O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Johannes 20 : 19-22Suameer (1910-1923)Handelingen 16: 9 en 10 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Suameer (1910-1923) · p. 143–147

Handelingen 4 : 33

En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van de Here Jezus; en er was grote genade over hen allen.

Handelingen 4 : 33

Wanneer eens de engel, die met een vlammend lemmet de toegang tot het paradijs afsluit, dat zwaard in de schede stak en God voor het nakroost van Adam en Eva de toegangen openzette, dan vermoed ik, dat er grote toeloop zou zijn en zeer velen zouden begeren binnen te komen. De hof van Eden met z'n appels en peren trekt de mensen wel aan en de meesten houden ervan. Ook groeiden daar geen distelen en doornen. Niemand behoefde er te wieden. En zoals een appel en een peer de ogen der kinderen doet stralen, en het wieden hen vreselijk verdriet, zo blijft het in vele gevallen met de grote kinderen, die volwassen mensen heten. Want die appels en peren en die distelen en doornen zullen wel een betekenis hebben. De vruchten te plukken en te leven wordt begeerd; het werken tussen de stekende distelen en doornen gemeden en men laat het gaarne aan anderen over. Ik denk dat als de engel voor het paradijs weggenomen werd, er grote toeloop zou zijn.

Of wij echter hetzelfde zouden kunnen zeggen, wanneer de toegang tot de eerste christelijke gemeente weer werd opengezet? Misschien zegt ge met de vinger op vers 35: En aan een iegelijk werd uitgedeeld naar dat elk van node had; daar hangen weer de appels en peren uit het paradijs. Ik zal niet ontkennen dat de eerste gemeente een soort paradijs-toestand geweest is, een ideaal-toestand, maar de heerlijkheid kan toch niet gelegen hebben in een zeer ruime bedeling. Een ruim ouderdoms- en weduwen- en wezenpensioen bracht deze toestand dan terug. Als we vers 35 goed lezen, zit de heerlijkheid in de uitdeling. En dit hangt samen met vers 34: Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had, want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij en brachten de prijs der verkochte goederen en leiden die aan de voeten der apostelen. Als we dit lezen, dan zeg ik: Als de toegang tot de eerste christelijke gemeente weer werd geopend, zou 't de vraag zijn of er zoveel toeloop zou wezen.

Hier hangen niet de appels en peren van het paradijs, maar die gemeente staat in 't teken van 't apostolische woord, dat Jezus arm is geworden, daar Hij rijk was (2 Kor. 8 : 9) en dat Hij z'n ziel gegeven heeft tot een rantsoen voor velen (Mt. 20: 28). Kribbe en kruis geven er de toon aan van het begin tot het einde: het arme leven van Jezus, de bittere kruisdood. Het verbroken lichaam van Christus is er de spijze: geen uitlokkende spijze! De arbeid is er doorwond te worden in het uittrekken van distelen en doornen bij het verbreken van de werken des duivels.

Wij laten nu de maatschappelijke consequenties die eruit volgen rusten, misschien tot opluchting van menigeen! Ook het kerkelijk vraagstuk roeren we slechts in 't voorbijgaan aan. Wij zouden daarover spreken als we tot tekst gekozen hadden: dat ze waren volhardende in de leer der apostelen en van huis tot huis brood brekende (Hand. 2 : 42, 46). De volle kerken en de bezette avondmaalstafels. Wij nemen thans de zuiver geestelijke kant, die onze tekstwoorden naar voren brengen.

En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van de Here Jezus (en er was grote genade over hen allen). Hier wordt ons getekend het christelijk leven in z'n meest geestelijke gedaante; het christelijk leven, zoals het bestaat in betoning des geestes en der kracht (1 Kor. 2 : 4). In het nedertrekken van de genade op aarde. Het wezen der christelijke gemeente. Misschien zegt ge: Maar dat willen we wel! Ik weet het niet zo zeker. En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van de Here Jezus. Hoe hebben ze dat geleerd? Toen Petrus, Jakobus en Johannes Jezus leerden kennen, waren ze reeds gevestigde mensen. Ieder had z'n werk. Er waren verscheidene vissers onder; ook een enkele financier. Het waren beste, brave mensen en in maatschappelijk opzicht was er niets op hen aan te merken, voor zover wij weten. Hun kerkelijke en huiselijke plichten zullen ze wel nauwgezet waargenomen hebben. Wie ze echter toen en nu gezien had, zou een groot onderscheid hebben kunnen opmerken. Ook toen zal het goede in het leven niet hebben ontbroken. Bijbel, synagoge, wat wil men meer? Als Jezus niet in hun leven had ingegrepen, zouden ze waarschijnlijk vredig ontslapen zijn. Hun leven leek op een wolk met daaromheen een vergulde rand, van beloften uit de profetieën en geboden van Mozes' wet. Zoals ook nu zeer vele christenen, misschien de meesten, hun gewone leven leven, maatschappelijk en kerkelijk, en daaromheen hun geloofsartikelen en hun bijbelteksten hebben, waarin de hogere wereld voor hen ligt ingedroogd. Daarin geloven we dan.

Daarbij was het bij Petrus, Jakobus en Johannes niet gebleven. Jezus was gekomen en was in levenden lijve uit de profetieën en de geboden te voorschijn getreden en had hun het vroegere leven tot bijzaak gemaakt; zoals een moeder, als haar zoon uit Indië thuiskomt, haar werk laat rusten. De grote drijfkracht der eeuwigheid heeft in hun armzalig tijdelijk leven ingegrepen. En nadien hebben ze zichzelf vergeten en hebben met toenemend ontzag aanschouwd, hoe de Heilige Gods in armoede en lijden de distelen en doornen ingaat, tot ze om z'n hoofd zijn saamgestrengeld. Nadat de discipelen dat hebben gezien, kunnen ze niet weer terug. De vorm is veranderd; de vorm van hun leven is veranderd. Heel gebrekkig eerst, maar toch beslist, gaan ze met Jezus het pad op.

En nu, na het Pinksterfeest, staan ze zelf in de volle arbeid. Met grote kracht geven ze getuigenis van de opstanding van de Here Jezus. Hebben ze Jezus al naar het vlees gekend, nochtans kennen ze Hem nu niet meer naar het vlees (2 Kor. 5: 16). Ofschoon hun oog Hem niet ziet, zien ze Hem; ofschoon hun oor Hem niet hoort, horen ze Hem. Zijn persoon, ofschoon onzichtbaar, beheerst geheel hun leven en hun getuigenis. En dat gevoel verzet hen van dag tot dag uit de tijd in de eeuwigheid. En onder hun getuigenis komt de Opgestane beslag leggen op de harten der schare. In het kleed van het apostolisch woord doet hij macht, kracht, manifesteert zich. Eerst drieduizend, daarna vijfduizend worden toegebracht (Hand. 2 : 41; 4 : 4).

Gemeente, daartoe is heel wat kracht nodig geweest. Want het paradijs, daar wilde de mens niet uit; de christelijke gemeente, daar willen ze niet in. Zich bij de kerk voegen, zegt een artikel. Hoe is deze krachtige invloed te verklaren? Getuige van de opstanding van Christus zijn, is dat orthodox zijn? Volhouden dat de Christus opgestaan is? Is niet de opstanding als de kerkelijke proefsteen? Maar hoe spoedig moesten dan in een orthodoxe gemeente allen toegebracht zijn. Petrus, Jakobus en Johannes waren ook orthodox, toen ze nog visser waren, maar geen rechte getuigen. De opstanding als scharnier, waarom de kerkelijke strijd draait. Zij gaat in werkelijkheid tussen de levenden en de doden. Om met kracht Getuigenis te geven van de opstanding van de Here Jezus, is iets anders nodig. De dodigheid van een mens is verschrikkelijk. Soms zit daaromheen nog een pantser van dode orthodoxie. Alleen de levende Christus vermag iets om de doden levend te maken. Van Hem geven de apostelen getuigenis. Een christen is een bezielde. Een christelijke gemeente is een levende, bezielde, krachtig uit een hogere wereld begaafde gemeenschap van mensen. Na Pasen moet Pinksteren komen.

Gemeente, men moet in de praktijk de behoefte aan de Heilige Geest leren. Beproef uw kracht, hoeveel gij vermoogt om de doden levend te maken, de armen het Evangelie te verkondigen, en gij zult leren meten uw behoefte aan de Heilige Geest, uw vermogen leren schatten om van de opstanding van de Here Jezus te getuigen. Dan zal ons enig gevoel kunnen bijkomen, dat de geestelijke strijd is een zaak van doden en levenden. Hiermee is 't gemis aangewezen.

Dat getuigenis is tenslotte een zaak van zeer diepe overtuiging. Het leven van de christen verliest zich in God; niet van kamer tot kamer vluchtend voor God, maar wanneer de Heilige Geest woont in 't hart, dan reikt Hij het Woord van kamer tot kamer. Daartoe is nodig een zekere omwandeling met Jezus... Er moet een schat verzameld. Maar tenslotte slaat toch de vonk des Geestes in het kruis. De vorm des levens moet ertoe medewerken. De oude filosofen vormden hun school; men kende de leerlingen uiteen. Ook de omwandeling met Jezus geeft gestalte aan 't leven. En nu kent men Jezus' discipelen aan geen uiterlijke vormen, maar toch zijn zij de wereld ongelijkvormig. Zij getuigen van de opstanding van de Here Jezus. De eeuwigheid wordt kern. De wereld wordt rand.

Onze tijd heeft broodnodig zulk een van de opstanding van de Here Jezus getuigende gemeente. Wij beleven een boze, de ziel nederbuigende tijd. Waar zijn de getuigen? De christelijke kerk is geweest als een groep bergbeklimmers, die van de top komt. Boven in de zuivere lucht, in de witte sneeuw, alpenstok en volle uitrusting. Straks in de bewoonde dalen zijn deze dingen afgelegd. De kerk heeft zich gemengd in de wereld. Betrekkelijk moet zij dat. Maar? Haar getuigenis lijdt gevaar te verstommen. Men klaagt wel eens, dat de kerk niet meer zakelijk kan zijn in haar prediking! Zij roert nog alleen het gemoed. Wanneer ze het getuigenis van Christus' opstanding niet vergeet, zal dit niet voorbijgaan. Een levende ziel is niet genoeg. Levendmakende Geest (1 Kor. 15 : 45). De opstanding van de Here Jezus is de vormende kracht.

In de gemeente binnengaan maakt levend en doet levend maken. Het gaan in de gemeente, met z'n kribbe en kruis, met z'n arme leven en bitter lijden, voert tot het leven. Deze gestalte zal het getuigenis kracht moeten geven. Wij spreken nu niet over maatschappelijke en kerkelijke consequenties, maar deze geestelijke vorm moet het leven aannemen, omgekeerd aan de wereld. Hebt gij deze prijs over voor de geestelijke macht, dan is uw getuigenis een heerlijke, blijde oefening.

Onze tijd heeft broodnodig zulk een levende, van de opstanding van Christus met grote kracht getuigende gemeente. Welk een boze, de ziel nederbuigende tijd beleven wij. Hoe ontzettend gaan Gods gerichten over de christenheid. Aardse vooruitzichten worden donkerder. Waar zijn, zo roept ons de tijd toe, de sterke getuigen van een andere wereld, die niet vergaat?

Gemeente, het is wonderlijk met het licht Gods op deze wereld. Van buiten wordt het donker, dan wordt het soms van binnen licht. Er zijn twee werelden: de wereld waarin alles valt, tronen, heerschappijen, machten en de wereld waarin alles opstaat. In onze dagen valt er veel. Waar blijft de opstandingskracht? Onze hoop is van de Pinksterkracht, de Heilige Geest. Binnen in de harten moet het weer beginnen te kiemen, te botten en te groeien.

We hebben voorlopig bekwame vaklui genoeg, wetenschap genoeg, brave mensen ook. Van boven moeten we geleerd worden. Van de opstanding van Christus moeten we getuigen zijn. Is er kans op? De stam der schepping sterft niet af. Het dorre kruishout vindt getuigen van de opstanding. De apostelen waren krachtige getuigen; twaalf man, drieduizend zielen: iedere getuige tweehonderdvijftig zielen. Maar gaat er reeds kracht van u uit? Zijt ge reeds gelovende een apostolische kerk? Is er in u apostolische kracht? Dat is nodig bovenal in onze tijd. Het is niet genoeg een levende ziel te zijn, kinderen opvoeding te geven, braaf burger te zijn. Alle levende zielen gaan dood. Wij moeten levendmakende Geest hebben, getuigen van de opgestane Heer. Achter en dicht bij deze wereld is een andere. Wij moeten die horen, zien, bedenken. Door ons getuigenis moeten wij haar in de tijd schuiven, schuiven onder alles wat valt. Achter elke deur staat de Here Jezus. Wij moeten de deuren opendoen. Dan komt er grote genade. Dit is niet als op de eerste dag een zaak van plotselinge overwinning. Jeugd, <... > Maar het koninkrijk Gods moet geweld aangedaan (vgl. Mt. 11 : 12).

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Johannes 20 : 19-22Suameer (1910-1923)Handelingen 16: 9 en 10 →