Schepping als kritisch begrip1
Voor kerk en theologie, staat en politiek, hangt er veel van af, hoe men zich de schepping denkt. Het naast ligt ons de ruimtelijke opvatting. Symbool daarvan is de bol of sfeer en haar heerlijkheid bestaat dan in de harmonie der sferen, waarover men in de oudheid gaarne sprak, en die hoorbaar moest zijn voor de volmaakte geest.
Deze prachtige voorstelling, waarbij de geest een orgeltoon is, die door een machtige ruimte, een wereldprestant, wordt voortgebracht, zal altijd een grote bekoring blijven behouden. De kerkvaders hebben er dikwijls de tol aan betaald. - Toch weten ze beter. De geest gaat niet uit van de ruimte, maar uit de engte. Hij is een schreeuw der ziel als die van het hijgend hert, der jacht ontkomen.2 Niet de harmonie des levens, maar het lelijke kruis is het beginsel waaruit de geest geboren wordt.
De kerk heeft dat niet altijd in het oog gehouden. Zij viel telkens uit de kritische in de ruimtelijke opvatting der schepping terug.
Rome maakte van de wereld een huis met twee verdiepingen. De benedenruimte voor de staat, het bovenhuis voor de kerk. En zo alles navenant. De scherp-kritische opvatting van Augustinus raakte in vergetelheid. - De mens als schepsel werd als een natuurlijk wezen gezien; daar kwamen dan andere gaven als toegift bovenop. De filosofische deugden regeerden het burgerlijke leven. Hogerop golden de theologische: geloof, hoop en liefde. De Tien geboden waren voor de leken; de raadgevingen van het Evangelie voor de geestelijken. Beneden stond de oude cultuur intact; daarop verhieven zich de koepels en torens der kerk.
Deze ruimtelijke opvatting van de verhouding tussen schepping en Evangelie klinkt in allerlei toonaarden door. De zonde is dan een dissonant in een harmonie. Het Evangelie werkt 'medisch' en doktert aan het lichaam der schepping.
Nu is dat in de oude kerk nooit zo erg als het lijkt. Dat de kerk de bovenbouw vormt, daarin ligt een stevig stuk kritiek opgesloten. De kerkvaders zijn in die kritiek lang niet mals en ook in de middeleeuwen werd zij stevig gehanteerd. - Maar anders wordt het als men onder protestanten die ruimtelijke indeling weer opneemt. De Hervorming kent de onderscheiding van beneden en boven in de schepping niet. Zij ziet haar niet ruimtelijk, maar geestelijk. Dit geldt tenminste van de gereformeerden. Bij hen dringt het Evangelie kritisch-scheppend op de wereld in. Hun kerk neemt de mensen niet zoals ze zijn, een kunst die Rome vaak zo meesterlijk oefent. Zij dokteren niet aan het leven, maar zoeken het in het bad der wedergeboorte tot vernieuwing te brengen. De machtige proef van Calvijn met Genève is er het klassieke voorbeeld van. Maar ook nu nog kan een vergelijking tussen een rooms en een gereformeerd zendingsveld dit duidelijk illustreren.
Wanneer men nu in de wereld van Calvijn de ruimtelijke indeling weer wil invoeren, dan moet de kerk binnen de staat een plaats krijgen. Voor bovenbouw is geen gelegenheid meer. Die kennen wij niet. De kerk moet zich dan op haar eigen terrein houden. Van kritiek op de staat heeft zij zich te onthouden, als zij de kritische verhouding voor de ruimtelijke wil inruilen. De staat regelt dan de schepping; en daarna krijgt de kerk een afdeling om het Evangelie te bedienen.
Deze plaats hoort men dezer dagen vaak aan de kerk toewijzen. Die is dan meestal niet oneervol. Enkele malen hoorde ik de schepping op drieërlei plan verdelen en telkens stond de kerk op het hoogste plan. Maar dat neemt niet weg, dat men haar bij de staat inbouwt, naar de ruimtelijke opvatting der schepping. De kerk zou daar denatureren.
Deze verdeling in drieën vond ik ook in een artikel van mr. Van den Helm, in nr. 27 van dit blad.a3 Hij onderscheidt daar drie krachten, die werken in drie sferen en ziet 'de drievoudige menselijke sfeer als onderdeel ener Schepping' en die wil hij in onderling verband ge-'rangschikt' zien. Nu ga ik hier op dat stuk niet in. Het dient mij hier enkel voor illustratie. Het is een mengsel van de ruimtelijke en de kritische opvatting. Een indeling in drieën behoeft niet ruimtelijk te zijn. Pascal gaf zijn beroemde onderscheiding van de drie rijken, dat van de stof, dat van de geest en dat van de liefde.b⚑ Tussen deze drie dacht hij zich een absoluut-kritische verhouding. De wereld der stof was niets in die van de geest; en deze niets in het rijk der liefde. - In het stuk van mr. Van den Helm meende ik echter ook rustige nevenschikking van ras, moraliteit en godsdienst op te merken.
Voor deze rangschikking of nevenschikking wil ik hier nog even de aandacht vragen. Is zij mogelijk in een wereld, waarin de wolf nog niet met het lam verkeert en de luipaard niet bij de geitebok nederligt? Zouden wij in onze tijd het kunnen wagen een stuk van de kritische verhouding af te zweren en er een evenredig deel van de ruimtelijke opvatting voor in de plaats te nemen? Of zullen wij omgekeerd de laatste resten of bijna-de-laatste resten van onze harmonie-aanbidding moeten opgeven om het vollediger te wagen met de kritiek van het kruis? - Zal het mogelijk zijn om met mr. Van den Helm te spreken - "aan het belangstellend publiek waardevolle maatstaven in handen (te) geven", welke dat publiek dan verder verstandig en rustig gebruikt, als er vragen van ras, nattigheid of zaligheid aan de orde komen? Zijn wij op weg naar de idylle, naar de politieke pastoraal?
Ik mag het lijden, al heb ik moeite het mij voor te stellen. Ik wil ook mijn best doen het mij voor te stellen. Ik kan het ook op één conditie! Dat aan het loket, waar de maatstaven aan het publiek worden uitgereikt, zullen verschijnen de navolgende personen. Voor het ras de vader en moeder uit Tristram Shandy.4 Voor de nettigheid de vader uit Jantje zag eens pruimen hangen en de moeder uit Cornelis had een glas gebroken.5 En voor de zaligheid de stichter van de Maatschappij tot nut van 't Algemeen.'6 In dat geval voorzie ik geen ongelukken. Men kreeg dan misschien iets van de harmonie der sferen te horen.
Anders zou het verlopen als te zamen moesten compareren: Cesare Borgia voor de afstammingswil; 7Savonarola voor de gerechtigheid; 8en Calvijn voor de ere Gods. De oordelen Gods, die dan tegen elkaar op zouden lopen, zouden ons horen en zien doen vergaan. Dan zou het blijken welk een wanhopig-kritisch begrip ik hanteer, als ik de schepping noem. Maar dat zou er een beter besef van bijbrengen, dan wanneer wij er een departement van menselijke zaken van maken.