Jesaja 40 : 6-8
Een stem zegt: Roep! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des Heren daarin blaast; voorwaar het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.
Jesaja 40 : 6-8
Wanneer ge het vijfde hoofdstuk van Genesis leest, dan komt daar de ganse rij van geslachten voor uw ogen voorbij. De getallen die daarin genoemd worden verbazen u. Het is een lange rij van reuzenlevens, de een na de andere zich uitstrekkende over tal van eeuwen. Maar even regelmatig als die mannen met hun hoge jaargetallen daar achter elkander voor ons opdoemen, even regelmatig volgt er ook steeds datzelfde: En hij stierf.
Er is op de oudjaarsavond een woord dat zich met kracht aan ons opdringt en dat woord is vergankelijkheid. En dat woord wordt op deze avond sterk in onze oren. En ieder die de gedachten, die zich van hem meester maken op zulk een ure zou willen samenvatten, die zou met kracht willen uitroepen: de vergankelijkheid des levens.
Ik stel mij voor dat over die vergankelijkheid kan gesproken worden, zo, dat ge ze levendig gevoelt. Maar ik betwijfel of het mogelijk zou zijn een prediking te brengen, als die welke de geschiedenis ons toeroept in haar opeenvolging van geslachten. Als woudreuzen schieten die geslachten in Genesis 5 voor uw verbeelding op. En als geknakte eiken laten ze tenslotte toch de kop hangen, gebroken onder de steeds zwaarder wordende last der jaren, als beelden van de vergankelijkheid zegevierend over de meest sterke levenskracht. Wat we daar in reusachtige trekken zien, met vergrote afmetingen, het is de les die ook onze tijd en ons mensenleven predikt. Ge vindt die gedachte ook uitgedrukt in de woorden die ge vindt in Jesaja 40 : 6-8, onze tekst.
Het zijn bescheidener beelden, die we in onze tekstwoorden vinden, dan die welke we zoëven gebruikten. De eik is een bloem geworden, en de levensduur met die van het gras vergeleken. Dit is alles kleiner, het staat ons nader. Immers, ons leven wordt niet bij eeuwen, maar bij jaren geteld.
Onze tekstwoorden beginnen met een bevel, een aansporing. Een stem zegt: Roep! Een dergelijke aansporing komt tot ons in deze avondure. Immers, ook wij hebben te spreken, we hebben iets te zeggen naar aanleiding van de gelegenheid onzer samenkomst. Ge verwacht dat we zullen spreken een bijzonder woord, dat in overeenstemming is met de tijd van ons samenkomen. En als we dan vragen: Wat zal ik roepen, wat zal ik spreken?, dan horen we hetzelfde antwoord dat de profeet hoorde. Alle vlees is gras en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Ons tekstwoord verplaatst ons in een reeks van stemmen, die elkander antwoorden. Het verplaatst ons in de wildernis, een woestijn aan alle zijden zonder einde. Temidden daarvan staat de profeet. Hij is in geestelijke strijd: Zal God zijn volk geleiden uit de ballingschap naar het beloofde land? Zal Hij voor hen heengaan en hen thuisbrengen? Dan hoort hij een geheimzinnige stem. Een stem weerklinkt door de eenzaamheid en verbreekt de plechtige stilte. Roep! klinkt het de profeet in de oren.
Maar van een andere zijde is het of hem een andere stem in de oren klinkt, die antwoordt op die eerste. Wat zal ik roepen? zo luidt het. En weer luidt het van de andere zijde: Alle vlees is gras en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des Heren daarin blaast; voorwaar het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.
Wanneer onze verbeeldingskracht enigszins ontwikkeld is, horen we dan in deze stille avondure ook niet zulk een geheimzinnig stemmengerei in dit kerkgebouw, in ons hart? Zijn er deze laatste avond van het jaar in ons hart ook geen stemmen, die elkander toeroepen? Is er niet een drang in het hart om zich uit te spreken voor zichzelve of voor anderen, om zijn weg te overdenken, en iets van deze weg te zeggen? Maar wat zal het dan zijn? Wat moeten we tot onszelve zeggen over het jaar dat achter ons ligt? Hoe hebben we te spreken over de tijd die weer voorbijgegaan is? Horen we niet die andere stem: Wat zal ik roepen? En ook thans is het begin van alle antwoord, dat tot ons kan komen, hetzelfde als dat wat de profeet hoorde: Alle vlees is gras, en zijn goedertierenheid, heerlijkheid en bevalligheid, als een bloem des velds. De vergankelijkheid des levens, dat is het wat ons in de eerste plaats toespreekt, wanneer we op een avond als deze ons voor Gods aangezicht stellen.
Het is een schoon beeld dat we in onze tekstwoorden vinden. Onze Heiland heeft er ook van gesproken, van dat gras des velds, dat heden bloeit en morgen in de oven geworpen wordt (Mt. 6: 30). Er staan in de bijbel zulke treffende beelden waarin ons de onzichtbare dingen worden voorgesteld. Als het gras is het leven, als een bloem. Ook deze avond wordt zulk een bloem afgesneden. Let erop met hoeveel vriendelijkheid hier van het leven en van het menselijk leven gesproken wordt. Er is hier geen afgeven op het aardse leven, geen zeggen: Het is allemaal niets. Er wordt hier niet gezegd dat de mens zeventig à tachtig jaren oud wordt, en dat het uitnemendste van die levensdagen moeite en verdriet is (Ps. 90 : 10). Het wordt hier niet uitgeroepen: IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid (Pred. 1 : 2). Waar hier van vlees gesproken wordt, is er geen sprake van dat het zich aan de wet Gods niet onderwerpt (Rom. 8 : 7). Niet dat deze dingen hier ontkend worden, maar van die kant wordt het hier niet beschouwd. Het leven wordt hier op zijn best genomen, van zijn vriendelijke, zijn bevallige kant. Hier komt het voor als het frisse groene gras, dat zo heerlijk kan kleuren in de zonneschijn met de vriendelijke veldbloem, die zich wiegelt in de wind, in de weelde van het bestaan. Maar dan met de gedachte van zwakheid.
Welnu, zie eens terug op het jaar dat achter u ligt, bezie het eens van de beste kant, van de meest zonnige kant, zodat ge het zonlicht in iedere droppel ziet schijnen. Bezie het eens zo, dat ge een oog hebt voor al de kleur en geur, die God in het verlopen jaar aan uw leven verleende. Blijft het ook dan niet vergankelijk? Nog enkele uren, en dat alles behoort weer tot het verleden. Straks moet deze tijdkring plaats maken voor een andere, en alles wat ge daarin van uw God mocht genieten is weer voorbij. Of zouden we van die kant ook niet eens het leven mogen bezien? Zou het zonde zijn, het heimwee dat er in het hart kan zijn naar de dagen die voorbijgegaan zijn? We kennen wel die bekende gezangregels:
"Ik wensch geen' stap terug te treden op de afgelegde levensbaan."
Maar we kennen toch ook dat psalmvers:
"'k Zal gedenken hoe voordezen ons de Heer heeft gunst bewezen; 'k Zal de wondren gadeslaan die Gij hebt van ouds gedaan." ⚑We mogen gerust een oog hebben voor die vriendelijke zijde des levens, maar juist dan treft ons de vergankelijkheid zo sterk. Eendagsbloemen zijn we. De stem des roependen in de woestijn, de eindeloze woestijn des tijds, waarin het oog geen begin en geen einde ziet, waarin steeds weer een tijd is voor de tijd, en een tijd achter de tijd, - die kan van het mensenleven, die kleine spanne tijds, niet anders getuigen dan dat het een eendagsbloem is. Schoon misschien, maar kort en vergankelijk.
Is dit misschien een oudjaarsavondstemming, die zich van ons meester maakt, zodat we de dingen met een gekleurd glas zien, een glas dat de kleur der vergankelijkheid draagt? Of is ook niet het gehele leven er enigszins van doordrongen? Vergezelt het niet enigszins ons werk, onze stemmingen, onze genoegens, die gedachte aan de vergankelijkheid? Is het niet een treffende waarheid die de Schrift uitspreekt, dat het schepsel met vreze des doods der vergankelijkheid onderworpen is (vgl. Hebr. 2 : 15)? Er is een boek in de bijbel, waarin dit bijzonder levendig is gevoeld en uitgesproken. Het is de Prediker. Hoor maar, hoe hij het uitspreekt:
Er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven, een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te roeien; een tijd om te doden en een tijd om te genezen, een tijd om af te breken en een tijd om te bouwen; een tijd om te wenen en een tijd om te lachen, een tijd om te kermen en een tijd om op te springen; een tijd om stenen weg te werpen en een tijd om stenen te vergaderen, een tijd om te omhelzen en een tijd om verre te zijn van omhelzen; een tijd om te zoeken en een tijd om te laten verloren gaan, een tijd om te bewaren en een tijd om weg te werpen (Pred. 3 : 2-6). En zo gaat de schrijver door met de vergankelijkheid des levens ons aanschouwelijk te tekenen. Met alles heeft hij het geprobeerd. Altijd komt hij tot de slotsom: IJdelheid en kwelling des geestes (Pred. 1 : 14). Altijd volgt op het ene het tegenovergestelde. De vreugde is er slechts om over te gaan in de droefheid. De arbeid slechts om plaats te maken voor vernietiging.
We zeggen niet dat dit de christelijke levensopvatting is. Ook niet dat het de christelijke levensstemming is. Verre van daar! Maar dit zult ge moeten toestemmen, dat het een stemming is, die opdampt uit het leven, die onder de ogen gezien moet worden, die overwonnen moet worden. Ge kunt in uw leven altijd weer vragen: en dan? Als ge weer zo ver zijt, wat dan? Die tijd hoopt ge te beleven, en dan? De knaap en het meisje hopen op te wassen, aan het leven deel te nemen, en dan? De jongeling en de jongedochter hopen de hoogtetijd des levens te bereiken, en dan? Ge hoopt een frisse oude dag te beleven, en dan? Dit of dat werk vraagt al uw krachten. Ge legt uw ziel erin. Zo ge uw doel bereikt, wat dan? Ge geniet, vreugde ontvangt ge, maar straks zal het weer voorbij zijn! Komt niet eens, na een genotvolle dag of een dag dat ge iets bereikte, wat ge gezocht hadt, die gedachte der vergankelijkheid sterker in u op als ge u ter ruste legt? Altijd blijft het waar: Alle vlees is gras en al zijn bevalligheid als een bloem des velds. Eendagsbloemen zijn we!
Hoe moeten we dat verstaan, deze dingen? Waar moeten we er mee heen? Hoe kunnen we het begrijpen? Is er ook iets wat aan die vergankelijkheid ontsnapt, dat niet mede onderworpen is aan die wisseling der jaren? Dat èn in 1904 èn in 1905 en in eeuwigheid hetzelfde is?
Wij begrijpen deze dingen wanneer we een oog hebben voor de tegenstelling tussen vlees en geest. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des Heren daarin blaast; voorwaar het volk is gras. Begrijpt ge onze profeet? Vat ge wat hij zeggen wil? Hij wijst op een geweldige tegenstelling. De tegenstelling tussen vlees en geest. In het Oude Testament betekent vlees het zwakke, het vergankelijke; de geest het levenwekkende. De Egyptenaren, zo lezen we ergens, zijn vlees en geen geest, en daarmede wordt hun zwakheid aangewezen (vgl. Jes. 31 : 3). De Geest Gods daarentegen is het die broedt op de wateren om leven voort te brengen, die in het dal der doodsbeenderen bij de profeet Ezechiël weer leven brengt, waar niets dan de dood heerst (vgl. Ez. 37: 1 - 10), maar die ook omgekeerd door zijn blazen het zwakke levenslicht, het flikkerende levensvlammetje des vleses uitblaast, als Hij met zijn geweldige levensadem daaroverheen gaat.
Uit deze tegenstelling tussen vlees en geest verstaan wij onze eigen vergankelijkheid. Ook op deze oudjaarsavond is het die tegenstelling met de Geest Gods, die ons onze vergankelijkheid zo levendig voor de geest brengt. Duizend jaren zijn in Gods ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwake (Ps. 90 : 4). Wat weet het redeloos gedierte van zijn eigen vergankelijkheid? Wat weet de bloem des velds van haar korte duur? Ze leeft haar korte leven uit. Maar wij, die naar het beeld Gods geschapen zijn, die van Gods geslacht zijn, wij die God kennen: de Eeuwige en Onveranderlijke, - in onze borst sluipt door de tegenstelling met zijn eeuwige majesteit soms het stille heimwee der vergankelijkheid, het heimwee naar het verleden, naar de jaren die in stille rij geschaard aan onze geest voorbijgaan, en een stomme sprake tot ons richten, de sprake van de stem in de wildernis. Op een ogenblik als dit horen we het suizen der eeuwigheid over ons leven heengaan. Dat suizen gaat altijd over ons leven, maar op een avond als deze wordt het sterk. En we horen het profetenwoord in de woestijn des tijds: Alle vlees is als gras en al zijn bevalligheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest Gods daarin blaast; voorwaar het volk is gras.
Het vierde jaar der eeuw gaat heen. Of we het vijfde zullen beleven, weten we niet eens. Bij de rij der jaren, die we in onze herinnering kunnen oproepen, heeft zich ook weer dit jaar gevoegd. Al het lief en leed dat we daarin beleefden, behoort weer tot het verleden.
Het eerste woord dat we op deze avond hoorden was vergankelijkheid. Het tweede dat ons in de oren klonk was eeuwigheid. Doordat die eeuwigheid over ons leven gaat, en als de hemel zich daaroverheen welft, worden we ons bewust te zijn eendagsbloemen, gras dat verdort. Zou niet de veldbloem zich verwonderen over de eeuwig gelijkmatige stand der sterren? Zou niet de mens zich klein gevoelen tegenover de eeuwigheid Gods? Zou het vlees zich niet zwak gevoelen tegenover de geest? Maar toch mag het bij deze tegenstelling niet blijven. We mogen ook dit jaar niet besluiten met de uitroep: IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid. We mogen straks niet inslapen met de gedachte dat al het menselijke slechts rook is.
Wij hebben een Woord Gods voor u en wanneer gevraagd wordt: Wat zal ik roepen?, dan is het bovenal dit Woord Gods dat we uit te roepen hebben. Het gras verdort, de bloem valt af, maar het Woord Gods bestaat in der eeuwigheid. Wat is dat Woord Gods? In onze tekstwoorden wil het zeggen: de belofte Gods. Er is slechts één ding dat ons verheffen kan boven het vergankelijke en dat is het Woord Gods. Als het verlopen jaar ondergaat, dan gaat God niet mede onder, maar zijn goedertierenheid bestaat tot in eeuwigheid. Zo bezingt Psalm 136 de geschiedenis van Israël. Het ene feit volgt op het andere, maar altijd volgt er weer: Want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. En zo moet ook voor ons achter de wisseling der jaren één ding vast en zeker zijn: dat het Woord Gods blijft, dat het niet verdwijnt met de jaren, niet mede gemaaid wordt met het gras, en afgesneden met de bloemen.
We zijn zo gewoon geraakt aan die uitdrukking 'het Woord Gods', dat we misschien daarbij niet een levendige voorstelling meer hebben. We denken misschien aan een boek, dat we voor ons op de tafel leggen en dat we weer ter zijde leggen. Maar ook daarop zouden we het woord van de Prediker kunnen toepassen: Er is een tijd om het Woord Gods te nemen en een tijd om het weg te leggen. Wat bedoelen we met een woord, als we ons goed bezinnen? Dit, dat de een tot de ander spreekt. En niet minder mogen we onder het Woord Gods verstaan. God spreekt tot de zwakke mens, tot het vlees dat is als het gras. Hij spreekt tot hem, en daaraan moet hij zich vastklemmen. Dit spreken Gods is de brug, die de grote klove tussen tijd en eeuwigheid overbrugt, die het vergankelijke met de Onveranderlijke verbindt. Op de ladder van Gods beloften stijgt het gebed des geloofs omhoog, en langs diezelfde ladder dalen Gods zegeningen en genadegiften neder. En zo moet het ook zijn in deze avondure. Ook in deze avondure moet de bede in ons hart zijn: Maak Gij mij levend door Uw Woord (vgl. Ps. 119 : 25). Waar de tijden wisselen, waar alles wisselt en verdwijnt, waar niets bestendig is of blijft, wilt Gij daar tot ons spreken, opdat we weten dat Gij blijft, altoos en eeuwiglijk Dezelfde. Dat Uw beloften en toezeggingen niet mede verouderen met de tijd.
Hoort ge in deze avondure ook dat Woord Gods? Hoort ge naast die prediking der vergankelijkheid die het afgelopen jaar tot u richt, en die ge misschien in dat jaar op bijzondere wijze hebt ervaren, ook de eeuwige klanken van het Woord Gods? Die had de psalmist gehoord toen hij zong: "Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort! Zij wandlen, Heer, in 't licht van 't godlijk aanschijn voort; zij zullen in Uw' naam zich al den dag verblijden; Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in 't lijden, Uw onbezweken trouw zal nooit hunn' val gedogen, maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen."
Dat doet hem zingen van de goedertierenheid Gods die tot in eeuwigheid is (Ps. 89: 2). Die klanken van het Woord Gods, ge kent ze. Tegenover de taal der vergankelijkheid spreken ze de taal der eeuwigheid. Ze hebben alle de strekking om u levend te maken, te doen leven in de ware zin des woords. Ze willen u een schat geven in de hemel, waar ze noch mot noch roest verderft (vgl. Mt. 6 : 20). Ze willen alle u een stukje eeuwigheid in het hart leggen, dat de tand des tijds proef is. Alle willen ze een korreltje onvergankelijk zaad in de akker van uw leven nederleggen, opdat het vrucht drage tot in eeuwigheid. Ze spreken niet de taal van het schepsel, maar de taal van de Schepper. En zo kunnen slechts die klanken het sterke geluid der vergankelijkheid, dat door de wereld gaat, overstemmen. Hoort gij die klanken? Hoort gij ze zo, dat het geen ledige klanken voor u zijn, maar zo, dat het het geklank is van een levende stem, de stemme Gods? Verneemt ge daarin God zelf die persoonlijk tot u spreekt?
Om God te horen, zijn stem te vernemen, is een oor nodig, dat luisteren geleerd heeft! En nu is het met dit luisteren zo, dat het oor steeds scherper gaat horen, of altijd dover wordt! Want, en dit is een waarheid die we niet mogen vergeten, het is mogelijk om doof te worden voor Gods stem. Het is de verschrikkelijke toestand waarop Jezus doelt, als Hij zegt: Oren hebbende horen ze niet (vgl. Mk. 8: 18). Het is mogelijk om afgestompt te worden, zodat het hart dik wordt (vgl. Mt. 13 : 13 vv.). En dan mist het leven het beginsel dat levend maakt, het woord der waarheid dat de harten opnieuw doet geboren worden. Dan heeft de vergankelijkheid vrij spel in het leven. Dan wordt het leven verteerd. Dan heeft ook de wisseling der jaren, de oudjaarsavond, niets te zeggen dan dit ene: Gedenk te sterven, gedenk aan de groeve der vertering. En voor die stem kan niemand het oor sluiten, al zou hij het willen.
Maar wie luistert naar het Woord Gods, die hoort blijde klanken. Zo iemand mijn Woord bewaard zal hebben, die zal de dood niet smaken in der eeuwigheid, zegt de Heiland (Joh. 8 : 51). En dit is het eeuwige leven, dat ze U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt (Joh. 17 : 3). God heeft tot de mensen gesproken met duidelijke en verstaanbare stem. God, voortijds vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon (Hebr. 1 : 1). Jezus Christus is het volkomen Woord Gods tot de wereld. Het vleesgeworden Woord. Zijn verschijning is het Woord dat wekt tot een eeuwig onvergankelijk leven. Die in Hem gelooft zal leven al ware hij ook gestorven (Joh. 11 : 25). Die in Hem gelooft, in diens hart is de ban der vergankelijkheid gebroken, en het zaad der eeuwigheid neergelegd. Jezus Christus is heden en morgen dezelfde en tot in eeuwigheid (vgl. Hebr. 13 : 8).
De tijd het vergankelijke, de eeuwigheid het onvergankelijke. En het Woord Gods: het eeuwige in de tijd. Deze dingen spraken uit onze tekstwoorden ons toe.
Toepassing: En nu is het avond en de dag is gedaald, de dag van het voorbijgegane jaar. En de vergankelijkheid des levens is door een ieder gevoeld. Maar toch door een ieder weer op bijzondere wijze. Daar zijn gezinnen, die op zeer gevoelige wijze het moesten ervaren dat alle vlees is als gras, en al zijn bevalligheid als een bloem des velds. De dood kwam bij enkelen binnen. En we gedenken ook heden aan dezen die van ons heengingen, en die rusten op de akker des doods. Hoe broos is het leven en hoe vliegt het daarheen.
Maar toch ook nog op allerlei andere wijzen heeft elk op zijn wijze ervaren, dat de dingen dezer aarde voorbijgaan, dat niets bestendig is of blijft. Hebben we het voor onszelf gemerkt, en het vastgehouden, en rekenen we ermede in onze levensbeschouwing, en in onze levenslijn? Waarop hebben we het huis van ons leven gebouwd? Waar liggen de diepste fundamenten? Liggen ze misschien ook nog te veel op het beweeglijke zand? Is dit veranderlijke en vergankelijke leven misschien ook nog te veel ons eigenlijke leven? Dan zullen we het ervaren, en we ervaren het elke dag, en we merken het weer duidelijk op deze avond, dat al het aardse voorbijgaat.
Laten we het ons voor gezegd houden! Waarlijk, God wil dat we meer zullen zijn dan eendagsbloemen. En daarom is er een stem van de hemel, een Woord Gods tot een iegelijk onzer. God spreekt tot ons allen persoonlijk. Hebben we die stem al gehoord? En zo ja, wordt die stem steeds sterker in ons leven? En spreken ook wij tot God alles wat we te zeggen hebben? Dan mogen we weten en vertrouwen dat met wie God spreekt, zal blijven; dat Hij alle dingen en ook ons draagt door het Woord zijner kracht. Hij zal in eeuwigheid niet toelaten dat de zijnen de verderving zien (vgl. Ps. 16: 10). Dit is het grote wonder der schepping Gods, dat wie zich aan het Woord Gods vastklemt, met dat Woord behouden blijft. Zó kunnen de golven des tijds niet bewogen worden, dat wie hieraan zich vasthoudt, weggerukt zou kunnen worden.
En daarom zij steeds ons oog, niet alleen nu op de oudjaarsavond, maar steeds en bij toeneming, ons oor naar die kant gewend, vanwaar ons het leven en de onverderfelijkheid toekomt, naar het Woord Gods. Dan zullen we ook eens op de grote oudjaarsavond, op de avond van het leven, wanneer we het op het allersterkst zullen moeten gevoelen dat alle vlees gras is, en al zijn bevalligheid als een bloem des velds, steun hebben aan deze waarheid, dat het Woord Gods blijft tot in eeuwigheid.
Eeuwig gaat voor ogenblik.