O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Memorie betreffende de doodstrafInhoudGod op straat? →

Verzamelde Werken, deel 6 · p. 560–562

Memorandum aangaande de processie1

Nu na de oorlog in rooms-katholieke kringen steeds sterker de wens opkomt om het processieverbod2 opgeheven te krijgen, en deze wens ook reeds politieke en juridische vormen heeft aangenomen, kunnen wij ook van de nederlandse hervormde zijde de bepaling van onze houding hiertegenover niet langer uitstellen. Maar deze zaak heeft zulke diepe wortels en staat in zulk een wijde samenhang, dat het volstrekt ongeoorloofd is, bij de bepaling onzer houding af te gaan op onze persoonlijke, al of niet welwillende, stemmingen en gevoelens. De vraag of wij pro dan wel contra de opheffing van het processieverbod moeten zijn, is alleen zuiver te beantwoorden, wanneer wij ons helder voor ogen stellen enerzijds wat een processie is en anderzijds wat de roeping der overheid is.

De processie is iets totaal anders dan de straatevangelisatie of de politieke optocht. Deze beide laatste activiteiten kan men beschouwen als vorm van een, al dan niet geseculariseerde, verkondiging.

Zij houden een oproep aan het straatpubliek in. Niet minder. Maar ook niet meer. Men kan zich aan deze oproep onttrekken en doorlopen. Die mogelijkheid is met het wezen van dit appèl gegeven. En wie appelleert, rekent daarmee.

De processie is geen vorm van verkondiging. Ze stelt niet voor een beslissing. Ze is de vorm waarin een reeds gevallen beslissing de ruimte van het publieke leven wil vullen. Hier wordt Jezus Christus in broodsgedaante uit de kerk op de straat gebracht.

Hier wordt het allerheiligste feestelijk rondgedragen. Daarbij wordt geen keuze meer verwacht en zeker geen afwijzing verdragen, maar slechts op knielende aanbidding gerekend. Hier komt de kerk op de straat. Hier wordt de straat tot kerk. Het rooms-katholieke geloof legt zich hier absolutistisch op, en wel op het terrein dat alle burgers gemeen is.

Dit absolutistisch karakter der processie is met haar wezen gegeven. De heerschappij van Christus door Woord en Geest betekent wel een totale oproep maar legt zich niet als een absoluut feit op. Het wordt echter anders, wanneer deze heerschappij op rooms-katholieke wijze wordt verstaan en verwerkelijkt. Wanneer deze heerschappij zozeer ingaat en opgaat in aardse elementen, in sacrament, instituut en ambt, wanneer er zo door de priester over Christus in broodsgedaante kan worden beschikt, dan wordt de Christusheerschappij op een voortijdige en ongeestelijke wijze verwerkelijkt en denatureert ze tot een absolutistische dwang. Alleen waar de soevereine vrijmacht van Gods Geest tegenover alle aardse elementen wordt beleden, daar kan ook haar correlaat, de vrije beslissing van de mens, worden gerespecteerd. De processie op straat is echter symptoom en resultaat van zulk een absolutistische opvatting der Christusheerschappij, waardoor aan het eerste en aan het tweede gebod geen recht meer wordt gedaan.

De overheid heeft de roeping om op hare wijze en binnen de grenzen harer bevoegdheid, het publieke leven te ordenen in overeenstemming met deze heerschappij Gods, die gepredikt en geloofd wil worden. Ze heeft er voor te waken, dat deze heerschappij vrij kan worden gepredikt en vrij kan worden geloofd. Daarom heeft ze op te komen voor de vrijheid als voor de sfeer die bij de verkondiging past, voor de vrijheid als voor de mogelijkheid om een echte beslissing te nemen, om werkelijk ja en werkelijk neen te kunnen zeggen.

Is het processieverbod met deze vrijheid dan niet in strijd? Integendeel. Want de processie zelf is de loochening dezer vrijheid. Deze vrijheid houdt in, dat de rooms-katholieke volksgenoten recht hebben op gewetens-, cultus- en propagandavrijheid. Maar de vrijheid om de straat tot kerk te maken, zou juist een aanslag op deze vrijheid zijn. Niet de tegenstand tegen opheffing van het processieverbod is intolerant, maar juist het verzoek tot opheffing. De vrijheid om op de straten van Nederland processies te houden, zou de vrijheid der anderen opheffen, om op de straat zichzelf te zijn. Daarom betreuren wij het processieverbod niet, wel het feit, dat dit gebod slechts gedeeltelijk bestaat. Tegen elke uitbreiding hebben wij ons te verzetten door de overheid er aan te herinneren, dat zij de handhaafster der vrijheid in het publieke leven is.

Van rooms-katholieke zijde wordt wel opgemerkt, dat men ook ten opzichte van de straatprocessie zijn vrijheid behoudt. Men kan, zo wordt gezegd, tegenover dit gebeuren innerlijk en uiterlijk neutraal staan ofwel het geheel negeren. Deze mogelijkheid kan echter niet verder reiken dan bij een deelneming aan de kerkdienst. Want de straat is hier in een onzichtbaar kerkgebouw herschapen. Het eenvoudige rooms-katholieke kerkvolk voelt beter aan, waarom het gaat en neemt meermalen een dreigende houding aan tegenover toeschouwers die zich aan de aanbidding onttrekken. Wie de processie afwijst en geen aanstoot wil geven, is genoopt een andere weg te kiezen. Want de straten waar het allerheiligste wordt rondgedragen en aanbeden, zijn niet meer voor hen.

Met het processieverbod staat heel onze staats- en levensorde op het spel. De processie is immers de voorloopster van wat ons te wachten staat, als het rooms-katholieke absolutisme heel het publieke leven voor zich opeist. Waar het rooms-katholicisme de overmacht heeft, is voor andersdenkenden niet meer speelruimte dan ze op straat hebben, wanneer ze een processie zien. Wij houden er ons van overtuigd, dat wij om des gewetens wille, protesterende tegen de straatprocessie, tevens opkomen voor wat Nederland tot Nederland heeft gemaakt, voor wat alle burgers gemeen en dierbaar is. Democratie kan niet rusten op een leeg en formeel vrijheidsbegrip. Een land waar allen vrij zijn om alles te doen, verliest de echte vrijheid. Daarmee kan ook het rooms-katholicisme niet gediend zijn. Wij pleiten voor die vrijheid om vrijwillig ja en neen te zeggen, waarvan ook de Rooms-Katholieke Kerk zozeer heeft geprofiteerd en waarin ook zij kan bloeien en tieren. Door deze sfeer aan te tasten, denatureert zij zelf tot een absolutistisch stelsel, waarbij (naar de ervaring in andere landen bewijst) haar geestelijk gezag in dezelfde mate verloren gaat.

Eindnoten

  1. 1

    In de wetenschap dat het vraagstuk van de processievrijbeid bij de komende algemene grondwetsherziening aan de orde zou komen, richtte het Contact in overheidszaken van de Oecumenische Raad van Kerken in Nederland (omvattende de Ned. Hervormde Kerk, de Ev. Lutherse Kerk, de Herst. Ev. Lutherse Kerk, de Doopsgezinde Gemeenten, de Rem. Broederschap, de Oud Katholieke Kerk, de Unie van Bapt. Gemeenten, de Bond van Vrije Evang. Gemeenten) met de Geref. Kerken en de Chr. Geref. Kerken aan de Raad van Ministers een brief, dd. 9.4.1949, met het verzoek, de mogelijkheid van het houden van processies niet te verruimen. Deze brief werd op 26 april 1949 door de Generale Synode der N. H. Kerk aan de kerkeraden ter kennisname gezonden. Het Memorandum aangaande de processie van de hand van Noordmans werd (anoniem) eraan toegevoegd. Dit Memorandum werd tevens (anoniem) opgenomen als bijlage bij het Herderlijk Schrijven betreffende het rooms-katholicisme, dat de Generale Synode op 23 maart 1950 zou doen uitgaan. Vgl. Documenten Nederlandse Hervormde Kerk 1945-1955, 's-Gravenhage z.j., p. 71-75, 129.↩

  2. 2

    Het processieverbod berust op het in art. 184 van de Grondwet (1848) vastgelegde verbod om buiten gebouwen en besloten plaatsen een openbare godsdienstoefening te houden wanneer deze de openbare orde en rust verstoort, en daar waar deze in 1848 volgens de toen vigerende wetten en reglementen niet was toegestaan. Het tweede lid van art. 184 slaat op een Franse wet en een Koninklijk Besluit van 23 april 1822, waarbij voor de noordelijke provincies het houden van processies alleen werd toegestaan daar waar zulks altijd, zonder enige onderbreking, had plaatsgehad. Op art. 184 sluit aan art. 6 van de Wet op de kerkgenootschappen van 1853. Alle sindsdien ondernomen pogingen om het verbod ongedaan te maken zijn niet geslaagd.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Memorie betreffende de doodstrafInhoudGod op straat? →