Kruis en schepping1
Van de artikelen van ons christelijk geloof is er geen enkel, dat tegenwoordig zo duidelijk aan de orde van de dag wordt gesteld als het eerste, de belijdenis van de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. Dat is de oude vraag, uit de eerste dagen der kerk, naar de verhouding van Evangelie en schepping.
Zo vaak wij ze tegenkomen moeten wij er aan denken, dat we van God de Vader geen andere kennis hebben dan door openbaring. Wij moeten niet denken dat de Vader de eigenlijke God is, die wij op allerlei gewone manieren toch wel kennen, terwijl wij dan voor Christus en de Heilige Geest op de bijbel zouden zijn aangewezen.
Zo wordt er wel vaak gedacht en gesproken. Men zegt dan: ik geloof wel in een God en bedoelt daarmee dan de Vader. Maar met Christus en de Geest heeft men dan zijn moeite. Daarin moet men geloven door de bijbel en in dat boek staan dingen, die zo moeilijk aan te nemen zijn. Met de Vader is dat anders. Hem kent men uit de natuur en het geweten en het besef van zijn bestaan staat in het hart gegrift.
Deze gedachte is onbijbels. Dat er een Vader in de hemelen is, is geen vanzelfsprekende zaak en dat Hij de Schepper genoemd wordt wil niet zeggen, dat wij Hem uit de schepping en Jezus Christus uit de bijbel moeten leren kennen. Juist omgekeerd. Het betekent dat de Vader-Schepper dezelfde is als de Vader-van-Jezus en dat wij dus de bijbel nodig hebben om iets van Hem te weten te komen.
Als wij belijden: ik geloof in God de Vader, Schepper des hemels en der aarde, dan spreken wij over dezelfde die wij aanroepen, als wij het Onze Vader bidden.
Als men geloofsbelijdenis doet, dan moet men zich geen andere voorstelling maken dan wanneer men het gebed uitspreekt. Belijdenis en gebed behoren bij elkaar. De Schepper-des-hemels is geen ander dan de Vader-in-de-hemelen. In het eerste geval mag men niet denken aan de Vader van alle mensen, omdat Hij ze allemaal geschapen heeft, terwijl wij dan in het laatste op onze bijzondere verhouding tot God, door Jezus, zouden letten. Dan zou Jezus ons van de Schepper scheiden en werden we dualist. En zulke dualisten zijn er veel meer dan men denkt. Als de bijvoeging in het eerste artikel ons op die gedachte zou brengen, dan deden wij beter haar weg te laten. Schepping is een bijbels, een christelijk begrip, even goed als verzoening en heiliging. Het is een zaak van belijdenis en gebed.
Hetzelfde geldt van de samenvoeging van Vader en Schepper. Dat de Schepper van hemel en aarde onze Vader is, kunnen wij zelf evenmin zomaar vaststellen als dat Jezus onze Zaligmaker is. Het moet door de Heilige Geest aan onze harten bezegeld worden. En zo ook, dat onze Vader uit het allervolmaaktste gebed de Schepper is, dat is niet een teruggaan van een nieuwtestamentische waarheid op een vanouds, ook aan de heidenen bekende, maar men leert het uit het Evangelie: de Vader, die de vogelen des hemels voedt, zonder dat ze zaaien of maaien, en die de leliën des velds bekleedt, ofschoon ze niet arbeiden en niet spinnen, Die is waard Schepper te heten.
Maar Jezus zegt dat niet van de vogels en de bloemen, evenmin als Paulus in 1 Kor. 9 : 9 v. aan de ossen gedacht wil hebben. Het staat er om de kleingelovigen. En die zaaien en maaien wèl en ze arbeiden en spinnen wèl. En ze hebben soms geen eten en geen drinken en geen kleren. Dat God de Schepper is kan men niet zien, zoals de heidenen menen, evenmin als dat Hij Onze Vader is. Het is een geloofsartikel uit de kerk en geen wet uit de natuur of een stelling uit de school.
Als Jezus zegt dat zijn discipelen de vogelen des hemels zeer veel te boven gaan en dat de Vader hen veel meer kleden zal dan de leliën des velds, dan is daarmee niet bedoeld, dat zij zoveel voortreffelijker schepselen zijn in biologische zin. Dat is een stelling uit de dierkunde, die de christelijke dogmatiek vaak in den brede uitwerkt tot haar eigen schade. - Jezus bedoelt er mee dat zijn discipelen in het Koninkrijk der hemelen thuis horen. Men kent het antwoord van het schoolkind, dat op de les aan Frederik de Grote op de vraag of de mens in het delfstoffen-, het planten- of het dierenrijk thuishoorde, ten antwoord gaf: in het Godsrijk. De Schepper, naar wie Jezus in Mattheüs 6 heenwijst, moet niet gedacht worden als de stoïsche Voorzienigheid, wier zorgen men vanzelfsprekend deelt met de vogels en de bloemen. Jezus zegt het er zelf bij: dat is het heidense geloof. Die kennen dat evengoed en nog beter dan de christenen. Bij Plutarchus2 kan men er meer over vinden dan bij Paulus.
De Schepper, die in de bergrede, de gelijkenissen, de Twaalf artikelen bedoeld is, dat is de God van het Koninkrijk. Het is de Vader uit het gebed, dat als tweede bede heeft: Uw koninkrijk kome! De kleingelovigen, die Jezus aanspoort om in Hem te geloven, moeten het wagen met dat Koninkrijk, zoals de moordenaar aan het kruis dat doet, als hij Jezus vraagt: gedenk mijner, als Gij in uw Koninkrijk zult gekomen zijn. - Dat is inderdaad veel meer dan hereboer wezen in het rijk der voorzienigheid. ⚑De waarheid der schepping is geen toon in een harmonie, geen cijfer in een rekenkunstige reeks, geen secunde in een oneindige tijd. Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het Woord Gods is toebereid (Hebr. 1 1 : 3).
De Schepping ligt rondom het Kruis, hoe verlaten dit ook schijnt. Het Kruis staat midden in de Schepping. De Schepping is een plek licht rondom het Kruis.
Als wij dat gezien hebben blijkt er toch nog wel gelijkenis te zijn tussen de leliën, de vogelen en de gelovigen. Het gras des velds, dat heden is en morgen in de oven geworpen wordt! En worden niet twee muskens om een penningske verkocht? En is Jezus niet verkocht voor dertig zilveren penningen? - Maar dan wordt het Godsrijk niet in het dierenrijk getrokken, doch het planten- en dierenrijk in het Godsrijk. Dan is er ook plaats voor het zeer veel en het veel meer van Jezus' woorden in Mattheüs 6. Dan is het dualisme in de goede richting overwonnen. En het kerklied zingt:
Kom Schepper Geest!