O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← God op straat?InhoudMemorie betreffende de eed →

Verzamelde Werken, deel 6 · p. 566–567

Memorie betreffende de vrijstelling van militaire dienstplicht voor de theologen1

Gaarne wil ik enkele kanttekenen maken bij uw concept-rapport over vrijstelling theologen van dienstplicht. Ik heb indertijd de artikelen van Faber gelezen.2

Laat mij dadelijk mijn hoofdbezwaar tegen uw concept mogen noemen. In de laatste alinea op p. 2 schrijft uw commissie, dat het niet mogelijk is met welomlijnde voorstellen te komen, omdat een consensus over het ambt ontbreekt. Mijns inziens moet de zaak toch, al ontbreekt een consensus, van het ambt uit bezien worden. Een commissie uit de Oecumenische Raad mag zich niet uit de ambtelijke gezichtshoek laten dringen door een verlegenheid in onze ambtsbeschouwing. Daarvoor zijn ambt en oecumene te zeer verbonden.

In alinea 2 van p. 2 schrijft uw commissie, dat naar evangelische maatstaf de vrijstelling verwerpelijk is. Maar een Oecumenische Raad kan niet achter de rug van de apostelen, de ambtsdragers, om, evangelische maatstaven gaan aanleggen. Daarvoor rust de oecumene te zeer op het apostolaat. De Handelingen staan niet voor niets achter de evangeliën.

Daarom acht ik ook het op p. 2 onder a. voorgedragen verschil tussen Rome en ons op dit punt, te absoluut genomen.3 Ons hoofdbezwaar tegen Rome is, dat het de ambtelijke bevoegdheden concentreert in de paus. Dat verder door Rome een geestelijke stand wordt aangenomen, vindt zijn reden niet eigenlijk in de ambtsbeschouwing, maar in de avondmaalsleer. Een pastoor is ook pastor, herder, en in vele opzichten is hij een dominee.

Nu hebt u het ambtelijke vrijwel uitgeschakeld en bent daardoor genoodzaakt geworden uw argumenten elders anders te zoeken. U meent dit in het Evangelie gedaan te hebben, maar in werkelijkheid zijn het toch algemene gezichtspunten, die u naar voren brengt. Zo p. 2 onder b. de solidariteit; d. de persoonlijke onmisbaarheid enz.4

Implicite erkent uw commissie, dat zulke overwegingen niet doorslaande zijn. Immers zij vindt geen vrijmoedigheid tot een voorstel tot afschaffing. Zij erkent daarmee natuurlijk ook, dat de afschaffing geen evangelisch gebod is en toch schrijft u, dat, naar evangelische maatstaven, de vrijstelling onjuist is en verwerpelijk. Tot deze verwarring komt uw commissie door het verwaarlozen van het ambtelijke.

Het is een geweldige vraag, die hier om antwoord aanklopt. Namelijk of de dienaren van de Vredesvorst, die het zwaard des Woords voeren, het wereldse zwaard mogen dragen: of Petrus Maichus het oor mag afslaan.5 ⚑Hier springen natuurlijk honderd andere vragen mee naar voren. Maar deze éne vraag moet in dit verband toch even rustig staan.

De leer der twee zwaarden is niet maar een pauselijk bedenksel, maar is in 't wezen der kerk gegrond.6

De ambtelijke maatstaven dragen een eigen karakter. Wanneer men die laat varen en de weg opgaat van algemeen-menselijke overwegingen, die men dan voor evangelisch kan verklaren, zonder dat ze het zijn, dan komt men tot vreemde uitkomsten. Kan dezelfde hand, die zes dagen bloed vergiet, op de zondag het Avondmaal bedienen? Het Evangelie prediken?

Maar de anderen dan? zal men zeggen. Maar is er nergens een grens? Moeten wij in onze tijd op seculaire argumenten besluiten de laatste - of de eerste - grenspaal tussen de wereld en de afgrond weg te nemen? Moet de inspraak van het bloed de inspiratie van de Geest nu geheel het zwijgen opleggen? Moet Petrus het zwaard nemen?

Dat is de vraag die de kerk oecumenisch te beantwoorden heeft. Zij is ons even goed aangaande als Rome. En Rome evengoed als ons.

Hiermee meen ik dan enigermate aan het verzoek uwer commissie te hebben voldaan. Het lijkt mij dat dit vraagstuk er een is van de eerste orde en dat het alleen zou mogen worden behandeld in een zo breed mogelijk oecumenisch verband. Er is hier geen verschil tussen pastoor en pastor.

De gewetensconflicten, die op dit gebied in onze tijd scherper worden, moeten niet verder worden geïndividualiseerd. Men moet de herder niet in het water gooien om de schapen te redden. De seculiere solidariteitsgedachte schijnt dit te vorderen. Maar in de oecumene gelden andere maatstaven.

Eindnoten

  1. 1

    N. schreef zijn Memorie betreffende de vrijstelling van militaire dienstplicht voor de theologen (door de red. alszodanig getiteld) als brief, dd. 25.10.1950, aan de Commissie, ingesteld door de Oecumenische Raad van Kerken in Nederland ter bestudering van het vraagstuk'Vrijstelling van militaire dienstplicht voor de theologen' (en aangevuld met de leden van een met gelijke bedoeling door de Generale Synode der N.H. Kerk ingestelde Commissie). De secretaris van de Commissie, ds. J. B. Th. Hugenholtz, toenmalig hervormd predikant te Ammerstol, had Noordmans in een brief, dd. 21.10.1950, om zijn hulp gevraagd voor het volgende: "De Commissie van de oecumenische Raad, ingesteld om een rapport uit te brengen inzake het vraagstuk van de vrijstelling van de militaire dienstplicht der theologen is met haar arbeid gereed gekomen. Zij is zich echter bewust, dat vooral het vraagstuk van het ambt nadere overweging verdient. Gaarne zouden wij van u een uitspraak horen over de theologische, bijbelse en exegetische gezichtspunten die in het stuk verwaarloosd zijn en wat uw mening in het licht hiervan over het onderhavige vraagstuk is. Wij sluiten u een exemplaar van het rapport bij en hopen, dat u aan onze wens zult kunnen voldoen ..."

    Noordmans ondertekende zijn brief aan de Commissie met de zinsnede "met grote belangstelling voor de arbeid uwer commissie, uw d.w. O. Noordmans".

    De Commissie heeft tevens adviezen ingewonnen bij dr. W. Aalders, prof. dr. Th. L. Haitjema, prof. dr. K. H. Miskotte, prof. dr. A. A. van Ruler, dr. G. J. Woelderink. in het rapport van de Commissie aan de Oecumenische Raad, dd. 8.2.1951, wordt over de adviezen van de genoemde personen (behoudens Miskotte, wiens brief dateert van 14.2.1951) het volgende opgemerkt: "Hieruit blijkt, dat Woelderink, Aalders en Noordmans tot de conclusie komen, dat dienstplicht en ambt onverenigbaar zijn (van theologische studenten wordt hier niet gesproken) terwijl Haitjema en Van Ruler een dusdanige opvatting van het ambt niet delen. Deze heren zien voor de vrijstelling geen enkele justivering." Aan het slot van het rapport staat: "De commissie heeft eerbied voor de visie op het ambt van de heren Woelderink, Noordmans en Aalders- al wordtzij niet o.m. door de heren Van Ruler en Haitjema en ook niet door alle leden onzer commissie gedeeld." De leden van de Commissie waren: ds. A. Faber (Boksum), ds. W. J. Fournier (Eindhoven), ds. W. van Gelder (Eindhoven), mr. A. H. Heering (Den Haag), ds. J. B. Th. Hugenholtz (Ammerstol), ds. J. C. Koningsberger (Amsterdam), prof. dr. G. C. van Niftrik (Amsterdam), mr. F. L. S. F. Baron van Tuyll van Scrooskerken (Den Haag). Al de genoemde stukken berusten in het Archief van de Oecumenische Raad (opgenomen in het Archief van de N.H. Kerk).↩

  2. 2

    In enkele artikelen, o.m. Onhoudbaar privilege, in Het Orgaan van de Bond van Nederlandse predikanten 26 (febr. 1949) nr. 2, p. 3 v.; Eerste reactie, in Het Orgaan 26 (maart/april 1949) nr. 3/4, p. 12 v.; De vrijstelling van militaire dienst, in WNHK. 33 (4 juni 1949) nr. 23, p. 90 v., riep ds. A. Faber, toenmalig hervormd predikant te Boksum, de vraag op of de collega-predikanten het privilege, dat zij vrijgesteld zijn van militaire dienst, nog konden aanvaarden. Deze artikelen ontlokten tientallen reacties van theologen van alle richtingen, die pleitten voor afschaffing van de vrijstelling, omdat deze als een onbillijk privilege werd gevoeld. Ds. Faber was lid van de Commissie die Noordmans om advies vroeg.↩

  3. 3

    In het concept-rapport staat op p. 2 onder a.: "De erkenning van een geestelijke stand en de daaruit voortvloeiende ambtsopvatting, zoals deze door de R.-K. Kerk worden gesteld, zijn vanuit reformatorisch standpunt niet aanvaardbaar."↩

  4. 4

    In het concept-rapport staat op p. 2 onder b.: "Bij de huidige stand van zaken kan van een privilege voor de theologen gesproken worden, althans zo wordt het aangevoeld door de buitenwereld. De lasten en zorgen" die aan ieder ander lid van de maatschappij worden opgelegd, mogen niet worden onthouden aan de theologen. Zij hebben solidair te midden van volk en gemeenteleden te staan en mede te dragen wat aan hen wordt opgelegd." Op p.2 onder d. wordt opgemerkt: "dat - al zal in verscheidene gemeenten sprake zijn van persoonlijke onmisbaarheid van de predikant, en al zal de beoordeling van een dergelijke situatie slechts aan de kerk en niet aan de staat openstaan - hierin toch geen reden kan liggen tot een speciale behandeling van de theologen naast de wettelijke wegen tot vrijstelling van andere onmisbare figuren voor staat en maatschappij."↩

  5. 5

    Vgl. Joh. 18 : 10.↩

  6. 6

    Het beeld van de twee zwaarden (Luk. 22 : 38) wordt gebezigd als symbool van de tweeerlei macht, de geestelijke en de wereldlijke. De verhouding van wereldlijke en geestelijke macht, bijv. van keizer en paus, is voortdurend aan verandering onderhevig (geweest). Vgl. voor de middeleeuwen C. C. de Bruin, Handboek der kerkgeschiedenis, dl. 2, Den Haag 1965,4 p.185 v.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← God op straat?InhoudMemorie betreffende de eed →