Genesis 15 : 2b
De bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer.
Genesis 15 : 2b
Onze tekst is genomen uit de geschiedenis van Abraham. Eliëzer, de Damaskener, is Abrahams knecht. Een tijdlang dacht Abraham dat Eliëzer zijn erfgenaam zou worden. Dat is niet gebeurd. Abraham had een zoon, Isaäk, en Isaäk had een zoon, die Jakob heette of Israël. En deze was de stamvader van het volk Israël.
Eliëzer is de erfenis misgelopen, maar hij heeft een beter deel gekregen. Hij is het grote voorbeeld van een dienaar in de bijbel, van iemand, die trouw is in wat hij voor een ander doet. Eliëzer had een dienst, en hij schaamde er zich niet voor. Hij zei niet: Ik heb een betrekking. Het dienen was het schoonste wat er voor hem bestond. Een houding van het leven, waarmee hij volkomen tevreden was.
Wanneer wij verder lezen in Abrahams geschiedenis, dan komen wij deze knecht, deze dienaar nog genoeg tegen. Hij bekleedt een grote plaats in de geschiedenis van de aartsvaders. Hij wordt straks uitgezonden naar hetzelfde Ur der Chaldeeën, waaruit Abraham opgetogen was, om voor Isaäk een vrouw te zoeken. Abraham zendt hem uit om, wij zouden zeggen, voorzienigheid te spelen. Hij moet het zijn, die, zoals het huwelijksformulier het zegt, doet wat God doen moet: Isaäk zijn vrouw als met zijn hand toeleiden. Wie ooit het verhaal van die delicate zending gelezen heeft, weet hoe bewonderenswaardig Eliëzer zich van zijn zending gekweten heeft. Menigeen, die liever heer heet dan knecht, kan daar leren hoe men zich tegenover God en de mensen gedragen moet.
Deze dienaar wordt heer van de omstandigheden, van de situatie, omdat hij de weg volgt, die zijn dienst hem voorschrijft, omdat zijn dienen tegelijk is een dienen van God, omdat hij door zijn trouw aan de engelen gelijk komt, die ook gedienstige geesten zijn, en die hun dienst om Gods wille vervullen.
Zo zien wij in de geschiedenis van Eliëzer de hele voorzienigheid Gods in beweging komen. De weg van de knecht is tegelijk de weg Gods. Zijn dienst is geen smal paadje, geen tredmolen der alledaagsheid. Aan alle kanten staan bij zijn werk de luiken van het leven open. Hij werkt mede met God. Zijn dienst brengt hem met God in aanraking. Als hij zijn meester Abraham dient, dan doet hij dat zo, dat hij komt samen te werken met God. Hij let op God. Zijn gedrag laat hij van Gods wenken afhangen. Hij kent de geheimzinnigheid van het leven. En zijn dienen wordt een hoger ambt, een wandel met God. Zo is Eliëzer in de bijbel de vertegenwoordiger van het dienen. Hij laat ons zien welk een wonder-heerlijk ding de dienst is.
De verhouding tot God is van tweeërlei aard. Ze is kindschap en dienst. Dat laatste blijft ook als wij om Christus' wille tot kinderen worden aangenomen. Familiaar mogen we tegenover God nooit zijn. Hij blijft de Heer en wij zijn dienaren. Hij blijft God en wij zijn schepselen. Als wij Hem Vader noemen, is dat een verhouding waarin Gods majesteit en scheppershoogheid niet worden opgeheven. Het mensenleven is een dienst, en God is er niet om van Hem te genieten. Men moet Hem dienen. Dat is de stand van het schepsel, de hoogste stand waartoe iemand kan geraken. Wat ge ook moogt willen of bereiken, boven die dienst komt ge niet uit. Het hele leven is erop aangelegd. En hemel en aarde komen erbij te pas.
In 't middelpunt der wereld staat de grote dienaar, Jezus Christus, die gezegd heeft: Ik ben gekomen om te dienen (Mt. 20: 28). Wie buiten deze weg gaat, raakt de aanraking met het leven kwijt. Hij komt in 't luchtledige. Men is er spoedig genoeg in, als men de dienst versmaadt en de weelde zoekt.
"Wie ver van U de weelde zoekt, vergaat eerlang en wordt vervloekt."
Men komt er gemakkelijk toe om het te proberen buiten die dienstverhouding. Maar wie het kindschap Gods zo opvat, dat de dienstverhouding eruitgaat, die raakt op een dwaalspoor. Hij wil God exploiteren, in plaats van God te dienen. Hij wil alles in plaats van wat God bepaald heeft. Daar:
"Heer, ai! maak mij Uwe wegen door Uw woord en Geest bekend; leer mij hoe die zijn gelegen en waarheen G' Uw treden wendt."