Handelingen 16: 9 en 10
En van Paulus werd in de nacht een gezicht gezien: daar was een Macedonisch man staande, die hem bad en zei: Kom over in Macedonië en help ons. Als hij nu dit gezicht gezien had, zo zochten wij terstond naar Macedonië te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Here geroepen had om dezelven het Evangelie te verkondigen.
Handelingen 16: 9 en 10
Wij zien dikwijls dat in de meest gewichtige ogenblikken van de wereldgeschiedenis iets wonderlijks heeft plaatsgehad, waarvan wij zeggen: "Wij zien het, maar doorgronden 't niet"; in de gewichtigste ogenblikken van 't leven van grote mannen, zelfs die niet arbeiden in 't koninkrijk Gods. Dan is 't of de hemelen geopend zijn. Zulke ogenblikken waren er ook in 't leven van Paulus: op de weg naar Damascus bijvoorbeeld, maar ook toen hij het bekende nachtgezicht had. Eigenlijk had Paulus zich voorgenomen met Silas naar Bithynië te reizen, dat was oostwaarts. Maar de Heilige Geest liet het hun niet toe. Zij worden westwaarts gedrongen. Paulus komt zo te Troas, waar hij z'n nachtgezicht had. Was Paulus werkelijk naar Bithynië gereisd, dan was misschien de wereldgeschiedenis anders verlopen. Want Macedonië is Europa, Bithynië is Azië. De kerstening van Europa is, menselijkerwijze gesproken, het gevolg van dit nachtgezicht. En we zien onze gehele kerkgeschiedenis beginnen met het verhaal, dat ons hier staat opgetekend. De Macedonische man, die in de nacht bij Paulus' bedstede stond, is ons zeer bekend.
Wanneer wij de betekenis van dit gezicht willen verstaan, moeten wij ons indenken in het leven van een groot man. Al het denken en trachten en zinnen van Paulus is gericht op Christus en de komst van z'n Koninkrijk. Welk een heerlijk gevuld leven, dat leven van Paulus. Er is maar één groot doel in: de wereld voor Christus op te eisen. Al het andere is hem bijzaak! 's Morgens staat hij op met die gedachte. 's Avonds gaat hij ermee liggen! Gemeente, wij kunnen ons leven vullen met zo verschillende dingen. Doen wij als Paulus, dan wordt het hart en het leven ruim en rijk. Hoe benepen is dan menig hart en leven, hoe arm het denken, hoe bekrompen het gemoed! Hoe verder van Christus de Heer uit de hemelen, hoe meer naar de aarde, zo meer wordt het hart eng en de zin nedergebogen. Het is heerlijk als ergens een hart zich uitstrekt naar dingen die boven zijn, als het leven uitgestrekt is naar de dingen die Godes zijn. Dat vermag alleen Christus. En Paulus is er wel het heerlijkste voorbeeld van. Soms, zo zegt een oude overlevering, geleek hij op een engel, soms op een mens. Het gelaat was een en al vriendelijkheid. En wie Paulus' brieven kent, weet welk een hart deze man bezat.
Zo legt Paulus zich op een avond vol van plannen en gedachten te slapen. Ook de slaap is de zijne niet. Ze is van Christus. En wat op de dag hem bezighoudt, legt ook in de slaap onwillekeurig beslag op hem. De beelden en gestalten van z'n reizen rijzen voor hem op. Barnabas, Sergius Paulus, Elymas de tovenaar (Hand. 13 : 7 v.), en anderen. Maar welke onbekende gestalte is dat, die in de slaap naast z'n legerstede staat?
Hier is het niet Paulus, maar hier is het Christus, wiens gedachten werken. Het denken van Paulus gaat over het bekende. Christus' gedachten stellen deze man in Paulus' leven. Hij komt niet van Paulus, maar van Christus. De grote Denker in de hemel, die de einden der aarde in z'n gedachten heeft, denkt voor Paulus. En het is een gedachte van Christus, die Paulus in die nacht deze man doet zien.
Denkt u deze heerlijke eenheid tussen Christus en Paulus in. Niet meer ik leef, zegt Paulus, maar Christus leeft in mij (Gal. 2 : 20). Misschien hoordet ge wel eens van gemeenschap des geestes die zo ver kan gaan, dat de gedachten <overgaan>. Maar zo is inderdaad de verhouding tussen Christus en Paulus.
Een Macedonisch man: dat is een man uit de eerste landstreek in Europa, als men uit Azië oversteekt, daar waar deze belangrijke werelddelen elkander ontmoeten. Hij zegt: Kom over in Macedonië en help ons. Een hulpbehoevend man is hij. Hij vraagt om een afgezant van Christus. Er is behoefte aan het Evangelie. Europa vraagt om de blijde boodschap.
Wanneer wij tegenwoordig denken aan Europa, dan zien wij twee grote kampen, waarin het verdeeld is, en dan is men geneigd te vragen: wat baatte het Evangelie? Maar gelukkig, al schijnt al het andere overstemd, er ligt toch een schone kerkgeschiedenis, en heerlijke bladzijden zijn geschreven van christelijk leven en denken. Zou dat alles verloren zijn? Hulpbehoevend Europa? Nog even hulpbehoevend is het als toen. Kom over en help ons! Een roep om een afgezant van Christus. Het komt mij voor dat, hoevele tijden ook verliepen, de hulpbehoevendheid nog even sterk is. Ja, nog sterker. Nooit was misschien ons werelddeel zo hulpbehoevend, had zulk een behoefte aan Christus als thans. Moet ons dat verbazen? Moest de behoefte dan minder worden? Neen immers! Zo zal het altijd zijn. De behoefte horen we aan 't eind van de bijbel: Kom, Here Jezus (Op. 22: 20), kom over en help ons. Niet: Wij hebben U niet meer nodig, maar: Kom over en help ons.
Wanneer een mens z'n gemis en kommerlijke staat inziet en leert kennen, voelt bij dat als ellende. Deze ellende is echter de voorwaarde voor Christus' komst.
Als hij nu dit gezicht gezien had, zo zochten wij terstond naar Macedonië te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Heer geroepen had om dezelven het Evangelie te verkondigen. Paulus noemt, als hij de stukken van de geestelijke wapenrusting opnoemt, ook: de bereidheid van het Evangelie des vredes (Ef. 6 : 15). Hij heeft die zelf in hoge mate bezeten.
Zochten wij terstond naar Macedonië te reizen. Paulus talmt niet. Waar behoefte is, daar gaat hij dadelijk. Dit is Paulus' levensvreugde. Nu leef ik, zegt hij, wanneer gij vaststaat in de Here (1 Thess. 3 : 8). Zo heer, zo knecht, zegt het spreekwoord en uit Paulus' bereidwilligheid mogen wij gerust besluiten tot de gezindheid van z'n goddelijke Zender. Wanneer een zucht en begeerte tot Christus gaat, wanneer het geroep: 'Kom, Heer Jezus' omhoog gaat, dan komt de Heer haastelijk, staat er op 't eind van de bijbel, precies als Paulus: Ziet, Ik kom haastelijk (Op. 22 : 20). Bereidheid van het Evangelie des vredes.
Het is een goede gang, de gang voor het Evangelie; een blijde gang. Ziet, hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten dergenen, die de vrede boodschappen (Jes. 52 : 7). Hoe bereidvaardig is de apostel. Terstond gaat hij. Dit gaan betekent een overgave van lichaam en ziel, een zichzelf geven, zoals Christus zich gaf. Kent gij het geheim van dit zich terstond geven, waar behoefte is? Hoe moeilijk valt het menig gemeentelid om van een kleinigheid te scheiden; laat staan zichzelve te geven. De apostolische, christelijke, algemene kerk heeft het Evangelie van de bereidheid.