Johannes 20 : 19-22
Als het dan avond was op die eerste dag der week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren, om de vreze der Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden. En dit gezegd hebbende, toonde Hij hun zijne handen en zijne zijde. De discipelen dan werden verblijd als zij de Here zagen. Jezus dan zeide wederom tot hen: Vrede zij ulieden. Gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook ulieden. En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt de Heilige Geest.
Johannes 20 : 19-22
De opstanding is en blijft een verrassing. Wat het oog niet heeft gezien, wat het oor niet heeft gehoord, wat in het hart des mensen niet is opgeklommen (1 Kor. 2 : 9), dat doet God. In de opstandingsverhalen treft ons het contrast, de tegenstelling tussen de stemming der discipelen en de daden Gods.
Bij de jongeren alles onzekerheid, twijfelmoedigheid. Het heeft er niets van dat zij het gevoel zouden hebben, dat God alle dingen nieuw maakt (Op. 21 : 5). En toch beleven ze zulke ongewone dingen, dat, wat dat aangaat, ze met de hoogste vreugde hadden moeten vervuld zijn, vanwege de gelegenheid des tijds. Mensen kunnen echter slechts zeer weinig en dat nog zeer langzaam in zich opnemen van datgene wat God doet. Langs vele trappen leidt God hen tot de aanschouwing zijner heerlijkheid. Het zijn de trappen des geestelijken levens. En wat we in dit leven ervan zien, maant tot bescheidenheid en doet ons zeggen, dat allen nog op een lage trap staan. Gelukkig wie hogerop wil, niet om zich te verheffen, maar om iets meer te zien van Christus' heerlijkheid.
Het Paasevangelie heeft deze kracht in zich om treurenden te troosten en twijfelmoedigen vast te maken, Thomassen tot het geloof te brengen. En daartoe gaat Jezus van de één tot de ander, om zich te openbaren.
Aan de avond van de opstandingsdag zijn de jongeren bijeen. Zij hebben zich verzameld: een kuddeke schapen, die geen herder hebben (Mk. 6 : 34). Hun geloofsleven is geheel tot lage toon gezonken. Vrees heeft de bovenhand. De deuren zijn gesloten om de vreze der Joden. Van moed of blijdschap is weinig te merken. De thermometer van het geestelijk leven staat laag.
De roomsen spreken van een zekere werking des harten, waardoor de genade verdiend kan worden. Wanneer die er was, zouden de discipelen ongetwijfeld geen genade verdiend hebben. Maar Christus heeft toch voor hen gebeden dat hun geloof niet ophoude (Lk. 22 : 32)? Christus komt binnen terwijl ze Hem niet verwachten en Hem zelfs niet opendoen. De deuren zijn gesloten vanwege de vreze der Joden. Hoe dikwijls zou Jezus op die wijze binnen moeten komen? De mensen sluiten zichzelf op als in een graf. Zo de discipelen. Wanneer we van de gesloten deur af verder eens konden opnoemen wat de blijdschap van hun hart tegenhoudt, zouden we moeten zeggen: ze hebben zichzelf levend begraven. En toch leeft Jezus. De hindernissen bestaan gelukkig voor Jezus niet: de gesloten deuren niet, de vreze der Joden niet, de kleinmoedigheid der discipelen niet. Een ogenblik en Hij staat in het midden en zeide tot hen: Vrede zij ulieden.
Wanneer wij op het onderscheid letten tussen Jezus en de discipelen, dan verstaan wij dat Jezus is de Zoon van nature en dat wij hoogstens 'aangenomen kinderen' zijn. Welk een onderscheid tussen de Heer en de jongeren. Daaronder behoeft nu gelukkig niemand moedeloos te worden. Het is de blijdschap des levens, dat er is één, die is 'de schoonste der mensenkinderen' (vgl. Ps. 45 : 3).
Wat heeft Jezus dan voor schoonheid? Geen gedaante of heerlijkheid, dat wij Hem zouden begeerd hebben (Jes. 53: 2). Hij toonde hun z'n doorboorde handen, z'n doorstoken zijde. Dat is Christus' versiering: de merktekenen der liefde, die sterker is dan de dood. Die wonden zijn wel geschikt om uit de vreze der Joden uit te halen. Schamen de discipelen zich dan niet een beetje voor die gesloten deur? En die wonden dan? Was Jezus dan bang van de Joden? Er is groot en klein in de wereld. En de voorwaarde is zich klein te leren voelen bij de grote liefde van Christus. Dan valt alle waan en wijsheid weg. De blijdschap wordt daar geboren. De discipelen werden verblijd als ze de Here zagen.
Wanneer Jezus had moeten wachten totdat de discipelen een voldoende gesteldheid hadden om hen tot apostelen te maken, had het lang kunnen duren. Maar Hij maakt hen gereed. Het gaat vlugger dan men gedacht zou hebben. Zeker, alle dingen hebben hun voorbereiding nodig. En wanneer Jezus niet hen onderwezen had, zou het niet gegaan zijn. Maar naar de langzame gang die wij afmeten, kunnen wij de voltooiing niet berekenen. Het is als met de bomen in 't voorjaar. Lang schijnt de zon ertegenaan, voordat blad en bloem opengaan. Maar dan, als 't seizoen komt, opeens. Wanneer er zoiets in 't rijk der genade ook niet was, was 't treurig gesteld. Zo is het met de voortgang van het geloofsleven, met de wederoprichting aller dingen (Hand. 3 : 21), maar ook met Jezus en de discipelen. Aan de discipelen is nog niets bijzonders te bespeuren. Inmiddels gaat Jezus hen wijden tot het apostelschap. Men is het niet eens over de verklaring van alle bijzonderheden van wat hier gebeurt, met name de betekenis van de gave des Heiligen Geestes op die avond, maar zeer zeker hebben de discipelen hier een wijding ontvangen. Vrede wordt hun geschonken. Ze ontvangen een zending, de Heilige Geest, en de macht zonden te vergeven (vs. 21-23).
Vrede zij ulieden. De eerste keer wordt dit meer als een groet gezegd. Maar nadat Jezus zich bekendgemaakt heeft, door de tekenen in handen en zijde, wordt het nadrukkelijk gezegd. Het is de vrede, die van de andere zijde van het graf komt en niet die de mensen hier elkander toewensen. Het is niet een wens, maar een gave. Hier is in Jezus' mond niet de vrede van het kerkhof, maar de sterke vrede Gods. Deze vrede is een verworven goed, waarover alleen Christus beschikt. 't Is zijn eigendom en Hij deelt het uit. Er ligt ook iets persoonlijks in. Wij mogen niet vergeten, dat alle jongeren Jezus enigszins verloochend hebben, allen zich aan Hem geërgerd. Iets van wederaanneming. Die diepe evangelische vrede is het fundament van hun zending.
Het valt ons op, hoe Jezus over de opstanding zelve niet spreekt, maar over de zending, de arbeid: die arbeid moet geschieden. Jezus en de apostelen zijn de schakels. De Vader zendt Jezus uit. Jezus zendt de apostelen. Dit is de arbeid die Jezus op de jongeren legt.
Jezus blies daarop op de jongeren en zeide tot hen: Ontvangt de Heilige Geest.