Memorie betreffende de vrijstelling van militaire dienstplicht voor de theologen1
Gaarne wil ik enkele kanttekenen maken bij uw concept-rapport over vrijstelling theologen van dienstplicht. Ik heb indertijd de artikelen van Faber gelezen.2
Laat mij dadelijk mijn hoofdbezwaar tegen uw concept mogen noemen. In de laatste alinea op p. 2 schrijft uw commissie, dat het niet mogelijk is met welomlijnde voorstellen te komen, omdat een consensus over het ambt ontbreekt. Mijns inziens moet de zaak toch, al ontbreekt een consensus, van het ambt uit bezien worden. Een commissie uit de Oecumenische Raad mag zich niet uit de ambtelijke gezichtshoek laten dringen door een verlegenheid in onze ambtsbeschouwing. Daarvoor zijn ambt en oecumene te zeer verbonden.
In alinea 2 van p. 2 schrijft uw commissie, dat naar evangelische maatstaf de vrijstelling verwerpelijk is. Maar een Oecumenische Raad kan niet achter de rug van de apostelen, de ambtsdragers, om, evangelische maatstaven gaan aanleggen. Daarvoor rust de oecumene te zeer op het apostolaat. De Handelingen staan niet voor niets achter de evangeliën.
Daarom acht ik ook het op p. 2 onder a. voorgedragen verschil tussen Rome en ons op dit punt, te absoluut genomen.3 Ons hoofdbezwaar tegen Rome is, dat het de ambtelijke bevoegdheden concentreert in de paus. Dat verder door Rome een geestelijke stand wordt aangenomen, vindt zijn reden niet eigenlijk in de ambtsbeschouwing, maar in de avondmaalsleer. Een pastoor is ook pastor, herder, en in vele opzichten is hij een dominee.
Nu hebt u het ambtelijke vrijwel uitgeschakeld en bent daardoor genoodzaakt geworden uw argumenten elders anders te zoeken. U meent dit in het Evangelie gedaan te hebben, maar in werkelijkheid zijn het toch algemene gezichtspunten, die u naar voren brengt. Zo p. 2 onder b. de solidariteit; d. de persoonlijke onmisbaarheid enz.4
Implicite erkent uw commissie, dat zulke overwegingen niet doorslaande zijn. Immers zij vindt geen vrijmoedigheid tot een voorstel tot afschaffing. Zij erkent daarmee natuurlijk ook, dat de afschaffing geen evangelisch gebod is en toch schrijft u, dat, naar evangelische maatstaven, de vrijstelling onjuist is en verwerpelijk. Tot deze verwarring komt uw commissie door het verwaarlozen van het ambtelijke.
Het is een geweldige vraag, die hier om antwoord aanklopt. Namelijk of de dienaren van de Vredesvorst, die het zwaard des Woords voeren, het wereldse zwaard mogen dragen: of Petrus Maichus het oor mag afslaan.5 ⚑Hier springen natuurlijk honderd andere vragen mee naar voren. Maar deze éne vraag moet in dit verband toch even rustig staan.
De leer der twee zwaarden is niet maar een pauselijk bedenksel, maar is in 't wezen der kerk gegrond.6
De ambtelijke maatstaven dragen een eigen karakter. Wanneer men die laat varen en de weg opgaat van algemeen-menselijke overwegingen, die men dan voor evangelisch kan verklaren, zonder dat ze het zijn, dan komt men tot vreemde uitkomsten. Kan dezelfde hand, die zes dagen bloed vergiet, op de zondag het Avondmaal bedienen? Het Evangelie prediken?
Maar de anderen dan? zal men zeggen. Maar is er nergens een grens? Moeten wij in onze tijd op seculaire argumenten besluiten de laatste - of de eerste - grenspaal tussen de wereld en de afgrond weg te nemen? Moet de inspraak van het bloed de inspiratie van de Geest nu geheel het zwijgen opleggen? Moet Petrus het zwaard nemen?
Dat is de vraag die de kerk oecumenisch te beantwoorden heeft. Zij is ons even goed aangaande als Rome. En Rome evengoed als ons.
Hiermee meen ik dan enigermate aan het verzoek uwer commissie te hebben voldaan. Het lijkt mij dat dit vraagstuk er een is van de eerste orde en dat het alleen zou mogen worden behandeld in een zo breed mogelijk oecumenisch verband. Er is hier geen verschil tussen pastoor en pastor.
De gewetensconflicten, die op dit gebied in onze tijd scherper worden, moeten niet verder worden geïndividualiseerd. Men moet de herder niet in het water gooien om de schapen te redden. De seculiere solidariteitsgedachte schijnt dit te vorderen. Maar in de oecumene gelden andere maatstaven.