O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Jesaja 40 : 6-8Idsegahuizen-Piaam (1903-1910)Mattheüs 16 : 26a →

Verzamelde Werken, deel 7 · Idsegahuizen-Piaam (1903-1910) · p. 39–47

Mattheüs 13 : 24-30

Bekeert u, zo sprak Johannes de Doper bij zijn optreden, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen (Mt. 3: 2). Datzelfde woord staat ons ook uit Jezus' mond opgetekend (Mt. 4 : 17). Het is nog altijd de inhoud der Evangelieprediking. Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Wij worden opgeroepen om te zien, te geloven, te aanschouwen een nieuwe wereld, een wereld waarin onze schuld is weggedaan, waarin onze zonde wordt tenietgedaan, waarin we de dood niet behoeven te vrezen. We worden opgeroepen om in die wereld te leven, te ademen, te hopen, te verwachten, en dienovereenkomstig te leven, dat is: ons te bekeren.

Stel u iemand voor die leeft van het goed van zijn naaste; die zichzelve begeven heeft buiten de wetten van het burgerlijk recht. Een grote schuld ligt voor zijn rekening. Hij kan die niet betalen. Integendeel, hij maakt die nog dagelijks groter. Hij grijpt ook naar het goed van zijn naaste en is een dief geworden. Er is geen uitweg om aan deze toestand te ontkomen. Hij zinkt steeds dieper. Maar nu komt iemand tot hem, die hem de schuldbrieven vraagt, die hij te betalen heeft. En hij betaalt ze voor hem. Hij zegt: Niemand heeft meer iets van u te vorderen. Gij zijt op schoon papier met uw schulden. Bekeert u, want het leven van een eerlijk en trouw mens is nabij u gekomen. Ik zet u er in. Maar nu breekt ge natuurlijk ook met uw oude gewoonten. Die zijn nu ook niet meer zo noodlottig nodig. Integendeel, het zou snode ondank zijn indien die man dan bleef volharden in zijn zonde. De deur der gevangenis was hem immers geopend. De gevangene was gepredikt loslating (vgl. Lk. 4 : 19).

Zo staat het nu ook als Jezus zegt: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Het Koninkrijk der hemelen wordt de mens gebracht. Het komt nabij. Wat hijzelf niet bereiken kan, dat wordt tot hem gebracht. In Christus is het nabij gekomen. Als hij nu bidt, moet hij zeggen: Vader. Vader, met alles wat erbij behoort aan vertrouwen, aan hoop, aan verwachting. Hij mag zo leven, alsof deze wereld een groot huisgezin ware, waarin God de vader was, die alles voor hem zijn wil en ten zijnen beste leidt. God wil hem aanzien, zoals onze catechismus het uitdrukt, alsof hij nooit zonde gedaan had. Zijn schuld zal God niet meer gedenken. Die heeft Hij achter zijn rug geworpen (Jes. 38 : 17). Hij zal er niet meer naar omzien. Maar dan moet hij ook zo leven. Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Dat dat Koninkrijk der hemelen nabij gekomen is, daar moet nu de bekering uit voortkomen. Dan moet zijn manier van doen een andere worden. Want als men met God verzoend is, dan zal het leven er toch enigszins anders uitzien, dan wanneer men God in de grond des harten als zijn vijand, zijn wederpartijder beschouwt.

Maar die omkering in levensgedachten, in levenswoorden en daden betekent een volledige bekering, - geen nieuwe lap op een oud kleed (Mt. 9 : 16) - want van nature is de mens niet gewoon God met zulk een vriendelijk oog te beschouwen. In de grond vreest hij voor god. En daarom juist zondigt hij. Hij neemt de wereld voor zich, omdat hij meent dat die hem anders ontgaan zal. Zoals een dief steelt, omdat hij met vijandschap is bezield tegen de maatschappij. Buiten God is alles zonde; zelfs de geringste gedachte. Daar heerst een noodlottige noodzakelijkheid der zonde. Maar nu komt Christus en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Ik plaats u in de nieuwe wereld. Leeft nu ook naar de aard van dat Koninkrijk, en niet op de oude wijze; bekeert u. Dat Koninkrijk der hemelen is een verborgenheid des harten. Het is niet zo van buiten aan te wijzen. Het moet in het hart verstaan worden door ervaring. En dat de prediking van dat Koninkrijk iets zal kunnen helpen, komt dan ook enkel en alleen hiervandaan, dat het zulk een heerlijke kracht en macht heeft om het leven te verlossen. Daartoe werkt de Heilige Geest in de wereld, om ze te overtuigen van die dingen en ze dat onzichtbare Koninkrijk toch te laten zien. Niet in één woord te zeggen.

Jezus heeft zich telkens bezig gehouden om aan zijn hoorders dat Koninkrijk te beschrijven op allerlei wijze door rede en gelijkenis. Naar zulk een gelijkenis moesten ze wel luisteren. Stel u daarbij voor onze Heiland, zijn oog en zijn toon, zijn hele wezen. Een eenvoudige vertelling uit het dagelijks leven was meestal zijn onderwerp, en dan plotseling doet Hij een beroep op hun hart. Is er nog niet een andere geschiedenis, die daarbinnen wordt afgespeeld, en die ze nu duidelijker zien bij het licht van zulk een vertelling? Zien ze nu niet een grote geestelijke wereld, onzichtbaar voor het oog en de zinnen, waar het ook alzo toegaat?

Zo staan er hier in Mattheüs 13 zeven bij elkaar, waarvan de vier eerste ons tekenen, welke zij de lengte en de breedte en de diepte en de hoogte van het koninkrijk Gods. Die eerste van de zaaier tekent ons het koninkrijk Gods in zijn breedte, zoals het over de ganse uitgestrektheid der wereld wordt verkondigd. Die boodschap: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen, gaat uit over de ganse aarde, en wordt als een zaad in lange en brede worpen over de akker der wereld gespreid, vruchtdragende of niet vruchtdragende, maar toch geworpen over de wereld. Die tweede, die wij hebben genomen tot onze overdenking, laat ons zien hoe in de lengte van de tijd door de eeuwen dat zaad opwast, met het kwade, het onkruid, en hoe beide de dag van het oordeel tegemoet rijpen. De derde, die van het mosterdzaad, wijst op de hoogte van de boom die eens een zo gering zaad was, een enkel woord. En de vierde, die van het zuurdeeg, wijst op de diepe werking, waardoor alles wordt doortrokken en inwendig doorzuurd door het beginsel van het koninkrijk Gods.

Wij willen dan letten op die tweede gelijkenis. De geschiedenis is alweer bijzonder eenvoudig. Een mens is uitgegaan en heeft goed zaad in zijn akker gezaaid (vs. 24). Maar een vijand van hem heeft de snoodheid om te trachten zijn oogst te bederven. Zoals er in het oorspronkelijke letterlijk staat: Hij zaaide er nog eens weer over, met onkruid (vs. 25). Waarschijnlijk is hier bedoeld een soort onkruid dat veel op de tarwe gelijkt, en dat er in het begin moeilijk van onderscheiden kan worden, en ook een halm voortbrengt. In Indië is nog heden ten dage zulk een misdaad niet onbekend. Men besteedde zelfs zorg daaraan om het zaad nauwkeurig uit te zoeken, opdat geen onkruid mocht gezaaid worden. Toen dan ook de dienstknechten uitgingen om de akker te bezien, begonnen ze te twijfelen of hun heer wel goede kwaliteit zaad had gebruikt (vs. 27). Maar de heer des huizes wist wel dat hij een vijand had, die tot alles in staat was, en begreep dadelijk wiens werk het was. Een vijandig mens heeft het gedaan, sprak hij (vs. 28). De dienstknechten willen dan dat slechte koren uittrekken. Maar de heer des huizes vreest dat daarmee de gehele oogst zal worden vernield, en beveelt om alles samen te laten opwassen. In de dag van de oogst, dan zal, nu eenmaal het onkruid erdoor zit, de schifting gemaakt worden. Het ene in het vuur, het andere in de schuur (vs. 29 v.).

Jezus heeft zelf een korte verklaring aan deze gelijkenis toegevoegd, als zijn discipelen Hem daarnaar vroegen: Die het goede zaad zaait, gelijk hij is de Zoon des mensen. De akker is de wereld; het goede zaad, dat wil zeggen de goede planten, zijn de kinderen des Koninkrijks, en het onkruid zijn de kinderen des bozen. En de vijand die hetzelve gezaaid heeft, is de duivel, en de oogst is de voleinding der wereld, en de maaiers zijn de engelen (Mt. 13 : 36-39). Het werelddrama.

Er is een moeilijkheid, die bij het behandelen van een gelijkenis altijd weer terugkeert, en dat is deze: dat men niet de bijzonderheden mag laten heersen over de hoofdgedachten. Niet alle punten kunnen en behoeven, wat men noemt, te worden 'overgebracht'. Maar aan de andere zijde mag ook niet een kostbare bijzonderheid van Jezus' bedoeling worden over het hoofd gezien. Hiertussen moet het juiste midden worden bewaard.

We hebben bij onze gelijkenis eigenlijk slechts een misverstand af te snijden. Jezus spreekt hier niet over de kerkelijke tucht. Toen deze gelijkenis gesproken werd, had de kerk ook nog geen uitwendige gedaante. Maar Hij spreekt hier over het koninkrijk Gods, dat in zijn uitgestrektheid gelijk komt te staan met de wereld. De ploeg van de Zoon des mensen gaat tot het einde der wereld. Zijn Woord en Geest gaan tot de einden der aarde. Christus heeft de gehele wereld, de gehele mensheid tot zijn zaailand genomen, en strooit daarin het zaad van het koninkrijk Gods.

En als we nu zulk een gelijkenis horen, moeten we goed het oor te luisteren leggen. Wie oren heeft om te horen, die hore, zegt de Heer (Mt. 13 : 43). Luister nu goed, zegt de Heer; hoort ge dan niet die ontzaglijke geschiedenis van de geesten der mensen? Hoort ge niet het ruisen van het koren over de wereld? Hoe de mensen leven en opgroeien en rijpen, de dag des oordeels tegemoet? Is er ernstiger en groter gedachte mogelijk dan die schone van mensen, allen op die grote akker der wereld, en die toch een van beide zijn, uit vergankelijk of onvergankelijk zaad; levende uit het beginsel des Koninkrijks van de Zoon des mensen, of uit het beginsel van de boze; en die toch beide en door elkander, zodat het oppervlakkig oog nauwelijks onderscheid ziet, ruisen en groeien op de akker der wereld, die God heeft toebereid? Waarlijk, deze gelijkenis des Heren stemt tot hoge ernst, en doet ons een wijd vergezicht open. Laten we punt voor punt in het oog vatten.

Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen. Dat is maar geen frase, geen ijdel woord, dat daarmee uitgesproken is. Het is niet zo, dat al het goede wat er op de wereld te voorschijn komt, wordt verbonden en met veel kunst en moeite wordt vastgehaakt aan de naam van Jezus Christus. Maar er is geen goede vrucht op de wereld in volledige waarheid, dan door Jezus Christus. Al wat uit het geloof niet is, dat is zonde (Rom. 14: 23). Dat is een geweldig woord, en het klinkt licht alsof hier aan apostolische overdrijving gedacht moet worden. Maar toch is het in de volle zin des woords waar. Wanneer we zulk onkruid bezagen, zoals daar tussen het koren groeide, zouden we moeten zeggen: toch geen onaardige vrucht. 't Groeit ook op Gods aardbodem, 't trekt ook zijn sappen uit de grond. Toch is het bestemd om verbrand te worden. Er zijn allerlei levensbeginselen, waarvan we zo oppervlakkig niet kunnen zeggen, dat ze er afschrikwekkend uitzien. Maar als ze tot groter ontwikkeling komen, blijkt het dat ze leiden tot ontbinding; dat ze op den duur de neiging hebben het Evangelie van Jezus Christus te verdringen; dat ze, vergeleken met de goede vruchten van het Evangelie, slechts gezegd kunnen worden onkruid te kweken. Slechts een leven dat gegrond is in het Woord, het zaad van het Koninkrijk der hemelen, dat opwast uit het zaad van de Zoon des mensen, is werkelijk voor God koren. Bij allerlei verschil van levensvorm is er maar één werkelijke levensplant op de wereld. <Gelijk er een wezen is, zo een geestelijk wezen.>

Er is buiten Jezus Christus geen waarachtig leven. We zouden dat op allerlei gebied kunnen aanwijzen. Een goede waarachtige kennis van God bestaat er niet buiten Christus. Overal waar men het beproeft buiten Hem, zinkt het leven des harten en koelt af. De geestelijke ervaring vermindert. De innige gemeenschap met God verdwijnt. De kinderlijke eenheid en eenvoudigheid des levens wordt nergens gezien buiten Christus. Dat is bijna een historische uitspraak, waarvan we zouden durven zeggen: Zoek er maar naar. Men raakt buiten Hem de rechte kennis van God kwijt.

Er is ook geen waarachtige troost buiten Christus. De zekerheid der geestelijke dingen, van de vergeving der zonden, van de hope des eeuwigen levens, van het blijde zijn in het lijden, het helen van de wonden des levens, - ze verdwijnt, daar waar Christus niet in het middenpunt des levens is. Raadpleeg uw ervaring, uw mensenkennis, beproef zelf deze dingen, of het woord is, of hoge en ernstige werkelijkheid.

Ook de goede regel des levens wordt nooit en nergens gevonden dan daar, waar uit het Evangelie geleefd wordt. We zeggen niet dat er buiten Hem geen uiterlijke tucht mogelijk is. Maar de wet, zoals die moet opgevat worden als liefde uit een dankbaar hart, de kleine beginselen van zulk een wetsbetrachting, - ze staan alle op de bodem van het Evangelie van Christus. Slechts zijn gemeenschap maakt in het hart een beginsel werkzaam dat, al zijn het zwakke, toch eerste schreden leert zetten op het pad van Gods geboden. Dat is een zaak, die de gekenden kunnen staven, en de ervaring der christenen bewijzen. Het is geen groot woord, maar eenvoudige werkelijkheid, waar ieder leven de proef op geeft. Wat uit het geloof niet is, dat is zonde. Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen.

De akker is de wereld. Geen kleine akker, de gehele wereld. Toch niets te veel gezegd. Christus is niet gekomen voor een apart volk, niet voor een slag van mensen, niet voor een stand of rang of voor een mensenras, maar voor de gehele wereld. Men heeft dat wel eens anders gemeend. Men heeft wel eens gemeend dat voor de eenvoudigen het geloof, voor de verstandigen het inzicht en het begrijpen zou moeten zijn. Maar tegenover deze dingen zijn alle mensen gelijk. Datgene, waartoe het leven des mensen moet opwassen, daartoe kan het alleen komen, wanneer het leeft uit het Woord des Evangelies, wanneer het staat in gemeenschap met die blijde ongeziene wereld, die alleen door het eenvoudig geloof des harten zichtbaar is.

Men heeft wel eens gemeend, dat er eerst een zekere trap van beschaving nodig zou zijn, voor het Evangelie kan worden gezaaid in het hart. Maar de geschiedenis der zending heeft het weerlegd. Die geschiedenis toont ons dat er wel volken zijn, die door de uitwendige beschaving worden gedood, maar er is nog geen volk gevonden, dat te laag stond om de boodschap van verlossing op te nemen. Alle mensenharten, zonder uitzondering, zijn de akker, waar de Zoon des mensen het zaad van zijn Woord strooit. En zo het niet opkomt, dan ligt het niet hieraan, dat het er niet thuishoort, maar daaraan, dat de zonde het verstikt. Zowel de Eskimo in de ijzige velden van het noorden, als de meest beschaafde volkeren in de oostelijke en noordelijke wereld, zowel de wilde volkeren in Afrika, als de beschaafde heidenen in Japan zijn de akker waarop Jezus Christus zijn Evangelie zaait.

En dat doet Hij. Steeds breder wordt de kring waarmee zijn hand strooit, steeds dieper worden ook de voren getrokken. We kunnen Christus zien werken op zijn akker, de wereld. Zo we de ogen open hebben, kan Hij ons niet onzichtbaar zijn. ⚑De akker is de wereld. In eigenlijke zin is het Jezus Christus' akkerland. De aarde is des Heren en hare volheid (Ps. 24: 1). Het is zijn eigen gebied. Niemand heeft recht daarop te arbeiden dan Hij, want er moet een goede oogst gezien worden. En die het goede zaad zaait, is niemand anders dan de Zoon des mensen.

De akker is de wereld. Maar vanwaar dan zo tweeërlei vrucht? Want, ja waarlijk, er staat tweeërlei vrucht op de akker der wereld. Soms kunnen mensenogen dat duidelijk zien. Soms vergissen ze zich ook, en zien de tarwe voor onkruid, en onkruid voor tarwe aan. Want ze staan door elkander. Maar elke halm leeft uit een van beide beginselen, uit het Evangelie of uit een ander zaad, dat geen naam heeft. Altijd een van beide. Maar God kent ze juist uit elkaar, en degene die het goede zaad zaait, de Zoon des mensen, ziet het dadelijk bij het opgroeien. Hij zegt het de Farizeeën vlak in het gezicht, zoals we lezen kunnen in Johannes 8: Gij zijt uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen (Joh. 8 : 44).

Nu moeten we het weer nooit vergeten dat we met een gelijkenis te doen hebben. Immers, het zaad op de akker brengt vrucht voort en kan niet veranderen, maar op de akker der mensheid kan het leven juist van beginsel veranderen. Maar toch blijft deze waarheid in al zijn ernst en ontzaglijkheid staan: leder leven leeft maar uit één beginsel, hetzij uit het goede, hetzij uit het kwade. En toch leven alle mensen naast en door elkander op Gods akker, de wereld. Is er geen reden om uit te roepen: Die oren heeft om te horen, die hore? Is het geen ontzaglijk ernstige gedachte, om bij het luisteren naar het ruisen van die grote akker der wereld, als de wind der geschiedenis daarover gaat en alles in beweging is, te bedenken: dit alles rijpt de dag des oordeels tegemoet, ten dode of ten leven? Zouden we aangrijpender gedachte kunnen noemen? Is er geen reden om bij dat: 'Wie oren heeft om te horen, die hore', het oor te luisteren te leggen naar het ritselen van het eigen leven, met ingespannen adem, met onomkoopbaar zelfonderzoek, om te weten uit welk beginsel we zelf leven?

Onkruid, het is zulk een verschrikkelijk woord, wanneer het over een mensenleven zou moeten worden uitgesproken. Want dat leven, het golft immers mee met het koren en baadt zich in het zonnelicht. God laat zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Mt. 5 : 45), en zo ook de levenszon en de regen van zijn weldaden in het leven. Hoe verschrikkelijk daarom de gedachte dat op zulk een leven op Gods akker, de wereld, en onder zijn zon, zijn aangezicht in Christus, dat daarop toch de naam onkruid zou moeten worden toegepast? Dat het de aarde onnuttelijk besloeg (Lk. 13 : 7)! En toch, wanneer het leven niet opwast uit het goede zaad, dat de Zoon des mensen op de akker der wereld strooit, uit het Evangelie van het koninkrijk Gods, dan is het zo. En God weet het juist, uit welk beginsel we leven. Wat onkruid is en wat koren, is voor Hem niet verborgen. En iemand kan het zelf ook weten.

Maar vanwaar komt dan zo tweeërlei vrucht op de akker der wereld? De dienstknechten denken een ogenblik dat de heer des huizes de schuld draagt, maar dat is het geval niet. De vijand die hetzelve gezaaid heeft, is de duivel. En als de mensen sliepen, lezen we in de gelijkenis, kwam zijn vijand, en zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging weg (vs. 25). Dat laatste is tekenend. En ging weg. Het kwade heeft nooit iemand gedaan. De dader is altijd weg. Het veroordeelt zichzelf. Zo gaat het ook met het werk van de boze. Hij is nooit te vinden. Satan heeft nooit iemand gezien op de aarde. Hij heeft niet op de aarde rondgewandeld, zoals de Zoon des mensen. Ja, onze gedachten daarover zijn zelfs zeer onbepaald. En een leer omtrent Satan bestaat er eigenlijk niet. Het kwade en boze is de grote hindernis voor een wereldverklaring uit één stuk. Maar de werken zijn openbaar. En we spreken dan ook van Satan meer omdat we het kwade merken, dan dat we een duidelijke voorstelling hebben van zulk een wezen. Hij is altijd weg, niet te vinden, zelfs niet voor ons denken. Maar zijn werk verraadt hem. Het kwade is er. Het blijkt. Het openbaart zich. Het werkt en woelt. Maar hoe komt toch die vrucht op de akker der wereld? Ontkennen dat het er is, baat niet. Het is te verschrikkelijk om het te kunnen loochenen. Het goede zaad, daarvan is het duidelijk vanwaar het komt. De Zoon des mensen werkt in het licht, zoals Hijzelf zegt (vgl. Joh. 9: 4). Wat Hij doet is in geen hoek geschied (Hand. 26 : 26). Iedereen weet hoe het koren op de akker komt. Dat is immers gezaaid. Maar vanwaar het onkruid, vanwaar het ongeloof en de ongehoorzaamheid aan het Evangelie? Een vijandige macht, maar niet te vinden. Donkere, geheimzinnige macht, in en achter het hart, steeds aan het werk en altijd weg. Laten we niets zozeer vrezen als deze macht der zonde, onverklaarbaar maar verschrikkelijk! Kwaad aanstichtend, maar bij de gevolgen in de steek latend. Vergelijk dat eens bij de Zoon des mensen, die het goede zaad zaait, en die altijd wil nabij zijn, en blijft tot in eeuwigheid!

Waarom het kwade niet uitgetrokken wordt, waarom God laat staan het onkruid tot de dag des oogstes? Laten we weer bedenken dat het een gelijkenis is. Hij is lankmoedig, niet willende dat enigen verloren gaan (2 Petr. 3: 9). Maar hier wordt ons nog een andere reden genoemd. Het is om het koren zelf, dat God het onkruid laat staan. Vele mensen ergeren zich daaraan, dat het goede en het kwade koren dooreen gemengd staat op de akker der wereld. Ze verachten om het onkruid, dat ertussen staat, het gehele zaaisel; om de werken van Satan, het werk van de Zoon des mensen; om het rijk der duisternis, het Koninkrijk der hemelen. Ze zeggen: Uit de vruchten moet men de boom kennen (vgl. Mt. 12 : 33). En wijzen dan heel dikwijls op het onkruid tussen de tarwe. En zeggen: De gehele akker is niets; het Koninkrijk der hemelen is niet op de wereld. Ze zouden Jezus en zijn discipelen veracht hebben om Judas; en de eerste christelijke gemeente om Ananias en Saffira; de gemeente van Korinthe om zijn scheuringen; de gemeente van Galatië om de ingeslopen valse broeders. Maar dat is een zonderlinge handelwijze. Want een mensenleven is onkruid of tarwe. Het draagt vrucht of beslaat onnuttelijk de aardbodem. Zo het onkruid is, wat zal dan het ene onkruid over het andere klagen? En dan blijkt zulk een klacht te zijn een poging om alles voor onkruid te verklaren, omdat de tarwe een beschuldiging is voor het onkruid. Dan tracht men zichzelf duidelijk te maken: er bestaat niet zoiets als een goede vrucht. En zo het leven tarwe is, dan blijft immers het onkruid gespaard om der tarwe wil. Diezelfde vraag bracht een ogenblik de dichter van Psalm 73 in de war, zodat zijn voeten bijna uitgleden (Ps. 73 : 2).

Dit zal de vrucht moeten zijn naar Gods Woord, dat met vrees en beven alle openbaring van het werk des bozen dringt tot zelfonderzoek. Zoals een soldaat in de oorlog opgeschrikt wordt als naast hem iemand door het moordend lood wordt getroffen, zo zal ook wie meent te staan (vgl. 1 Kor. 10: 12), door een openbaring der zonden op de akker van het koninkrijk Gods, moeten gedrongen worden tot zelfonderzoek, of hijzelf wel opwast uit het zaad van de Zoon des mensen. Dat zal moeten dringen om opnieuw te keuren de wortels des levens met vrees en beven. Want allen staan op de grote akker der wereld.

Zo staan dan die beide op de akker der wereld en rijpen de dag des oordeels tegemoet; het onkruid naast de tarwe en de tarwe naast het onkruid. De Zoon des mensen wil dat beide tot vollere openbaring komen, dat ze zullen rijpen; dan zal elk het onderscheid duidelijker kunnen zien. Zo gaat het dikwijls met allerlei beginselen, die eerst een tijd moeten gewerkt hebben, voordat het ieder openbaar wordt dat ze niet uit God zijn. Zo rijpt ook het leven van de mens en toont zijn beginsel duidelijker. Of het behoort tot die grote kerk van Christus, die opwast uit het zaad des Evangelies, of het staat buiten zijn gemeenschap. De gemeente van Christus is het middenpunt en het doel der wereldgeschiedenis. Om een gemeente toe te bereiden, een gewillig volk op de dag zijner heerkracht (Ps. 110 : 3), daartoe is alles dienende, en daartoe wordt alles bereid, daartoe moet alles dienen. En alles wat daartussen opschiet en niet echt is, het wordt slechts geduld om de oogst. Hoe geheel anders leert ons Gods Woord de dingen bezien dan de wereld ze ziet.

Het opwassen van de oogst is echter slechts een voorbijgaande toestand. Laat ze beide tezamen opwassen tot de oogst, zegt de heer des huizes, en in de tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst dat onkruid, en bindt het in busselen, om hetzelve te verbranden; maar brengt de tarwe tezamen in mijn schuur (vs. 30). De geschiedenis der mensheid heeft een begin gehad, ze heeft haar voortgang, ze zal ook haar einde hebben. Het werk en het zaaien van de Zoon des mensen zal eens afgelopen zijn. Dan is het met alle <... > verheffing uit. Dan zullen alle dingen openbaar zijn, de grondslagen des levens blootgelegd. Dan zal blijken volkomen, waaruit een ieder geleefd heeft.

Die crisis, dat oordeel, het wordt ons in de Schrift slechts met enkele woorden aangeduid, slechts de richting aangewezen, waarin het zal geschieden. Wij duizelen bij de enkele gedachte aan de scheiding der geesten, wanneer de oogst rijp zal zijn, als het heden der genade is afgelopen. Waar zal dan moeten blijven al wie in dit leven, levende uit het beginsel van de boze, levende in de schaduw van de kinderen Gods, en om hunnentwille gelaten op de grote akker, medegolvende in het levenslicht, meende dat om zijnentwille al deze dingen waren? Jezus schildert ons op andere plaatsen iets van de verschrikkingen der verlatenheid. Twee op de akker, één aangenomen, de ander verlaten. De één uit het zaad van de Zoon des mensen, de ander uit des bozen. Twee zullen malen in de molen. De één aangenomen, de ander verlaten (Mt. 24 : 40 v.). Hij spreekt van het weegeroep: Bergen, valt op ons en heuvelen, bedekt ons (Lk. 23 : 30). En voor die anderen blijdschap. Het ingaan in de vreugde des Heren. Groter tegenstelling is niet uit te denken. We zullen er niet veel van zeggen. We voelen hoe ernstig het leven is, van hoeveel belang de wereldgeschiedenis, waar ze komt tot zulk een tegenstelling.

Laat het ons leiden tot zelfonderzoek. Niet een iegelijk die tot Mij zegt: Here, Here, spreekt de Heer Jezus, zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen (Mt. 7 : 21), maar die rijpt in goede vruchten, in liefde, mededeelzaamheid, barmhartigheid. Maar die vruchten, ze kunnen alleen opwassen uit het geloof. Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. En hoe ook de vrucht van het zaaien moge gelijken op het goede zaad, ze is licht en vergiftig. Het is louter schijn.

Leven, ademen in de verzoening, die in Christus is. Staan in de vrijheid waarmede Hij ons vrijgemaakt heeft (Gal. 5 : 1). Dan is vrucht mogelijk.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Jesaja 40 : 6-8Idsegahuizen-Piaam (1903-1910)Mattheüs 16 : 26a →