één met het volk in plaats van dat God, Nederland en Oranje drie blijven. Een geboorte in dit huis wordt dan tot een soort kerstfeest, waarbij het volk religieuze emoties gevoelt. De grenzen die God gesteld heeft worden dan uit het oog verloren. En de geweldige tegenstelling van ambtelijke teruggetrokkenheid en historische roeping, die zo kenmerkend is voo'r het Oranjehuis, gaat daarbij verloren. In de kerk is een lid van het Oranjehuis gemeentelid en niets meer en daarmee is voorgoed elke gedachte uitgesloten, alsof daarnaast nog een andere, een religieuze verhouding tussen Oranje en Nederland zou kunnen bestaan.
Tegenover deze ambtelijke teruggetrokkenheid komt dan de historische roeping te beter uit. In dat opzicht kent Europa in zijn geschiedenis wel geen heerlijker episode dan toen het Kind van Staat uit het eerste stadhouderloze tijdperk uittrad om de Kerk te redden en tegelijk het evenwicht op het hele continent te herstellen.5
Natuurlijk is daarin door het koningschap verandering gekomen. Maar de aard van de dynastie wordt er toch wel door bepaald. De band tussen volk en vorstenhuis is niet in de eerste plaats nationaal, maar, in ruime zin, kerkelijk. Het is de vrije bestemming Gods, de predestinatie, die de taak bepaalt welke de leden van dit stamhuis zullen hebben te vervullen. Deze gedachte was het, die aan stadhouder Willem 111 in de raadzaal en op het slagveld de kracht gaf voor zijn Europese werkzaamheid. En met die goddelijke bepaaldheid hangt onmiddellijk samen de dienst der ontferming voor het hulpeloze, het verdrukte.
Daarom zou het in hogere zin de ondergang van Oranje betekenen, wanneer, onder de invloed van hedendaagse modern-religieuze staatsbeschouwingen, of ook maar door de tegenovergestelde reacties daarop, de nationale gedachte te sterk beslag legde op het stamhuis. En wanneer het in verband daarmee te zeer in de buurt zou komen van materieel geweld en brute krachtsopenbaring.
Als staatshoofd is de drager of draagster van de kroon geroepen het gezag te handhaven. Daaraan is niet te ontkomen. Maar de ene openbaring van gezag zullen wij meer direct met Oranje verbinden dan de andere. De zending van de Gelderland naar Zuid-Afrika in 19006 en het bombarderen van De Zeven Provinciën7 waren allebei regeringsdaden van onze koningin. Maar de eerste verbinden wij onmiddellijk met het stamhuis. Bij de laatste stellen wij ons Oranje 't liefst voor met afgewend gelaat.
Zo is het ook met de binnenlandse politieke geschiedenis. De verhouding tot de politieke partijen, ook al staan deze voor de grondwet gelijk, zal wel niet steeds van gelijke aard kunnen zijn. Er zijn, met name in de laatste beide tientallen jaren, ogenblikken geweest, waarop de betuiging van trouw aan ons vorstenhuis een deel der bevolking scheen ter zijde te plaatsen. Het gevaar was dan niet denkbeeldig, dat de nationale gedachte en de handhaving van het gezag Oranje voor zich zouden opeisen en onze verhouding tot dit stamhuis zouden denatureren. De rechte Oranjeklant voelt dan zijn geestdrift bekoelen.
Oranje is kerklid en wanneer het geweld en de verdrukking, van welk volksdeel ook, hoogtij zouden vieren, dan wacht het en bidt en lijdt. Het wacht ook, als er niet anders valt te doen dan staatshoofd-zijn. Oranje wacht op de ure, waarin de predestinatie dringt en de historische roeping komt. Dan komt het echte Oranje boven, eerst in het hart van hem of haar die God daartoe heeft uitverkoren. Maar dan ook in de mond van het volk, dat de bestemming van zijn stamhuis verstaat. Zo was het in 1672. Zo was het in 1813.8 Zo ook in 1900. Zo moge het ook in de toekomst zijn.
Wie hiervan doordrongen is, zal geen moeite hebben, de verhouding van verkondiging en wijding te bepalen. In de buurt van de voorbeschikking en de uitverkiezing houdt alle mensvergoding op. En hoe geweldiger de tijden zijn, hoe groter de dreiging van geweld en list, hoe meer wij de grens tussen volksvergoding en historische roeping in het oog zullen willen houden. Wij eren Oranje niet om wat het is, maar om iets veel hogers: om wat het was en zijn zal. Da Costa heeft dat restloos uitgedrukt in de dichtregels, die in de Nieuwe Kerk te Amsterdam staan weergegeven:
O Nederland, gy zult eens weer Het Israël van 't Westen worden; God zal uw kerk met licht omgorden, Uw koningen met Davids eer.9
Ook in deze profetische tekst, aangebracht op een historische plek, worden Oranje en kerk naast elkaar genoemd. Maar vooral ook: hier komt de ambtelijke tegenwoordigheid geheel in de schaduw te staan van de toekomstige bestemming.
De wijding in de Nieuwe Kerk en in iedere kerk, waar de gemeente de fata van het Oranjehuis met haar aandacht vergezelt, is daardoor gespeend aan alle cesaropapisine. Oranje is, als bij iedere kerkgang van de leden van het koninklijk huis, kerklid; niet minder en niet meer. De gemeente herdenkt en wacht, met Oranje. De aanbidding van de Koning der kerk wordt daardoor geen ogenblik gestoord. Eer buigt zich op zulk een dag de gemeente met Oranje nog dieper voor Hem. Want wanneer wij herdenken, dan roepen wij de geschiedenis van zijn kerk in ons geheugen en de hulp die Hij ons besteld heeft door de leden van dat huis. En wanneer wij bidden en wachten, dan letten wij op Zijn heilige verkiezing. Daarbij blijft de ambtelijke tegenwoordigheid geheel op de achtergrond. Oranje stoort door zijn aanwezigheid op geen enkele wijze 'de verkondiging van Gods heilig Woord, wanneer de wijding in deze toon blijft.
De wijdingsstond is dan een opgang van de leden van het stamhuis naar het bedehuis, in het midden der gemeente. Persoonlijk kan dat niet overal geschieden. Vertegenwoordiging kan ook niet allerwegen plaats hebben. Daarom komt de gemeente samen alsof dit wel het geval was. Maar evenmin als dit bij de persoonlijke kerkgang van de draagster der kroon het geval is, mag de aandacht op hinderlijke wijze van de aanbidding van Christus naar vorstelijke presentie worden heengewend. In een roomse kerk, waar de mis wordt opgedragen, zou dat zo vanzelfsprekend zijn, dat men het niet behoefde te noemen. Bij ons is dit wel nodig, omdat de prediking de voornaamste plaats inneemt en omdat daarin het historisch verhaal een bestanddeel kan zijn. De bijbelse geschiedenis zelve is een vorm van prediking en zo heeft de verkondiging vaak de historische vorm. Zo kan in een wijdingsstond de bijbelse geschiedenis verdrongen worden door de kerkgeschiedenis en deze weer door de vaderlandse. De aanbidding van God zou zo door de verering van mensen vervangen kunnen worden.
Dit mag nimmer geschieden. Wanneer wij een kerkdienst houden en niet een Oranjejooi in het kerkgebouw, dan is dat uitgesloten. Dan moet de vaderlandse geschiedenis tot de bijbelse geschiedenis worden teruggebracht. Dit is ten opzichte van het Oranjehuis niet moeilijk. Daarbij denk ik niet in de eerste plaats aan bijbelse parallellen, zoals een vergelijking van de zonen van Juliana van Stolberg met de Makkabeeën.10 Zulke aanwijzingen mogen treffend zijn, zij blijven uitwendig en hebben vaak iets gezochts. De overzetting van vaderlandse geschiedenis in bijbelse geschiedenis zal niet te direct moeten zijn, maar moet door de kerkgeschiedenis heen gaan. Historie blijft daarbij niet precies historie en voor een episode uit de geschiedenis van ons volk zullen wij geen bijbels verhaal in de plaats behoeven te stellen. Dat zou een wat kinderachtige vroomdoenerij zijn. Bij de prediking blijven wij ook niet in de bijbelse geschiedenis hangen, maar grijpen terug op de raad Gods. Des te meer is dat geboden, als wij helemaal uit de vaderlandse geschiedenis komen.
Als voorbeeld van wat ons hier bezighoudt, wijs ik op het bekende Oranjeliedje:
Al is ons prinsje nog zo klein, Alevel zal hij stadhouder zijn.
Wij zouden daarvoor een bijbelse parallel kunnen zoeken in de geschiedenis van koning Joas uit 2 Koningen 11, die op zevenjarige leeftijd tot koning werd uitgeroepen. Dat zou echter een dwaze spelerij zijn. Heel anders wordt het, als we door de kerkgeschiedenis heen tot de bijbel komen. Ons volk heeft in dat liedje uitgezongen zijn geloof in Gods verkiezing, die helpt uit de nood. In dit liedje staat precies uitgedrukt wat ik in dit opstel heb zoeken aan te wijzen: de tegenstelling van ambtelijke teruggetrokkenheid en historische roeping. Achter de kleinheid en de ambteloosheid van het tijdperk heeft ons volk dezelfde goddelijke predestinatie vermoed, die Willem Ill,11 toen hij een groot staatsman en veldheer was, als het geheim van zijn verstand en kracht heeft beleden. ⚑Op die wijze hebben ons volk en Oranje op de bijbel teruggrepen en wij moeten daarin hun voorbeeld volgen, ook bij deze wijding. Wij zullen het geloof uitspreken, dat Christus zijn kerk ook in de toekomst niet verlaten zal, maar dat Hij haar hulp zal bestellen. En wij zullen bidden, dat Hij daartoe, zoals Hij reeds zo vaak gedaan heeft, een Oranje, een ambteloos lid der kerk, wil verkiezen.
Zo zal dan in onze wijding het omgekeerde gebeuren van wat in onze dagen zo vaak plaats heeft, dat men de bijbelse geschiedenis voor de vaderlandse laat wijken. Als men het volk inruilt tegen de gemeente, de bodem tegen de belofte, het bloed tegen de Geest, het geweld tegen de genade. Wij hebben toe te zien, dat hier de grenzen niet gaan verflauwen.
Op deze wijze zullen wij dan een Oranje-herdenking hebben gevierd. Er is ook een andere mogelijkheid, nl. dat wij het koningschap in 't middelpunt gaan stellen en als gemeente, in aansluiting aan de apostolische vermaning om te bidden voor koningen en allen die in hoogheid gezeten zijn (1 Tim. 2 : 2), samenkomen. Het centraal-stellen van de koningsgedachte is de laatste tijd van enkele zijden aanbevolen; hetzij meer in aansluiting aan de historie, hetzij min of meer in de richting van de theocratie. In het eerste geval blijven we in de buurt van de opvattingen, die ik boven gaf. Maar wij zien Oranje dan niet meer bepaald als kerklid. Wij geven dan aan de dynastie van 1813 een eigen en andere plaats in onze historie. De wijding is dan een gebed voor de overheid.
Gaan wij met Oranje naar de kant van de theocratie, dan blijft wel het kerklidmaatschap, maar de ambtelijke teruggetrokkenheid gaat verloren. Wij verliezen het 'alevel', de hoop op de verkiezing Gods, het eigenlijke punt waarop Nederland en Oranje elkaar steeds hebben ontmoet. De wijding loopt dan het gevaar van syncretisme, een vermenging van aanbidding en huldiging.
Laat Oranje kerklid blijven en gewoon lid, ter beschikking van Gods almachtige en vrijmachtige verkiezing, tot hulp van de gemeente in de nood. En laten wij zo gedenken de grote dingen, die God onder ons gedaan heeft en Hem bidden daarmee voort te gaan.