O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Genesis 15 : 2bLarenExodus 33 : 19 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 198–199

Exodus 20 : 2

Ik ben de Here, uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.

Exodus 20 : 2

Onze tekstwoorden staan aan het begin van de Tien geboden, zoals 'Onze Vader, die in de hemelen zijt' aan het begin van het allervolmaaktste gebed. Hier spreekt God zelf tot zijn volk en zegt wie Hij is, voor Hij zijn geboden geeft. Zijn geboden, die niet zwaar zijn, omdat de vervulling van het gebod de liefde is. Gods geboden. Mijn juk is zacht en mijn last is licht (Mt. 11 : 30). Tien is nog te veel geteld, zegt Jezus. God plaagt ons niet met zijn eisen. Hij vraagt wat liefde voor zich en voor uw naaste. Is dat een onredelijke vraag? Maakt liefhebben u ongelukkig? Brengt het uw leven in de war? Worden uw verstand, gevoel en wil erdoor uit hun verband gebracht? 't Omgekeerde. Wie gij zijt, weet men pas, als de liefde uw gangen bestiert. Welnu, dat gebod geeft God u, meer niet en ook niet minder.

't Is nogal vanzelfsprekend. De Tien geboden zijn eenvoudig. Geen andere goden! Geen gesneden beeld! Geen ijdel gebruik van zijn naam. De sabbatdag: tijd voor God. - Dan de naaste. Uw ouders. Niet doodslaan. Niet stelen. Niet echtbreken. Geen valse getuigenis. Niet begeren. Simpele geboden, waarin het gebod tot liefhebben van God en de naaste is uiteengelegd. En toch, wat hebt ge er een moeite mee. Met die vanzelfsprekende geboden. Lees eens de uitlegging in Mattheüs 5, in de Heidelbergse catechismus, van zondag 34 af. Hoe komt dat toch? Kijk eens in die spiegel der wet, zoals Jakobus het noemt (vgl. Jak. 1 : 23 vv.), en vraag uzelf af wie gij zijt. Herkent ge uzelf wel? Daar staan die eenvoudige vragen van God. 't Spreekt toch vanzelf, dat ge het doet? Gij zijt toch een redelijk wezen, een mens? Gij zijt toch geen paard, dat op de toom behoeft gereden te worden? En toch, en toch? Vreemd, die eenvoudige geboden van God, zo vanzelfsprekend; gij houdt ze niet. Waarom toch niet? Die wet is toch wel goed? God vraagt toch niet te veel? Wat bezielt u toch?

Misschien ziet ge het niet goed, omdat alles zo in 't klein gebeurt in uw leven. ⚑Doodslaan doet ge toch niet? De echt hebt ge niet gebroken? Geen valse eden gedaan? En toch, durft ge in de spiegel der wet zien? Men moet, met Plato, de zaak vergroten. Gerechtigheid in de staat bestuderen. Doodslaan niet? Stelen, overspel, valse getuigenis? Sabbat-schennis, vloeken, ongeestelijk dienen (beeldendienst), andere goden (Mammondienst); is het er of is het er niet? In 't groot? Wie doet dat? Gij niet mee?

Sommige mensen zeggen dat men het dienen van God ingewikkeld heeft gemaakt. Zij zeggen: Laten we allemaal de bergrede doen. Nog eenvoudiger: de Tien geboden. Goed, laten we 't zo zeggen: laten we de Tien geboden onderhouden. Is de zaak nu eenvoudig? Let erop in 't groot, en let er dan op in uw eigen leven.

Ik ben de Here, uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. En dan komen die geboden. God kent zijn volk. Zij komen uit het diensthuis. Een vreemde naam: diensthuis. Ze zijn als slaven geboren. Ze hebben de vrijheid niet geleerd. Het gebod is het gebod der vrijheid. Gebondenen in het huis der dienstbaarheid. Egypte, het land der slavernij. Abyssinië nog. De koning heer, alle anderen slaven. Het leven slavernij. Hoeveel geboden, hoeveel vrijheid? Het leven zonder Gods gebod een diensthuis. Wat zeggen uw hart en geweten ervan? Paulus, Romeinen 7. Waar is hier de vrijheid? Allerlei goden, beelden, vloeken. Alle dagen de wereld dienen, nooit rusten. Daarom: Ik ben de Here, uw God, die... Zo komt het gebod tot ons.

Wet en Evangelie staan tegenover elkaar, maar in oorsprong zijn ze beide uit God. Ze dienen een heilsplan. Het gebod is al vrijheid. Vergeving; ruimte. Psalm 119. Er zijn weinig geboden opgelegd door God, die de slavernij breekt. Dit dienen staat vlak tegenover slavernij.

Maar wie zijt gij? De slavernij gaat u gemakkelijker af dan het gebod Gods. De vele beter dan de weinige. Het hart keert terug naar het diensthuis. De vleespotten (Ex. 16: 3)! Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods (Rom. 7: 24)? Vlees en Geest. De Geest en de woestijn. De Geest leidde Jezus in de woestijn naar zijn werk. De Geest leidt de kinderen Israëls door de woestijn. De Geest leidt de kinderen Gods door de woestijn.

Het gebod is beperking: Gij zult niet. Maar het gebod is goed. 'Die u uitgeleid heb.' Ze zijn voor het volk, dat verlost is. Niet om zichzelf te verlossen. God heeft hen uitgeleid. De geboden zijn voor een nieuw land, voor het land Kanaän. Er moet uittocht plaatshebben om ze te volbrengen. In Egypte niet te verwezenlijken. De geboden passen bij het Koninkrijk, bij het volbrachte werk, bij het uitgeleide volk. Ze herscheppen de wereld. De liefde vergaat nimmermeer (1 Kor. 13 : 8).

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Genesis 15 : 2bLarenExodus 33 : 19 →