O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Verkondiging en WijdingInhoudMemorandum aangaande de processie →

Verzamelde Werken, deel 6 · p. 555–557

Memorie betreffende de doodstraf1

Aan de Synodale Commissie voor 'Kerk en Overheid', inzake de doodstraf.

Dat ik ten tweeden male een schrijven aan uw commissie richt, geschiedt op verzoek van dr. Oorthuys.2 Men zie daarin dus geen verdere ongevraagde inmenging in uw beraadslaging.

In verband met wat ik in mijn vorige brief opmerkte aangaande de Oude kerk, moge hier allereerst een gedeelte staan uit een brief van Augustinus aan de tribuun Marcellinus, die een aantal wandaden van rondtrekkende Donatisten moest berechten. Dezen vulden de ogen hunner slachtoffers met kalk en goten er dan azijn op. In de omgeving van Hippo werd de priester Restitutus vermoord. Aan een bisschop werden de tong en een hand afgesneden. De daders werden gevat en gekastijd. Augustinus kwam voor hen tussenbeide: "Wij willen niet dat dienaren Gods gewroken zouden worden door straffen gelijk aan die, welke men hen heeft doen ondergaan. Wij verzetten ons er niet tegen dat men aan schuldigen de middelen om verder kwaad te doen ontneme, maar wij geloven dat het voldoende zal zijn, als men, zonder hun het leven te ontnemen, noch hen van enig lichaamsdeel te beroven, hen van hun krankzinnig drijven afbrengt door wettelijke beteugeling en hen zo tot kalmte en bezinning brengt of wanneer men hen verhindert hun misdrijven te herhalen door hen te gebruiken voor enig nuttig werk. Vervul in deze zaak, christelijke rechter, de plicht van een vader en wil, terwijl gij het onrecht weerstaat, de menselijkheid niet vergeten."3

Ik geef geen commentaar, maar leg de vinger bij een bladzijde uit Moll, Kerkgeschiedenis van Nederland .a Het gaat daar over een dief, die door Amandus, bisschop van Maastricht, van de galg werd gesneden en weer tot leven teruggebracht. "Amandus, die, gelijk de edelste kerkleraren van de oude tijd, een diepe afkeer had van alle doodstraffen", aldus begint Moll zijn verhaal. Moll was een goed kerkhistoricus en kon het weten.4

Ik geef nog iets uit de kerkelijke praktijk. Karel de Grote en zijn opvolgers maakten de geestelijkheid deelgenoot van het strafrecht, door biecht en zendgericht.b Ook doodslag kwam voor de bisschop.c Manslag werd in Friesland, zowel door de burgerlijke als door de kerkelijke overheid met verplicht vasten gestraft.d De burgerlijke rechter nam vaak de kerkelijke straffen over.e Reeds ten tijde van Bonifatius werden vader-moordenaars met levenslang vasten gestraft.f

Voor de Oude kerk komt natuurlijk de vierde eeuw, na de bekering van Constantijn, in aanmerking. Toen heeft de kerk de civiele rechtspraak gehad, met invloed op de criminele. "Door niet anders", schrijft Karl Müller in zijn bekende kerkgeschiedenis, "door niet anders misschien heeft de kerk zo diep in het volk wortel geschoten, als door haar rechterlijke arbeid."5 Zij kreeg het asielrecht van de tempels over en dit maakte de intercessie van de bisschop mogelijk. "Zo kan men zeggen", aldus Müller, "dat de kerk de haar door Constantijn toegedachte taak, de maatschappij in het rijk (naast de staat) nog eens samen te vatten, vervuld heeft, maar ook dat zij goed op weg was, de staat uit zijn sociale positie te verdringen en zich in de plaats van het rijk te stellen."6

Mijns inziens is het absoluut geboden dit alles voor ogen te houden bij de overweging van het recht en de plicht der overheid. De exegese voltrekt zich niet in het luchtledige, maar dwars door een geestelijk en kerkelijk milieu heen. Exegese is ook een objectief historisch proces, waaraan 'alle de heiligen' deelnemen. De hals van een misdadiger hangt niet af van de accuratesse of misschien de min of meer geprikkelde stemming van een literator op zijn studeerkamer.

Calvijns exegese van Gen. 9 : 3-7 is breed en gedragen door een geest van christelijke barmhartigheid.7 De letterlijke, grammatische uitlegging is door hem meesterlijk gehanteerd, maar men merkt, dat hij weet van de gezindheid van een goed bisschop. "God heeft de dieren de mens tot voedsel gegeven, maar nu moeten wij er", aldus Calvijn, "niet als rovers op aanvallen en onschuldig bloed vergieten."8 Er is ascese en eerbied voor het leven in deze vreemde exegese. Dit wordt nog eens opzettelijk benadrukt door het verbod om bloed te eten.

Daardoor moest aan de bloeddorst een grendel worden voorgeschoven. Immers deze zou ook de mens in gevaar brengen. Evenals Paulus zegt Calvijn hier, dat God niet voor de ossen zorgt, maar dat het om onzentwille is God zorgt en is bezorgd voor ons leven. Verder hebben zij, die menen dat het hier eenvoudig om de doodstraf gaat, ongelijk. Dat staat er wel in, maar er staat meer in. "Wie bloed vergiet, die zal in de helft van zijn dagen afgesneden worden" (Ps. 25 : 25). Als de overheid het door de vingers ziet, dan krijgt de doodslagen van andere zijde zijn loon wel. Het zal slecht met hem aflopen, aldus Calvijn.

Deze letterlijke exegese heeft tenslotte wel weinig meer te maken met de letter van Genesis. Het ius talionis en zelfs het publieke strafrecht komt hier op de achtergrond tegenover het oordeel Gods. Er komt plaats voor een woord als van Paulus: "Wreekt uzelf niet beminden, maar geef de toorn plaats."9 Deze uitlegging is er een die door de eeuwen is heengegaan. De adem der kerk is er in.

De kerk kan nooit vergeten dat het Koninkrijk der hemelen in het Evangelie nabij gekomen is om alle koninkrijken der aarde, die de duivel Jezus had aangeboden, te vervangen.

Constantijn had, zoals wij Karl Müller hoorden zeggen, aan de kerk de rol toegedacht, die Jezus bestemd had voor het koninkrijk, de mensheid naast en in plaats van de staat, samen te vatten.

In Augustinus' brief aan Marcellinus hoorden wij een zwakke weerklank van Jezus' kruiswoord tot de moordenaar: "Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn."10 Het ius talionis wordt daar met zoveel woorden afgewezen. Niet meer oog om oog, bloed voor bloed. De bisschoppen verzoeken de doodslagers niet van enig lichaamsdeel te beroven, als zij een hunner de hand hebben afgekapt of de tong uitgesneden.

De kerk hoede er zich voor door een letterlijke exegese van oude bijbelwoorden, over de hoofden van Calvijn, Augustinus en ... Jezus heen, zich zelve met de staat gelijk te schakelen.

Ook al ware de doodstraf bijbels, voorzover de overheid bijbels is, kan dan nog van het koninkrijk of de kerk, die de mensheid ten tweeden male, door een recapitulatio, samenvatten: kan van dit asiel uit een advies gegeven worden aan de staat om de gevlodene te doden? Dat is de hoofdvraag.

Ook wereldlijke schrijvers als Wundt in zijn Ethik hebben vaak een duidelijk besef hiervan.11 Ook Aalders heeft zich in zijn Ethiek op Wundt beroepen.12 De overheid kan het principe van ius talionis, van het gelijk met gelijk, niet gebruiken. De doodslag is een publiek misdrijf. De misdadiger en de staat staan niet gelijk. De vergeldende macht staat boven de misdadiger. De vergelding wordt daarom tot tuchtiging. Daarin is iets van de geest der kerk van alle eeuwen.

Uw commissie houde mij mijn lange uiteenzetting ten goede. Het belang van de zaak bracht mij er toe.

Voetnoten

  1. a

    W. Moll, Kerkgeschiedenis van Nederland vóór de Hervorming, dl. 1, Utrecht 1864, p. 470 v.↩

  2. b

    Moll, a. w., dl. 1, p. 499.↩

  3. c

    Moll, a. w., dl. -2/4, Utrecht 1869, p. 152.↩

  4. d

    Moll, a. w., dl. 2/4,. p. 164.↩

  5. e

    Moll, a. w., dl. 2/4, p. 166.↩

  6. f

    Moll, a. w., dl.1, p. 510.↩

Eindnoten

  1. 1

    N. schreef zijn Memorie betreffende de doodstraf (door de red. alszodanig getiteld) als brief, dd. 25.11.45, ten behoeve van de hervormde Werkgroep 'Kerk en Overheid', die ter zake van de wederinvoering van de doodstraf geconsulteerd werd door de hervormde synode. Over de besluitvorming ter synode wordt in Documenten Nederlandse Hervormde Kerk 1945-1955, 's-Gravenhage 1955, p. 8 het volgende medegedeeld: "In de vergadering van 1 november 1945 worden moties en brieven behandeld van classicale besturen en 6 gemeenten over de wederinvoering van de doodstraf bij besluit Bijzondere Rechtspleging. De vraag, hoe de kerk hierover te oordelen heeft, wordt voorgelegd aan de werkgroep Kerk en Overheid, uitgebreid met de synodeleden prof. dr. K. H. Miskotte, prof. dr. S. F. H. J. Berkelbach van der Sprenkel, dr. M. van der Voet en ds. E. J. Beens. De vergadering van 12 december 1945 behandelt het advies van de werkgroep en de commissie. Op grond van Rom. 13 : 4 acht de meerderheid van de commissie de overheid gerechtigd de doodstraf uit te voeren. Een schrijven van dr. O. Noordmans, waarin hij het meerderheidsstandpunt van de commissie deelt, is bij de stukken gevoegd. Dat advies wordt verdedigd door ds. A. A. van Ruler, terwijl prof. dr. M. J. A. de Vrijer het minderheidsstandpunt uiteenzet. Het meerderheidsstandpunt wordt met 36 tegen 9 stemmen aanvaard. De synode besluit dit standpunt in een herderlijke brief aan de kerk kenbaar te maken. Prof. dr. K. H. Miskotte ontwerpt deze herderlijke brief, die in de zitting van 14 december, na enige bespreking, met 25 tegen 8 stemmen wordt aanvaard."De voornoemde herderlijke brief is opgenomen in Documenten, p. 8-13. Zie voor een verslag van de besprekingen over de doodstraf in de synode de Handelingen van de vergaderingen van de Generale Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk ten jare 1945146, 's-Gravenhage 1946, p. 57-73 (N.' Memorie staat afgedrukt op p. 61-63) en p. 118 vv. Zie voor een uitgebreide verantwoording van de meerderheidsvisie van de Werkgroep: A. A. van Ruler, Visie en Vaart, Amsterdam 1946, p. 200-396.

    In N.' Memorie is sprake van een eerder schrijven van N. aan de Werkgroep; dit is niet teruggevonden. Uit een brief van N., dd. 4.4.1946, aan de tweede secretaris van de hervormde synode, blijkt dat N. in dec. 1945 een artikel over de doodstraf gezonden heeft aan de redactie van De Herv. Kerk (waarschijnlijk is bedoeld het WNHK.): "... dit kon niet worden geplaatst en ik vroeg het terug. Daaraan werd voldaan..."; ook dit artikel is niet teruggevonden.↩

  2. 2

    G. Oorthuys (1876-1959) studeerde theologie te Leiden, waar hij in 1905 promoveerde op een proefschrift over De anthropologie van Zwingli. Hij was hervormd predikant in Brakel en Leiden, van 1910 tot zijn emeritaat in 1943 in Amsterdam. Voor de Tweede Wereldoorlog was hij lid van het hoofdbestuur van 'Kerkherstel'. Tijdens de oorlog was hij, als emeritus werkzaam in het pastoraat te Lunteren, lid van de Lunterse Kring. Sinds 1940 was bij lid van de Werkgroep 'Kerk en Overheid' en de Werkgroep 'Kerk en Prediking', en na 1945 ook lid van de commissie voor de nieuwe kerkorde.↩

  3. 3

    Vgl. Augustinus, Epistola CXXXIII (ad Marcellinum). MPL. 33, 509 (gehele brief 509 v.); CSEL. 44, 81 v. (gehele brief 80-84): "... nolumus ... passiones servorum dei quasi vice talionis paribus suppliciis vindicari, non quo scelestis hominibus licentiam facinorum prohibeamus auferri, sed hoc magis sufficere volumus, ut vivi et nulla corporis parte truncati vel ab inquietudina insana ad sanitatis otium legum cohercitione dirigantur vel a malignis operibus alicui utili operi deputentur. (vocatur quidem et ista damnatio, sed quis non intellegat magis beneficium quam supplicium nuncupandum, ubi nec saeviendi relaxetur audacia nec paenitendi medicina subtrahatur?) Imple, Christiane iudex, pii patris officium, sic suscense iniquitati, ut consulere humanitati memineris nec in peccatorum atrocitatibus exerceas ulciscendi libidinem, sed peccatorum vulneribus curandi adhibeas voluntatem."↩

  4. 4

    W. Moll (1812-1879) was van 1846-1877 hoogleraar dogmatiek, exegese en kerkgeschiedenis en van 1877-1879 hoogleraar in de kerkgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In 1864 verscheen het eerste deel van zijn opus magnum Kerkgeschiedenis van Nederland vóór de Hervorming (2 dln. met algemeen register en register van bouwstoffen, 6 st., Arnhem-Utrecht 1864-1871). Het boek werd alom gunstig ontvangen, ook in het buitenland. Zie over M. het Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme, dl. 1, Kampen 1978, p. 188-190.↩

  5. 5

    K. Müller, Kirchengeschichte, dl. 1, Freiburg im Breisgau 1892, p. 224: "Durch nichts anderes vielleicht hat die Kirche so tief im Volk Wurzel gefasst, als durch ihre richterliche Arbeit." Zie over Müller VW., dl. 3, p. 196 v., noot 46.↩

  6. 6

    Müller, a. w., p. 226: "... so lässt sich allerdings behaupten, dass die Kirche die von Konstantin ihr zugedachte Aufgabe, die Gesellschaft des Reichs noch einmal zusammenzuhalten, erfüllt, aber auch dass sie auf dem besten Wege ist, den Staat aus seiner sozialen Stellung zu verdringen, sich an die Stelle des Reichs zu setzen."↩

  7. 7

    Calvijns exegese van Gen. 9 : 3-7 is opgenomen in CR. 51, 144-147.↩

  8. 8

    Vgl. CR. 51, 144: "Hoc merito pluris nobis esse debet, quod carne animalium vescimur, id nobis Dei beneficio concessum esse: nos non rapere more praedonum quod libido nostra appetit, nec tyrannice fundere innoxium sanquinem pecudum: sed tantum sumere quod manu Domini oblatum est,"↩

  9. 9

    Rom. 12 19.↩

  10. 10

    Luk. 23 43.↩

  11. 11

    W. Wundt, Ethik. Eine Untersuchung der Tatsachen und Gesetze des sittlichen Lebens, 3 dln., Stuttgart 19124. Noordmans bezat een exemplaar van deze uitgave. Zie over Wundt VW., dl. 1, p. 355, noot 9.↩

  12. 12

    Vgl. in verband met het volgende W. J. Aalders, Handboek der ethiek, Amsterdam 1941, p. 344 v.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Verkondiging en WijdingInhoudMemorandum aangaande de processie →