God op straat?1
Bij de grondwetsherziening zal ook de vraag aan de orde komen of het processieverbod uit die wet zal komen te vervallen.2 Voor de betrokkenen dat zijn alle Nederlanders - is de uitslag uitermate belangrijk. Daarom zal het nodig zijn, dat in de discussie de rechte argumenten naar voren worden gebracht. Men ziet namelijk vaak, dat, wanneer het gaat om dingen, die voor de hele levenssfeer bepalend zijn, futiele redenen worden aangevoerd, die geen draagwijdte genoeg hebben om bij de bedoelde zaken te kunnen dienen.
Zo komt men thans, in verband met het processieverbod, aan met de eisen der verdraagzaamheid. Men doet alsof, bij de emancipatie van de roomsen in de Noordelijke Nederlanden, de processies achterstallig zijn gebleven en dat deze lacune - althans in beginsel - thans moet worden opgevuld. Dit zou de feestelijke bekroning moeten worden van de 'honderd jaren kromstaf'.3 Het verzet daartegen zou, zo meent men, voortkomen uit een politieke enghartigheid, die als een overblijfsel uit de zestiende-eeuwse religiekamp zou moeten worden beschouwd.
Dit nu acht ik de grootste misvatting, die men bij de beschouwing van deze materie zou kunnen maken. Er zijn zaken van existentie en van geloof, die veel te diep in het leven liggen ingebed, dan dat ze onder de regels van de moraal, in dit geval de politieke moraal, tot hun recht zouden kunnen komen. Roomsen en protestanten, beide hebben in de schoolstrijd samen een halve eeuw gevochten tegen de liberale zgn. verdraagzaamheid, toen zij opkwamen voor de rechten van deze diepere levensterreinen. Wij zullen straks zien, hoezeer de roomsen zelf ook thans weer te kort zouden komen, als zij goedvonden, dat de verhouding van God tot de straat werd bepaald, enkel onder het gezichtspunt van een politie-verordening, alsof hij een van de passanten was, die op de rode en groene lichten moeten letten.
Een dergelijke vervlakking van de hoogste en diepste dingen des levens, zoals die aan een bepaalde periode van het liberalisme eigen was, meenden wij nu langzamerhand wel te boven te zijn. De verdraagzaamheid die daarmee samengaat, kan leiden tot de meest ongerijmde eisen, die men een volk of groep stelt. Zij kan leiden tot de eis van zelfmoord. Men zou van een Jood kunnen vragen mee te werken aan de bouw van gaskamers, omdat deze kamers nu eenmaal behoren tot de instellingen van zekere totalitaire staatsbeschouwingen. ⚑Er zijn dingen die op het terrein van een horizontaal gestrekte moraal niet kunnen worden opgelost. Soms is het 'naast-elkaar' niet mogelijk. Dan gelden er verticaal gerichte argumenten, op de wijze van een eruptie. Het ene wordt boven het andere gezet en dan wordt er grond onder de voeten van allen geformeerd. De fraaie emancipatie van de roomsen in ons land, met als bekroning een eigen universiteit, aan welke vrijmaking de protestanten tot op zekere hoogte hun vreugde kunnen beleven - deze emancipatie zou in die vorm niet mogelijk geweest zijn, als de Reformatie boven de Moerdijk de processies niet van de straat verjaagd had en voor de roomsen, evengoed als voor de protestanten, die heldere openbaarheid geschapen had, die vrijheid van de straat, die klaarheid van de levenssfeer, die in Noord-Nederland aan de mensen een zekere blijheid hebben geschonken. Een blijheid van andere aard dan de lol van het carnaval in het Zuiden. Ik ben overtuigd dat onze roomse broeders in de Zeven Provinciën, van de kardinaal tot de koorknaap, deze appreciatie innerlijk met mij delen.
Wanneer wij thans, in plaats van in deze atmosfeer samen te ademen, op de platte bodem tegen elkaar zouden gaan staan dringen, dan zou dat een anachronisme van de eerste orde worden. Wij zouden met onze nationale existentie omgaan alsof die niet geschapen en gegeven was, maar nog gemaakt moest worden. De verticale dimensie en de argumenten die daarin gelden, zouden wij uit het oog verliezen. Wij zouden vergeten dat die argumenten creatief zijn en voor ons beiden evengoed gelden. Dat men er niet op kan terugkomen, zonder verwoestingen aan te richten. De wijze van Gods doen op straat, zoals wij die na de Reformatie kennen, is een groot goed, dat niet in discussie kan worden gebracht. Zij schept een ruimte, ook voor roomsen, die Rome niet aan de protestanten kan reciproceren. Hier blijkt weer eens, nu ook op het terrein van het openbare leven, dat Genève ruimer en meer omvattend is dan Rome en niet andersom, zoals de katholiserende richting ons wil doen geloven.
Wanneer wij gehoor zouden geven aan degenen die ons zouden willen overhalen om, op grond van wat ik de kleine, liberaliserende, moraliserende en redenerende tolerantie zou willen noemen, op dit terrein toe te geven, dan zouden wij medewerken aan de afbraak van de grote, scheppende verdraagzaamheid Gods, waarmee Hij op de straat verkeert. Die teruggetogenheid in het publiek, waarbij Hij zich aan niemand opdringt. Daardoor wordt een koele sfeer geschapen, die nu al vier eeuwen lang velen heeft aangetrokken. Mannen als Descartes en Spinoza hielden van onze straten. Zullen wij nu deze geschapen verdraagzaamheid opofferen aan een beredeneerde tolerantie, waarvan niemand boven de Moerdijk wil zou hebben? Zouden onze calviniserende roomsen dit kosmisch anachronisme voor hun rekening willen nemen? ⚑Het is ook een politiek en kerkelijk anachronisme. Koning Willem 1 heeft negen jaar in Brabant gelegen.4 De dingen stonden toen geheel op een politieke noemer. Zou men nu werkelijk kunnen wensen dat nu, na meer dan een eeuw, de Belgen achteraf toch nog over de Moerdijk zouden trekken om het hart van Holland te bezetten? Zouden onze romaniserende calvinisten zoiets als vrucht van hun 'honderd jaren' kunnen begeren en niet iets veel beters? Hebben Schaepman en Kuyper elkaar nooit aangekeken?5 En bestaan er heden ten dage ook niet zulke verhoudingen? De kracht van Rome ligt op oecumenisch gebied en daar zoeke het z'n vijf-tenhonderd. Niet in een terugzetten van Gods klokken in de politiek.