Genesis 4 : 26
En dezelve Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men de naam des Heren aan te roepen.
Genesis 4 : 26
Genesis 4 vertelt van Kaïn en Abel, het droevig verhaal van de doodslag. Eerst het paradijs. Toen het begin van het leven buiten het paradijs. Het eerste is: Kaïn sloeg Abel dood. Dat is nu zesduizendjaar geleden. Is die tijd u te kort, zet er dan een nul achter. Wilt ge het: dan nog een nul. Maar ge maakt het er niet veel beter mee. Want ik wou juist vragen: hoeveel zijn we verder gekomen sedert Genesis 4? Sedert de broedermoord? Genesis 4 bevat na het verhaal van Kaïn en Abel nog een ander: dat van Lamech. Het klinkt niet veel beter: Ada en Zilla! hoort mijn stem; gij, vrouwen van Lamech, neemt ter ore mijn rede. Voorwaar, ik sloeg wel een man dood om mijn wond, en een jongeling om mijn buil (Gen. 4: 23). Wapengekletter. Hoeveel zijn wij verder?
Zo wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe (Mt. 5 : 39). Waar komt die stem vandaan, midden in die zesduizend jaren? Heeft die helemaal geen invloed gehad?
Wanneer iemand door zulke gedachten moedeloos mocht worden, mag hij de beide laatste verzen van Genesis 4 lezen. Ze vertellen van de geboorte van Seth, die in de plaats van Abel kwam. En Seth kreeg weer een zoon, die Enos heette. Toen begon men de naam des Heren aan te roepen. Deze verzen leren ons waarom wij hier in de kerk zitten. In de wereld zitten we als tussen hamer en aambeeld. Kaïn sloeg Abel dood. Dat was het begin van het leven buiten het paradijs. En Lamech zingt een lied bij dat werk. En daarom begon men in de dagen van Enos de naam des Heren aan te roepen. Wat dunkt u: was het nodig of niet? Is het nodig dat wij God aanroepen of niet? Is het bestaan van de kerk overtollige weelde? Of bestaat ze uit bittere nood?
Wie is er in de kerk? Ja, wij zijn erin. Maar wij gaan niet om onszelf naar de kerk. Niet om onze buren te zien of om onze kleren te laten kijken. De Here is in de kerk, wiens naam wij aanroepen. Hij is er, die gezegd heeft: Zo wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe. Daarom gaan wij naar de kerk, omdat wij in de wereld tussen hamer en aambeeld zijn. En omdat wijzelf beurtelings hamer en aambeeld zijn. De kerk is een opening in de wereld, waardoor men roepen mag. En die opening is er van 't begin van de wereld af geweest, dat lezen we hier: van de tijden van Adam en Eva, Kaïn en Abel af.
Wij roepen van onszelf af, naar God toe. Wij roepen de naam des Heren aan. Dat doen de psalmen. Lees maar:
Psalm 3 - 0 Here! - Zo begint het.
Psalm 4 - Als ik roep, verhoor mij, o God...
Psalm 5 - 0 Here, neem mijn redenen ter ore.
Psalm 6 - 0 Here, straf mij niet...
Psalm 7 - Here mijn God, op U betrouw ik.
Psalm 8 - 0 Here, onze Here, hoe heerlijk is Uw naam op de ganse aarde!
Psalm 9 - Ik zal de Here loven...
Psalm 10 - 0 Here, waarom staat Gij van verre?
Psalm 11 - Ik betrouw op de Here.
Psalm 12 - Behoud, o Here!
Psalm 13 - Hoe lang, Here...
En zo verder.
Wij doen het ook in ons gebed: Onze Vader, die in de hemelen zijt. Is God dan niet op de aarde? Hij is het, maar wij roepen Hem aan uit onze aardse nood. Alleen door deze aanroeping komt er wezen aan onze menselijkheid. Men heeft vaak gevraagd naar het wezen van de mens. Het wezen ook van de menselijke geschiedenis. Buiten de aanroeping is daar niet veel van te zeggen. We hebben boven het dier de rede voor. Maar hoe gebruiken we die? Lees Psalm 14, daar hield ik zopas op. Die begint niet met een aanroep van de Here. Dat is een woord van God over de mensen, als ze Hem niet aanroepen.
De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het; zij maken het gruwelijk met hun werk: er is niemand, die goed doet. De Here heeft uit de hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien of iemand verstandig ware, die God zocht. Zij zijn allen afgeweken; samen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet één. Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen de Here niet aan (Ps. 14 : 1-4).
Daar hebt gij het: Gods Woord over de met rede begaafde mensen, als zij de Here niet aanroepen. Zo zijn er meer dingen. De mensen zijn sociale wezens. Er is geen schepsel zo sociaal van nature. Maar tegelijk zo onsociaal in zijn handelwijze, als ze de Here niet aanroepen. Hij heeft heerschappij! Maar hoe gebruikt hij die? De menselijkheid op zichzelf is een vreemd ding. Het is een grote vraag. Het is een nood. Het is een dood. Het is een zonde. Het is een gapende wonde.
Hoe zal er wezen in komen, zodat we met stichting kunnen lezen: Man en vrouw schiep Hij ze (Gen. 1 : 27). Is het een vergissing geweest? Er staat een keer in de bijbel, dat het God berouwde dat Hij ze geschapen had (Gen. 6 : 6 v.). Begrijpen wij iets daarvan, ook bij het licht van de geschiedenis van onze tijd? Een ding helpt ons hier. Bij 't begin, dadelijk buiten het paradijs, begonnen ze ook de Here aan te roepen. Dat is het wezen. Menselijkheid is christelijkheid. Welke trekken? Schuldbelijdenis. Na Psalm 14 gaan de Psalmen weer door. Ze roepen. Psalm 15: Here, wie zal verkeren? Enzovoort. Zonder schuldbelijdenis, zonder Christus, zonder aanroepen van God is de mens brutaal. Het is brutaal om te leven zonder schuldbelijdenis. Het is onredelijk, dwaas (Ps. 14). Het is zeggen: Er is geen God. Hoe wij ook zoeken in 't leven naar een zin van het leven, wij kunnen die niet vinden. Als het roepen begint, komt er wat wezen in. Anders is het starheid, brutaliteit. De ongerechtigheid op iemands rug boven zijn hoofd zichtbaar. En hij ziet en bekent ze zelf niet. Dat is onwezenlijk. Daarom heeft Christus onze zonde gedragen op het hout (1 Petr. 2 : 24), en Hij heeft de vloek van ons afgenomen, en Hij heeft God behaagd.
God wil aangeroepen worden. Hij wil dat wij belijdenis doen, dat wij ons hart openen voor Hem. Dan zullen wij merken dat wij een barmhartig God hebben. God is barmhartig en genadig. Hem aanroepen brengt wezen aan onze menselijkheid. Al moet het zijn van tussen hamer en aambeeld uit.
Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan de wijnstok wezen zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geen spijze voortbrengen, dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal, zo zal ik nochtans in de Here van vreugde opspringen; ik zal mij verheugen in de God mijns heils (Hab. 3 : 17 v.).
De dichter kan mens zijn, ook als alles ontbreekt. Hij toont het wezen, de aanroeping. De barmhartigheid Gods brengt de lach in het leven, de ware lach. De lach, het wezen der menselijkheid. Als uw kind twee, hoogstens drie weken na de geboorte komt, wacht ge op de lach. Als die niet komen wil, heeft het kind geen wezen. Maar voor de lach moet het aangezicht van de moeder zich buigen. Straks begint het roepen. De aanroeping van de naam, de moedernaam.
Het strakke, wezenloze gezicht der menselijkheid, dat de barmhartigheid Gods niet kent, omdat het de schuld niet belijdt: dat is Psalm 14. De engelen kennen de barmhartigheid Gods niet. Wij wel. Het is het menselijke. Maar zij verheugen zich erin. Zij kennen wel de aanroeping. Dag en nacht. Wij kunnen alleen aanroepen als wij belijden. Dat is schuld belijden en geloven in Gods beloften. Alleen in Christus heeft ons leven een zin. Alleen door Christus kunnen we tot God roepen. Alleen om Christus' wil is God ons genadig. Alleen in Christus kunnen we leven. Het causale en finale redt ons niet. Het aangezicht van Jezus Christus moet doorbreken. De kwaliteit van het leven is zonde. De aanroeping betekent vergeving. Alleen in het teken des kruises.