O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Twijfel en zekerheidInhoudHet kerkelijk dogma →

Verzamelde Werken, deel 2 · p. 167–169

Betekenis van theologie1

In ons land de betekenis van theologie bepleiten, lijkt uilen naar Athene dragen. Zoals daar de 'man in the street' filosoof heette te zijn, zo behoeft men bij ons niet ver te wandelen om een theoloog tegen te komen.

Niet ieder klinkt dit als een aanbeveling van ons volk in de oren. Menigeen loopt gaarne een straatje om, als hem dat de ontmoeting met een theoloog - met of zonder baard - besparen kan. Er zijn er zelfs, die de laatsten en vermoedelijk ook wel de eersten voor 'de slechtste christenen',2 houden. En niet steeds zonder reden. Een kort discours over dit onderwerp is daarom niet geheel zonder actualiteit.

Met theologen werden vroeger niet altijd dogmatische karakters bedoeld; nog minder wijsgerige geesten. In heel oude tijd was theoloog ieder, die in gebonden of ongebonden rede iets van God of goddelijke dingen wist te vertellen. Homerus, Virgilius of Ovidius kondendie naam dragen. Theologie was geen leer, geen speculatie, maar verhaal of lied. Theologen spreken de sproke van God, zoals andere sprooksprekers - logopoioi - van profane onderwerpen handelen. Mozes was een groot theoloog. De evangelisten waren theologen. Ze maakten een verhaal, een logos, zoals Lukas het zelf in zijn inleiding noemt, van Jezus, hun Heer. -

Tegen dit soort theologie zijn de bezwaren, die men heeft, wel niet bedoeld. Niet tegen een verhaal maar tegen een leer heeft men bedenkingen. Zolang de zaak bijbels blijft, heeft men er vrede mee.

Met dit laatste is iets te veel gezegd. Wie tot de lengte van de bijbel wil gaan, kan leerstellige ontwikkelingen niet geheel uit de weg blijven. Bij de theoloog onder de evangelisten, Johannes, gaat dit misschien nog. Hij geeft zijn diepzinnige leer in historisch gewaad en al is het dat de titel van theoloog, op hem toegepast, reeds een andere klank krijgt dan voor de andere evangelisten, omdat zijn verhaal meer rede dan handeling bevat, toch was dit laatste in de oudheid ook voor een geschiedverhaal verre van ongewoon.

Er staat echter aan het slot van het Johannesevangelie, als we hoofdstuk 21 niet meerekenen, een mededeling, waarin met zoveel woorden wordt aangewezen, waarom een verhaal van Jezus theologie is. Het is de belijdenis Van Thomas, waarin hij Jezus zijn God noemt.

Van hieruit ontwikkelt Paulus zijn theologie, die Jezus naar het vlees niet meer wil kennen, ook al mocht hij Hem gekend hebben.3 Paulus, die in geen enkel opzicht meer een verhaal van Jezus geeft, maar een leer. Die leer moge verre van droog zijn, diep zielkundig, geëmotioneerd of welke eigenschappen de brieven van Paulus meer te zien geven; dit doet aan de zaak niets af. Paulus is theoloog in andere zin dan de evangelisten. Wanneer we hier de tegenstelling: verhaal en leer mogen vasthouden, dan is het Evangelie begonnen, niet als verhaal, maar als leer de wereld te veroveren. De theologie van de grote heidenapostel heeft voor de meer aanschouwelijke theologie der evangelisten in Europa de weg bereid.

Die verhouding is sedert, althans voor ons werelddeel, wel ongeveer zo gebleven. Het is waar, dat de theologie der evangeliën, de kennisse Gods als verhaal van Jezus naar het vlees, op het voetspoor van Paulus diep in het Europese geestesleven is ingedrongen. Men behoeft maar de namen te noemen van Franciscus van Assisi, Bernard van Clairvaux of Catharina van Siëna, om dat dadelijk te doen toestemmen. De stigmatisatie bewijst wel tot welk een hoge graad dit het geval geweest is. En ook waar de invloed der aanschouwelijke theologie zover niet gaat, daar blijven toch in prediking en kerklied, in schilderkunst en ascetische literatuur wijde velden over, die geheel door haar beheerst worden. Toch geloof ik, dat de verhouding voor Europa blijft zoals ze was in het begin. Paulus gaat voorop. De evangelisten volgen. De cultus van Jezus' hoofd en voeten zou afgodendienst zijn, als niet vooraf een theologie, in niet aanschouwelijke zin, alle creatuurvergoding had te niet gedaan. Jezus zelf waarschuwt Maria Magdalena Hem niet aan te raken en prijst tegenover Thomas' verering van zijn wonden diegenen zalig, die niet gezien en nochtans zouden geloofd hebben.

Augustinus zag zich de weg tot het christendom pas geopend, toen hij een zuiver geestelijk Godsbegrip had gewonnen; begripsmatig en niet aanschouwelijk.4 Toen pas vielen de hindernissen weg, die hem beletten de Christus der evangeliën te benaderen.

Zo is ook de Christusmystiek der middeleeuwse heiligen niet denkbaar, zonder dat vooraf de scholastieke theologie een zekere hoogte heeft bereikt.

Hetzelfde geldt van de christelijke kunst. Geen Dante zonder Thomas Aquinas. Geen Bach zonder Luther.

Ik heb opzettelijk gesproken van het Europese christendom. Dat Paulus naar Europa omboog op zijn tweede zendingsreis is zeker geen toeval voor wie de Handelingen kent. De Geest drong hem westwaarts. Hier is dus geestelijke noodzakelijkheid op te merken. Maar van welke aard die geestelijke⚑ noodzakelijkheid is geweest kan misschien in verband met het voorafgaande enigszins doorschouwd worden. Ik zou niet durven zeggen dat voor een figuur als de Sadhoe Soendar Singh5 de noodzakelijkheid van theologie in paulinische zin in gelijke mate bestaat als voor ons. Zijn Christendom is meer op de aanschouwing van Christus gericht dan het onze. ⚑Men krijgt de indruk, dat de oosterling andere correctieven bezit om hem tegen materialisering en profanering van het heilige te beschutten.

Die, welke wij nodig hebben, zijn meer of minder van intellectuele aard. Natuurlijk schuilt hierin het gevaar van intellectualisme. Maar ook wanneer we daaronder geleden hebben, mogen we toch met het badwater het kind niet wegwerpen. Een der voorheen meest gelezen volksboeken over de geloofsleer draagt de titel van Redelijke Godsdienst.6 Hierin ligt directe aansluiting aan Paulus, die het woord in Rom. 12 : 1 gebruikt. En tevens is het merkwaardig, dat ons volk zich juist onder deze titel heeft laten inleiden in de waarheid van het Evangelie. Wij kunnen ons ook de toekomstige gemeente moeilijk denken of wensen zonder de nuchterheid en klaarheid, die door het geoefende denken in het godsdienstig leven gekweekt wordt. Wie niet onbekend is met de verscheidenheden van gemeentelijke gesteldheid in onze kerk zal een vergelijking kunnen maken tussen meer en minder bezonken en opgeklaarde geestestoestanden. En er zullen weinigen onder ons zijn, die, bij voldoende kennismaking, de voorkeur aan de laatste schenken.

Eindnoten

  1. 1

    Verschenen in Mededeelingen uit de Ethische Vereeniging (oktober 1924) nr. 4.↩

  2. 2

    Blijkbaar een zinspeling; niet meer te achterhalen.↩

  3. 3

    Vgl. 2 Kor. 5 : 16, een bij Noordmans veel aangehaalde tekst, vgl. bijv. GG., p. 237, 253, 257 307.↩

  4. 4

    Bedoeld is de fase in Augustinus' ontwikkelingsgang, waarin hij - na het manicheïsme met zijn wereldbeschouwelijke fantasieën - in aanraking komt met 'de boeken der platonisten' (het neoplatonisme), die hem een geheel ander Godsbegrip leerden, vgl. Confl. VII, 13-26, in het bijzonder VII, 20 v. en VII, 26.↩

  5. 5

    De Indische sadhoe (= rondtrekkende monnik) Soendar Singh (geb. 1888, vermist 1929)maakte met zijn prediking in Europa in de twintigerjaren diepe indruk. Hij had reedsjong een bekering tot het christelijk geloof beleefd, die wel - naar de vorm - met die van Paulus is vergeleken. Zijn boodschap, mede bepaald door zijn mystieke ervaringen en visioenen, legde grote nadruk op gebed, heiliging en lijden met Christus.↩

  6. 6

    Het bekende boek van Willem á Brakel: Redelyke Godtsdienst, uitgegeven te Rotterdam in 1700, daarna ongeveer twintig malen herdrukt.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Twijfel en zekerheidInhoudHet kerkelijk dogma →