Woord en Geest1
Het onderwerp is zo breed, dat het vrijwel de gehele geloofsleer omvat. Het kan betrekking hebben op de leer aangaande God, de Triniteit, waar het dan gaat over de verhouding van de tweede en de derde Persoon in Gods heilig Wezen. - Of wij kunnen onder deze titel behandelen sommige vragen uit de locus de Sacra Scriptura; hoe de letter der Schrift bij de uitlegging moet worden verklaard uit de mening des Geestes, waarvan zij de uitdrukking is. - Bij de prediking herhaalt zich dat en komt het er op aan zich er rekenschap van te geven in hoeverre datgene, wat de dienaar des Woords te zeggen heeft, al of niet samenvalt met het spreken van de levende God zelf.
- Zo is het ook bij de toeëigening van het gepredikte Evangelie, waarbij het uitwendige woord te onderscheiden is van de inwendige werking des Geestes. - Zo weer bij de locus de ecclesia, als gehandeld wordt over de geestelijke gaven in het algemeen en de ambtelijke verkondiging van de boodschap van Jezus Christus. - Zelfs bij de leer der laatste dingen zal de christen moeten bedenken dat het Woord als Wet en ook als Evangelie ten dele zijn bestaan te danken heeft aan het ontstaan van de zonde en zich moeten afvragen in hoeverre datgene wat ten dele is, zal te niet gedaan worden.
Wij zullen hier natuurlijk niet over dat alles iets kunnen zeggen. Al te dogmatisch wil ik ook in dit artikel niet schrijven. Ik stel mij voor over mijn onderwerp een en ander te zeggen, dat verband houdt met sommige vragen, die na de oorlog bij uitstek actueel zijn geworden en die veelal onder het hoofd 'humanisme en christendom' worden samengevat. Daarbij gaat het er om, hoe wij de verhouding van Woord en Geest moeten zien. Is de Geest een verbreding, een uitvloeiing van het Woord, zodat de betekenis van dat Woord vager wordt en als zodanig door het leven kan worden geabsorbeerd? Kan het Woord op die wijze tenslotte onder andere categorieën worden ondergebracht, zoals licht, kracht, enz.? In één woord: kan het Woord overgaan in Geest? Kan het zijn scherpe belijning, zijn eigenlijke betekenis verliezen en iets anders worden, dat minder tegenover ons staat en daarmee voor ons meer aanvaardbaar wordt, zodat wij minder moeite hebben het te laten gelden? Zullen wij het Woord op die wijze in ons kunnen opnemen als ons persoonlijk eigendom, als ons levensbeginsel en zal dat de weg worden om anderen er in te betrekken en elkaar te leren vinden? Wordt op deze wijze een kerk gevormd en Gods Koninkrijk voorbereid?
Zulke vragen zijn niet van gisteren of eergisteren maar zij worden weer gesteld met een naïviteit, die alleen te verklaren is uit de grote verlegenheid, waarin wij ons bevinden. Het christendom of liever het Evangelie schijnt zo onbegrepen en tegengesproken tegenover de tegenwoordige wereld te staan, dat het geboden lijkt alles na te laten wat deze toestand zou kunnen verergeren. Is het dan niet de aangewezen weg om te trachten een sfeer te scheppen, een mentaliteit aan te kweken, waarin allen elkaar kunnen ontmoeten, die van goeden wille zijn? En zal daartoe niet het aangewezen middel blijken: het laten zien van een overgang, een continuïteit tussen Woord en Geest? Dan zouden misschien degenen, die het moeilijk hebben met de scherpe betekenis, de ergernis gevende zin van het Woord Gods, de begrippen uit de bijbel, zich kunnen verzoenen met de geestelijke uitvloeisels daarvan, zoals die in allerlei vormen geacht worden te kunnen worden hersteld en teruggeroepen, ook waar zij, door verwaarlozing van een overmoedig geslacht, in vergetelheid zijn gebracht.
Dit ligt te meer voor de hand omdat er, onder het besef van onze ogenblikkelijke nood, zich bewustzijnslagen bevinden, waaruit men voor dat doel kan putten, in verband met historische toestanden in het verleden, waarvan die lagen de sedimenten zijn.
Daar is allereerst het stoïsche logosbegrip, dat zeer verwant is met dat van het pneuma. De stoïsche levensleer, met haar immanente redelijkheid, is in ons werelddeel altijd op de achtergrond van het christendom blijven staan, gereed om naar voren te komen, zodra de historie even stokte, en bereid om degenen op te vangen, die vermoeid schenen van de spanningen die de prediking in de kerk opwekte. Met name in de zedeleer is het gebod Gods vaak zeer gebrekkig tot uiting gekomen en heeft men zich min of meer behaaglijk aangevlijd tegen de vaste regels, die in overeenstemming met de natuur van de mens schenen te kunnen worden afgeleid. In de sferen, die op de verschillende levensgebieden heersen, voelde men zich thuis en men was daardoor weinig bereid om, als Abram, naar een roeping van het Woord Gods, dat aan die rust een einde maakt te luisteren. Datgene, waaraan men zich hield, verdiende meer de naam van geest, dan van Woord. Deze geest bestond dan uit een stelsel van gelijkblijvende levenshoudingen, waarvan de juistheid ook met het verstand kon worden ingezien.
De christelijke kerk vóór de Reformatie heeft zich door de plaats, die zij aan de natuurlijke theologie toekende, nauw aangesloten bij de oudheid. De genade werd als een toegift beschouwd. Gratia naturam non tollit, sed perficit.2 De concessie die daardoor aan het heidendom wordt gedaan, mag men niet overdrijven. Wat op grond van het Evangelie geleerd wordt, stelt datgene wat wij door onze aanleg weten, verre in de schaduw. Niettemin leert iedere ontmoeting tussen rooms en protestant, met name tussen rooms en gereformeerd, dat hier weer een van die bewustzijnslagen aanwezig is, waarover ik sprak, en die, omdat zij tot ons eigen verleden behoren, steeds actief kunnen worden. Dit is te meer het geval, nu dat verleden in de roomse theologie naast ons voortleeft en als zodanig krachtig meewerkt om de bij ons verdrongen voorstellingen weer te actualiseren. Rome beschouwt het protestantisme min of meer als een Woord-complex en zou dit willen wegwerken door ons het natuurlijke en het stabiele van ons geloof weer meer tot bewustzijn te brengen. Bij de roomsen gaat de Heilige Geest soms bijna schuil in de genade.a En de genade loopt gevaar gevat te worden in fysische categorieën. Zij wordt dan een kracht of een leven, dat de mens wordt ingegoten, zodat een duidelijk horen van het Woord minder nodig wordt. Het Woord is dan geen instrument van de Persoon des Heiligen Geestes, maar vervloeit tot geest, wordt verzakelijkt in een leven, waarin het Woord een duurzaamheid verkrijgt, die de kerk administreert ten bate van de gelovigen.
Ook uit deze schatkameren worden ons zekerheden en vastigheden aangereikt, om ons te hulp te komen in de nood, waarin wij door het Woord dat ons roept, gebracht worden.
Er is echter nog een derde waarop hier gewezen moet worden. In de negentiende eeuw heeft de protestantse theologie bijna over het hele veld een secularisering ondergaan, een vergeestelijking van het Woord, en in verband daarmee een verzakelijking van de Geest, die in beide opzichten Rome dikwijls verre achter zich liet. Bij Schleiermacher is er voor de persoon des Heiligen Geestes in de geloofsleer eigenlijk geen plaats.3 Het is de geest der gemeente, die ontstaat door de werking, die Christus op haar uitoefent. De verschijning van Christus is de enige bovennatuurlijke grondslag van het christendom. - In verband met het op de voorgrond komen van het Woord tegenover de sacramenten bij de Reformatie, verloopt het genadeleven echter meer in het bewustzijn dan bij Rome. De verzakelijking is minder sacramenteel. De Heilige Geest wordt verzakelijkt in de heiliging der gemeente, die een regelrechte voortzetting is van Christus' zelfbewustzijn. Wat bij Rome in de levens der heiligen plaatsvindt, dat wordt hier uitgebreid tot de hele gemeente.
De theologie van Schleiermacher is in de eeuw, als wier kerkvader hij gold, principieel zelden ongewijzigd overgenomen. Daarvoor was de invloed der reformatoren te sterk. Maar wel moet men zeggen dat haar invloed buitengewoon groot is geweest. Er is in de vorige eeuw in de theologie en in de prediking, wat men zou kunnen noemen, een eclips van Woord en Geest beide, voorzover het spreken en het handelen Gods, volgens de bijbelse openbaring, op de achtergrond werd geschoven. Dat de Vader in Christus spreekt en dat Christus door de Heilige Geest troost verstond men niet in zijn directe, ingrijpende betekenis. Het natuurlijk bewustzijn, ons eigen denken, onze zondige wil maakten zich meester van wat Christus aan de gemeente had geschonken. En zo werden alle bijbelse noties vervaagd of vervangen door begrippen uit de oude natuurlijke theologie of de moderne geesteswetenschappen. Men leende bij de filosofische ethiek en paste de bijbelse gegevens daarbij aan. Het Evangelie dat in de vorm van Woord en Geest bestaat, werd op die wijze een levensbeschouwing; de kerk een sociologisch begrip; het geloof een ervaring.
Deze drie beschouwingen, de levensleer der Stoa, de natuurlijke theologie der Roomse Kerk en de geesteswetenschappelijke denkwijze van het nieuw-protestantisme, hebben alle een goede staat van dienst en zij hebben daarom een zeker recht om zich aan te bieden als wij in verlegenheid komen en ons niet meer weten te redden. Zij zijn in het bezit van goede getuigschriften. Wanneer dan ook heden ten dage veel sprake is van christendom en humanisme, dan hangt dat gesprek ongetwijfeld samen met genoemd aanbod. De steun die ons hier wordt aangeboden is ons, om zo te zeggen, nader dan de uitkomst, die Woord en Geest ons kunnen brengen. Die steun ligt meer onder ons bereik.
Wij hebben echter niet onze eigen, maar Gods weg te gaan. Dat is de weg, waarop het kruis door Christus gedragen is. Wanneer woord en geest met een kleine letter geschreven moeten worden om aan te duiden wat de componenten van ons Evangelie zijn, dan is dat een bewijs, dat wij het volle Evangelie niet meer horen.
Het Woord, zoals het Oude Testament daarvan spreekt, en zoals Jezus in het Nieuwe Testament het Woord heet, komt regelrecht van God. 'De Heere spreekt!', zeggen de profeten, als zij optreden. Zij hebben een opdracht. Zij leiden die niet af uit hun eigen politieke of kerkelijke opvattingen, maar spreken op grond van een onmiddellijk tot hen gekomen boodschap. En zo heet ook het Evangelie een blijde boodschap, die aan alle creaturen gepredikt moet worden. Jezus' optreden is niet te verklaren uit de ontwikkeling van het joodse godsdienstige denken, maar Hij is door de Vader gezonden, toen het zijn tijd was. Ook al zou men de 'volheid des tijds' willen opvatten als: 'toen de tijd er rijp voor was', dan is Jezus' komst daaruit toch niet af te leiden. De rijpheid van de tijd heeft eerder hierin bestaan, dat de zonde meer tot openbaring was gekomen.b Maar uit die zonde wordt Jezus niet geboren. Hij wordt uit God geboren. ⚑Wanneer wij daarom onze tijd zouden willen te hulp komen en tegemoet komen, door terug te grijpen op wat uit de oudheid en de Europese christenheid in de historie is aangeslibd of zich in ons bewustzijn heeft vastgelegd, dan zou dat een soort noodlanding betekenen. De wijze van de Stoa en de persoonlijkheid uit het Duitse idealisme zullen ons niet kunnen redden. Wanneer de science ons te gronde richt zal de sagessec ons er niet uit kunnen helpen, ook al is zij christelijk getint. De wijze en de persoonlijkheid zijn figuren die zich door een zekere concentratie in de natuur en het geestesleven zoeken te handhaven. Zij trachten zich vrij te houden van de nood en de zonde om zich heen. - God volgt een heel andere weg. Hij heeft Jezus Christus tot zonde voor ons gemaakt en ons daarin de redding gebracht. In het Evangelie is de wijsheid tot dwaasheid geworden en is God zelf het centrum van een menselijke persoonlijkheid geworden.
Voor het Woord Gods is derhalve een toestand van nood en zonde geen beletsel om tot ons te komen. Eer is de tijd er dan rijp voor. Maar om dat Woord te horen hebben wij dan niet naar ons zelf of naar de wereld, doch naar God het oor te richten. Het Woord Gods is absoluut uit het gehoor. Het kan niet bedacht worden, niet ingezien, niet afgeleid, maar alleen gehoord. Het is geen zaak van levensbeschouwing en wordt niet gevonden door een pragmatische levenshouding. Het wordt gepredikt door profeten en apostelen.
Wij kunnen ons daarom het Woord Gods, zoals het tot ons komt door de Heilige Schrift, nooit scherp genoeg laten afbakenen van wat verder in deze wereld woord of rede heet. Wanneer wij het daarmee vermengen, gaat de kracht van het Evangelie verloren.
Het inzicht dat dit zo is, is in de kerk op allerlei wijze weer doorgebroken. Het is nauwelijks nodig dit aan de hand van de geschiedenis der nieuwere theologie en de jongste kerkgeschiedenis aan te wijzen. En in de dialectische theologie én bij de nieuwere kerkelijke actie kan men opmerken een zeker radicalisme, dat bedoelt het Woord Gods te zuiveren van de aanhangsels, die zich daaraan hebben vastgehecht. Men zou het kunnen vergelijken met de werkzaamheid van een architect, die een domkerk bevrijdt van huizen, die men in de loop der eeuwen daartegenaan heeft gebouwd.
Dit valt ons bijzonder op als wij ter hand nemen bijv. een dogmatiek als van Bavinck. Deze uitnemende kerkleraar schrijft daar, dat de roeping Gods allereerst tot ons komt, "niet zozeer door duidelijke woorden als wel door zaken (res), door natuur, geschiedenis, omgeving, leidingen en ervaringen." Deze zakelijke roeping is een getuigenis van Christus als Logos, waardoor Hij zijn eigen werk der genade voorbereidt. Hij trad daarom zelf eerst op in de volheid der tijden. "Toen de wereld God door haar wijsheid niet heeft gekend, heeft het God behaagd door de dwaasheid der prediking zalig te maken, die geloven" (1 Kor. 1 : 21). En verder: "Deze roeping doet die door de natuur en geschiedenis niet te niet, maar neemt ze in zich op en bevestigt ze." Hier hebben wij dus letterlijk de leer van Thomas over de verhouding van natuur en genade. Bavinck komt daarmee echter zelf in strijd door ze met de woorden van Paulus als wijsheid en dwaasheid tegenover elkaar te plaatsen. Wijsheid en dwaasheid is een tegenstelling, die parallel loopt met die tussen zonde en genade. Natuur en genade is geen bijbelse tegenstelling.
Onze tijd doet ons de betekenis van het Woord, dat ons roept, weer duidelijker verstaan. Wij nemen het Woord Gods minder gemakkelijk zakelijk als woord (zonder hoofdletter).
Datzelfde geldt nu ook van de Geest. Bij het Woord behoort de Heilige Geest als de derde Persoon in de goddelijke Drieëenheid. En hier blijkt dan wel heel duidelijk hoe onbijbels iedere verzakelijking is. Bavinck zou er wel niet aan denken tussen geest en Geest een zekere continuïïteit te stellen. Een rijk geestesleven kan onmogelijk voorbereiding zijn voor het ontvangen van de gave des Heiligen Geestes. Anders zou die Geest niet de naam van Trooster kunnen dragen. Het zijn de armen van geest aan wie het Koninkrijk der hemelen is beloofd. Zoals het genadige Woord niet tegenover de natuur, maar tegenover de zonde staat, zo komt ook de Geest niet tot de rijken maar tot de armen; niet tot de levenden, maar tot de doden, om ze levend te maken. De Geest die op Pinksteren is uitgestort is de Geest der opstanding.