Twijfel en zekerheid1
Bij de algemene daling van de koersen in onze tijd - niet alleen op de beurs, maar ook in de moraal - zijn er misschien nog enkele papieren die hoog staan. Ook wel die van de eerlijke twijfelaar. Er zullen weinigen zijn, die hem geen krediet willen geven. Sommigen vinden misschien, dat de wissels, die hij op de eeuwigheid trekt, het zekerst gehonoreerd zullen worden.
Men vergeve mij deze boutade, waarvoor intussen wel enig recht is. Het twijfelen inzake geestelijke dingen is een methode, die echter niet altijd zo hoog aangeschreven stond. In de bijbel zou men heel weinig teksten kunnen vinden, die hem aanprijzen. Zinswendingen als: 'ik betwijfel of.. .' komt men er niet tegen. Wel komt men in de bijbel de twijfel zelf tegen, maar dan als een voorstadium van naderende val. Psalm 73 beschrijft hem als een bijna uitglijden en in Genesis 3 is het de reet, waardoor Satan zijn adem in de ziel van onze stammoeder blies. - Eerder is in de bijbel zekerheid het hoogste begrip. 'Ik ben verzekerd, dat . . .'
Twijfel kan vaak een sport zijn. Men meent de tijd te hebben om waarheid te vinden. De kunst om de waarheid te leren kennen is lang en het leven is ook lang.2 Dies twijfelt men levenslang. Dialectiek is een pittig balspel. Men ziet de bal komen en kaatst hem weer terug. Er is ruimte in de ziel en zij is leeg genoeg. Er is geen gevaar, dat kostbaar erfgoed in gruizelen zal raken. Bovendien is het ook een nuttig werk. Als de kikker lang genoeg in de melk heeft rondgezwommen, komt hij - naar een heden ten dage geliefde gelijkenis - vast wel op een klontje boter te zitten. Dat is beter dan in de zekerheden te verdrinken. Met enige jaren twijfelen kan men best zo ver komen, dat men ook een leven na dit leven toch waarschijnlijker acht dan een ledig. Als Faust gecatechiseerd wordt, vallen de antwoorden nog niet tegen. Bijvoorbeeld: dat Jezus er toch wel geweest is. Of, dat er wel wat bestaat. Daar tegenover staat, dat zekerheid een trage geest verraadt. Men zegt: misschien was vastheid in de tijd van onze grootouders goed, maar nu zeggen wij tot hen: 'wij, wij zijn zo gerust niet als gij!' Oude waarheid is ons niet goed genoeg. Wij zoeken de nieuwe waarheid. Genade is geen erfgoed. Verwerven moet men ze om haar te bezitten. De trage menigte is nog wel zo, dat zij vasthoudt aan haar geijkte termen. De mensen hebben hun spreekwijzen, spreekwoorden en ook hun geijkte waarheden, maar wij hebben geleerd problemen te zien.
Wat is al niet tot een probleem geworden? - Ik denk aan die student, die theologie zou gaan studeren en die bij prof. La Saussaye zijn bezwaren inbracht. 'Daar is al dadelijk die kwestie van God.'3
Op deze manier wil ik niet doorgaan. Helemaal billijk is het ook niet. Maar ik herhaal: er is reden om ook eens in deze toon over twijfel en zekerheid te spreken. Toch komen we zo niet bij de echte twijfel. Het is de twijfel in een kooi; niet het roofdier in de natuur. Het is een spel van geblaseerde mensen en geen echte geschiedenis van de geest. De echte twijfel laat niet met zich spelen. De echte twijfel is de ontbinding van de ziel zelve. Als de ene gedachte achter de andere dekking zoekt en ze niet vindt, dat is een vlucht. Bergen en heuvelen, valt op ons.
Drie twijfelaars stel ik u nu voor ogen: Montaigne, Descartes, Job. Zij vertegenwoordigen de natuurlijke, de wetenschappelijke en de godsdienstige twijfel. Over Montaigne zal ik iets meer zeggen dan over Descartes. En over Job helemaal niets. Voor hem zal ik een vrouw nemen, maar niet de vrouw van Job!
Montaigne4 is een zoon van de Renaissance - een Franse zoon. Meer om levenskunst dan om overtuiging is het hem te doen. Het is de persoonlijke invloed van de oudheid, met name de briefwisseling van Cicero, die hier zijn stempel zet: zijn omgang met vrienden, de manier waarop hij als een kunstenaar staat tegenover zijn eigen persoonlijkheid en waarop hij overlegde met opgelegde plichten. Hij was een boekenvriend evenzeer als een mensenvriend. In zijn familiaire manier van leven nam de vriendschap een brede plaats in. De eer - meer dan Gods gebod - was hem de norm van gedrag. In Frankrijk was de Renaissance vlakker, maar ook gematigder dan in Italië. Men beoefende onafhankelijkheid en bewegelijkheid binnen de samenleving en stelde zich niet revolutionair op. Het was de levenskunst van het epicurisme. Montaigne, die leefde van 1533-1592, is de Franse mens (de Parijzenaar!). Hij bestrijdt de verstarde cultuur, de, autoriteit, maar voor het overige laat hij alles bestaan, zoals het is. Hij zoekt een mens-zijn, dat innerlijk vrij is van banden, waar kritische reflectie een wisseling van vormen toont en dat de toevalligheid van menselijke instellingen en inrichtingen doorziet. Hij houdt het op de onzekerheid van ons weten, de subjectiviteit van onze meningen. En in zijn tolerantie acht hij het een bestiale stupiditeit, om zijn mening aan anderen op te dringen. Het is een doorsnee van gevoelens, die de meningen bindt. Daarom blijven de oude religie en de oude staatsvormen intact. En zo kon zijn boek zelfs door de paus gebillijkt worden.
Het gaat hier om een levenskunst, een vivre à propos, om maathouden en eenvoud, om losse levensverhoudingen en een 'laisser faire un pen la nature'. Hier speelt de latijnse traditie, de 'esprit pratique de Rome' een rol; het is de moralist in de Fransman: 'une tête bien faite' meer dan 'une tête bien pleine'. Montaigne hield niet van boekmakerij, hij zag zijn filosofie op z'n plafond. Hij lijkt op de Prediker en hij laat Paulus in het midden (vgl. Sextus Empiricus5). De gewoonte moet ons leiden. De natuur is wijs; laten wij haar dan ook volgen. De ware filosofie 'se moque de la philosophie'. Montaigne feuilleteert de boeken, maar bestudeert zichzelf. Zijn kasteel staat open voor alle partijen. Hij prijst een 'aimable paresse' aan; en een eenzaamheid, die met mystiek en ascetisme niets te maken heeft. Zijn fouten zoekt hij op, zonder ze te verbeteren. Zijn gedachten laat hij gaan; hij peilt de laagten van de geest - zonder remedie. Montaigne leefde in familiare verhouding met de oudheid, met zichzelf, met de omgeving, en, als hij gekund had, met God. In deze 'sagesse aisée' is het leven maar een stukje tussen geboren worden en sterven.
Montaigne is geenszins nieuw in de zin van origineel. Hij is meer mens uit de boeken. Waar ieder zich agiteert, komt hij op z'n gemak. Wij zijn ceremonie geworden; ook Montaigne houdt zich aan de gewone soort, met dit verschil dat hij dit zelf weet. Voor hem geldt: de laagste trap is de stevigste. Alleen liegen wil hij niet. Dat is geen moed, geen andere deugd, alleen een beetje gezond verstand en een eenvoudig, natuurlijk discours. 'Moi, je me roule en moi-même.' Hij is de beminnelijke mens! Hij leeft in de twijfel, die aan de natuur eigen is. Dat is de losse zekerheid, die van twijfel nauwelijks verschilt. De zondige natuur, die geen verzekerdheid van node heeft.
Wij komen nu bij de wetenschappelijke twijfel van Descartes. Hier gaat het niet meer om autoriteiten, maar om methode. Hij begint met twijfelen, met het denken zonder stof. Het denken neemt langzaam stof op. Dat is een denkproces, niet van aannemen maar van opnemen. De waarheid moet de denkende mens zelf zien ontstaan.
Hier hebben wij te maken met de wetenschappelijke twijfel. Zij is ernstiger. Zij wil ook het scepticisme bestrijden.
Als voorbeeld van de religieuze twijfel neem ik Angélique de Saint-Jean uit de familie Arnauld.6 In haar grote droefheid over de regeringsmaatregelen jegens de zusters van Port-Royal komt de twijfel zich mengen. "Ik had acht of tien dagen in de droefheid doorgebracht en in het diepst van mijn ziel werd ik de vruchten van die beproeving gewaar. Ik voelde twee personen m mij, waarvan de één kracht genoeg had om de andere te dragen en ik verheugde mij in de geest over wat mij bedroefde in de zinnen. Ik zie nu duidelijk, dat, als ik niet verder naar voren als gestoten was, ik het niet lang in die toestand had kunnen uithouden - omdat, daar de storm zwaar en lang ging worden, ik goed in de nederigheid moest geworteld staan om de storm te kunnen weerstaan. En in die staat, die ik zo pas beschreef, was mijn geest niet nederig genoeg, want ik was vervuld van de roem voor de waarheid te mogen lijden. Toen ik dan eens mij te ruste gelegd had en bijna insliep, wekte God mij plotseling met een straal van zijn licht, die mijn hart trof om aan mij zelf dingen te ontdekken, die mij nietig hadden geschenen en die mij plotseling zo groot en belangrijk voorkwamen, dat ze mijn toestand geheel omkeerden en mij zo laag voor God zetten, dat ik mij - in plaats van zoals ik vroeger dacht, dat Hij ons te hoog verheven had om ons deel te geven aan de vervolging om der waarheid en gerechtigheid wil - nu in een zo diepe vernedering voelde en zo aangegrepen door vrees, dat ik mijn ogen haast niet voor Hem dorst opslaan ... Men kan zich zo'n toestand niet indenken, als men hem niet ondervonden heeft ... Ik zocht tevergeefs de kracht en het licht, die ik vroeger zo vaak in de woorden der Schrift gevonden had en die mij toeschenen in staat te zijn de smarten van de hardste gevangenschap te kunnen verlichten; ik herlas de plaatsen van de profeten en van de heilige geschiedenis, die ik als in reserve had gesteld om mij er mee te voeden maar God had de kracht uit het brood weggenomen. Ik bevond dat in die toestand het gebed en de belijdenis van mijn ellende voor God mijn enige wapenen waren. Maar ik kwam toch tot de overtuiging, sedert, dat als het lang genoeg geduurd had, ik in gevaar zou zijn gekomen mijn lamp te laten uitgaan, omdat ik niet genoeg vertrouwen had om het vuur van mijn liefde te onderhouden noch het licht van mijn geloof."a
Zo staat het in het verhaal van de abdis. Ze belijdt in een brief aan haar oom Arnauld, dat ze opzettelijk mystieke termen uit het boek Job gebruikt heeft: 'de poorten van de schaduw des doods' en 'het uitblussen van de lamp'.
"Want eigenlijk is het niet anders dan een gezichtspunt, dat van binnen niets verduistert, maar waarvan de enkele tegenwoordigheid ontzettend pijnlijk is. Het is een soort twijfel aan alle dingen en aan het geloof aan de voorzienigheid, waarbij ik mij zo weinig ophoud, dat - uit vrees te gaan redeneren en aan de verzoeking meer gelegenheid te geven - het mij toeschijnt, dat mijn geest haar verwerpt met een soort beschouwing, die zelf tegen het geloof zou zijn, omdat ze een soort twijfel inhoudt. Zoals wanneer ik zeg, dat, als de waarheid onzeker was en alles wat ik van de onsterfelijkheid der ziel geloof, een twijfelachtigheid was, ik toch het beste deed deugdzaam te blijven. Ik ben bang dit zo neer te schrijven, want zo expliciet was het nooit in mijn geest. Het is als het passeren van iets, dat men niet goed onderscheidt ... Ik sprak er met niemand over, omdat die gedachten mij zo gevaarlijk schenen en ik vreesde er de minste glimp van te laten zien aan haar, die ik mijn nood klaagde. Want voor alle andere verzoekingen verschaft het geloof onoverwinnelijke wapenen om ze te bestrijden; maar als het geloof zelf wordt aangevallen is men zonder tegenweer. Eén ongelovige gedachte is erger dan alle demonen."b
Dit is een voorbeeld van echte religieuze twijfel. Het is een aanval op het geloof als op een vesting. Hier is twijfelen uitglijden, een voorbode van vallen. Het is de absolute twijfel, die ook Pascal gekend heeft.7 Het is wel waar, dat de meer geborneerde geesten hem niet kennen, maar niemand zal hem toch als methode durven aanbevelen of als eerlijke twijfel durven verheerlijken. Niet zonder reden noemt Sainte-Beuve hem, 'philosophiquement et naturellement' beschouwd, een krankheid.8
Dat komt niet uit voor iemand als Montaigne, die de natuur haar loop laat. Maar daarmee is nog niets gezegd. Het is de vraag wat de twijfel in de geest betekent. Ook wij zijn veel te veel gewend de twijfel als een methode te zien. Dat komt uit de natuurwetenschap. De absolute twijfel van Descartes is heel iets anders dan de religieus absolute twijfel. De twijfel van Descartes boekt van het nulpunt af steeds meer winst. De religieuze twijfel heeft alles te verliezen.
Als wij nu zo de twijfel bezien als natuur, als methode, als verzoeking hoe komt men nu tot de zekerheid? Daarop is geen ander antwoord dan dit: de zekerheid is er. De natuur levert ze niet op. Natuurlijk en filosofisch is de twijfel een ziekte. De zekerheid is methodisch niet te krijgen. Filosofisch en natuurlijk is zij een dwaasheid. Het moet bovennatuurlijk en bovenwetenschappelijk op een of andere manier gegeven worden. De zekerheid ligt op het gebied van de genade. Zij is er. Ze is een voorrecht. Wij scheppen de dingen niet. Dat doet God. Waarheid is een kostbaarheid, waarmee men tegenover anderen, maar ook tegenover zichzelf niet royaal kan wezen. En het doet er tenslotte weinig toe hoe we er aan komen. Men let te veel op het ontstaan: dat is de twijfel als methode. Veeleer zijn er vindplaatsen van de zekerheid.
a. De bijbel. Hier gaat het niet om magisch bijbelgebruik, maar om geestelijk. Ik weet wel, dat ook hier kritiek en twijfel zeer bekend zijn. We denken aan tekstkritiek en historische kritiek. Maar als we het vergelijken met de natuurlijke twijfel van Montaigne, dan is dit een vindplaats van zekerheid. Feuilleteren doet men de bijbel niet - men moet het tenminste niet doen. 't Zijn ook geen doorsnee-gevoelens, die in Paulus of Mozes leven. De bijbel peilt de laagten van de geest, maar niet zonder remedie. Hij is niet familiaar met God. Hij is geen leesboek; het gaat er niet om 'sagesse aisée', maar om de doornenkroon. De laagste trap is er wel de stevigste, maar het is de trap van het schuldbewustzijn. En de twijfel in de bijbel is geen twijfel die tijd heeft. Integendeel: heden, zo gij zijn stem dan heden hoort! Tegenover deze natuurlijke twijfel die geen waarheid oplevert, is de bijbel een boek vol zekerheid. Que sais-je?9 Ik wéét!
Dat geldt ook van de methodische twijfel. Zo methodisch behoeven we gelukkig niet overtuigd te worden van de vergeving der zonden, de opstanding en het eeuwige leven. De zekerheid dáárover slaat door als een licht. En als hier toch de twijfel blijft, dan heeft ze een groots karakter. Ze valt de zekerheid van buiten aan. In het geloof, zegt Calvijn, is geen twijfel, maar wel rondom het geloof. c10Hier is het een strijd van geestelijk leven.
b. De kerk. De samenhang des geloofs, de gemeenschap der heiligen, de overeenstemming der gelovigen, de kracht van de prediking - dit is geen natuur en geen methode, maar geest en kracht. Het gaat om God. En God is geen kwestie, geen probleem. Vanuit de natuur is 'God' een onzekere factor; in de methode ook. Maar in de prediking niet. Als een zekerheid komen we daar met Hem in aanraking. Rondom de prediking moge er wel twijfel zijn - maar in de prediking niet. Wij prediken niet over kwesties, ook niet over de kwestie van God, of van Jezus. In de prediking is de zekerheid, die alleen aangevochten kan worden. Dat is de levensstrijd, waarin de zekerheid verdedigd moet worden.