O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Genesis 28 : 10-19Idsegahuizen-Piaam (1903-1910)Jesaja 40 : 6-8 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Idsegahuizen-Piaam (1903-1910) · p. 23–31

Genesis 32 : 24-31

Twintig jaren zijn er voorbijgegaan sedert Jakob als balling, als vluchteling voor zijn broeder Ezau het land Kanaän verliet. Er is in die tijd veel gebeurd. De eenling is een menigte geworden, de onterfde een herdersvorst. In zijn gebed zegt Jakob het zelf: Met mijn staf ben ik over de Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden (Gen. 32: 10). We willen niet die geschiedenissen, die Genesis 28 met Genesis 32 verbinden, nagaan. We veronderstellen dat iedereen ze kent. Maar thans is de tijd gekomen, dat Jakob naar het land zijner vaderen terugkeert. Buiten dat land wordt hij nooit thuis. Dat kan hij niet worden, zolang het land der belofte er ligt. Zo blijft Jakob een vreemdeling in Paddan-Aram. Zo blijven de zonen Jakobs straks vreemdelingen in Egypte. Zo blijft het volk Israël vreemdeling in Babel, waar hun harpen aan de wilgen hangen. Want, zeggen ze, hoe zouden we een lied des Heren zingen in een vreemd land (Ps. 137 : 2 en 4)? En zo trekt zelfs nu nog, nu Israëls taak lang is afgelopen, het hart van de Israëliet naar Palestina, het land der vaderen. Nog maar weinige dagen geleden verklaarde zich de grote meerderheid der zogenoemde Zionisten tegen elke volksplanting van Joden buiten het heilige land. Dat verlangen naar het land der belofte drijft ook thans de derde aartsvader weer naar de Jordaan toe, waar hij was overgetrokken. Hoe goed het hem in den vreemde moge zijn, hij mag en wil daar niet blijven.

Maar twintig jaren hebben uit zijn geheugen de bittere schreeuw en de toorn van Ezau niet uitgewist. Het was hem nog als de dag van gisteren, hoe 'heissig' de toorn zijns broeders was, die zijn leven begeerde (Gen. 27 : 41 v.). En hoe nader hij het grondgebied nadert, waar hij vroeger de kudde zijns vaders weidde, hoe levendiger ook voor hem die herinnering wordt. Maar dit alles belet hem niet om verder te trekken, al is het ook met een kloppend hart. Er wordt een gezantschap naar Ezau gezonden. Die boden berichten de broeder wat hem wedervaren is, en hoe hij thans rijk en gezegend wederkeert. De boden keren terug met de boodschap dat Ezau hem tegemoet trekt met vierhonderd mannen (vgl. Gen. 32: 3-6). Ten goede of ten kwade, dat weten ze niet. Jakob kan het evenmin vermoeden. Zijn geweten klaagt hem aan en doet hem het ergste vrezen. Hij gevoelt zich in angst en vreze. Het onweer nadert. Zijn benauwdheid stijgt.

Dan treft hij zijn maatregelen. Hij deelt zijn volk en familie in twee helften en bidt in de nood. Hij wijst God erop in dat gebed, dat het op zijn bevel is dat hij wederkeert. Het is niet zijn eigen weg. Hij is in Gods weg! Dan kan iemand bidden, als hij in Gods weg is! Hij wijst op al de weldaden die God hem geschonken heeft: Want ik ben met mijn staf over de Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden! Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezau's hand, want ik vrees hem dat hij niet misschien kome en mij sla, de moeder met de zonen! Ook pleit hij op de beloften Gods: Gij hebt immers gezegd, zo pleit hij (vgl. Gen. 32 : 7-12). Hij grijpt God bij zijn woord. Hoe zullen we dit gebed van Jakob noemen? Laten we zeggen: hij sterkt zich in de Here zijn God. Het benauwde hart heeft steun nodig. Waar zal het dat anders vinden dan bij God? Dan maakt Jakob geschenken gereed voor Ezau. Ook in de weg der middelen zal hij alles doen wat hij kan. Het Godsvertrouwen maakt niet werkeloos. Het ene geschenk wordt na het andere verzonden, zodat naar fijne berekening Ezau telkens weer verrast wordt door een nieuw bewijs van mildheid van zijn broeder. Dan nadert ras de ontknoping. De veren van de Jabbok, een zijrivier van de Jordaan, scheidt het eigenlijke leger nog van het gebied, waar Ezau en zijn krijgslieden zich bevinden. Wanneer men eens daarover is, dan moet de beslissing komen.

De bijbel vertelt zo eenvoudig, zo onopgesmukt. Er is hier, om zo te zeggen, niets aan de dingen toegevoegd. Deze geschiedschrijver schrijft dingen, geen wonderen. Het gewone blijft onvernist, bij het zeer buitengewone staat geen uitroepteken. De worsteling met God wordt niet uitvoeriger verhaald dan het uitzoeken van geschenken voor Ezau. Het staat alles naast elkaar, zoals het in een mensenleven naast elkaar staat en op elkaar volgen kan: de omstandige boodschap aan Ezau, de terugkomst der boden met het bericht dat Ezau met veel volks afkomt, Jakobs angst en vreze, de weloverlegde verdeling van het volk, het vurig en ootmoedig gebed, de fijn berekende schikking der geschenken, het opstaan in de nacht en de nachtelijke overtocht van vrouwen en kinderen over het veer. Wat kan het jagen in een menselijk leven!

Daar is de beslissing gevallen. Vrouwen en kinderen trekken voorwaarts, Ezau tegemoet. Thans is hij kwetsbaar op elke plek van zijn hart. Thans wordt het leven en dood in de hand van Ezau, of in de hand Gods? Voorwaarts trekt het leger. Het geloei der runderen, het geblaat der schapen, de zweepslag der drijvers, het gezicht van wegtrekkende vrouwen en kinderen, dat alles mengt zich bij Jakob met het oprijzend visioen van voor twintig jaren, van de toorn van Ezau. Hoe stelt een enkele zonde het gehele leven op losse schroeven! Hoe worden de schokken en trillingen jaren later nog gevoeld! Maar het leven gaat voort, het leger trekt door, al verder en verder worden het geloei en geblaat en de zweepslag der drijvers gehoord, tot straks in de verte het laatste geluid van het wegtrekkende leger wegsterft.

Doch Jakob bleef alleen over, en een man worstelde met hem, tot de dageraad opging (vs. 24). We willen bij dit verhaal een opmerking vooraf maken. Allicht komt de vraag op: Wat moeten we van deze Pniëlsworsteling denken? Onze ⚑statenvertalers hebben eenvoudig gezegd: Hier is een openbaring van Christus in het Oude Testament. Er is geen schijn of schaduw van zulk een gedachte in het Oude Testament zelf. Het is eigenlijk jammer dat we met deze opmerking onze beschouwing moeten onderbreken. Maar het is nodig, door een uiterst gebrekkige opvatting van de Schrift. Men vraagt: Wie is die man? En de indruk van dit schone verhaal is met die vraag al half of driekwart gebroken. Dan begint men over en weer meningen te hebben. De één wordt half ontsticht door deze, de ander door gene verklaring. In een gesprek zou het misschien warme hoofden geven, en koude harten. En de indruk is weg! Want dit verhaal is bijzonder indrukwekkend. En wie het overdenkt en overpeinst, die weet, die voelt wat het betekent. Hier is God in het leven een worstelaar, maar tevens een zegenaar! En dat wordt ons medegedeeld in de taal van vroeger dagen, en in de voorstellingswereld van vroeger dagen. Misschien zoals men het doorleefde. Maar wie het thans leest, die gevoelt dat hier een levenservaring ons wordt medegedeeld van de allerhoogste soort. God in het leven, in de nood, een worstelaar en een zegenaar.

Het ligt voor de hand een vergelijking te trekken tussen Jakob te Bethel (vorige keer) en Jakob te Pniël. Daar in Bethel, waar de ladder die ten hemel reikte hem in de droom verscheen, is het de jeugdige man die de wereld in moet. De zorgeloze jeugd ligt vlak achter hem. Het ouderlijk huis, verder reikt zijn ervaring niet. De zonde des huizes drijft hem de wereld in. Maar het is nog zoveel gemakkelijker dan later voor hem de liefde Gods te geloven. De opzoekende liefde verschijnt hem in een liefelijk droomgezicht. Hij kent zijn zonde, zijn bedrog, maar het zijn meer enkele feiten voor hem, verspreide wolken. Het zonlicht der opzoekende liefde Gods komt er gemakkelijk doorheen in een heerlijk droomgezicht. Ook daar is het donker om hem heen. Ook daar schijnt hij verlaten. Ook daar is het een openbaring voor hem, wanneer God tot hem komt. Maar het doorbreken is minder zwaar.

Thans drukt het gewicht des levens zwaarder op hem. Zijn ervaringen zijn vermeerderd, hij heeft het leven en de wereld leren kennen, hij heeft gewandeld in het stof van de levensweg. En niet in de laatste plaats, hij heeft zichzelve beter leren kennen. Een levenswandel met God voert tot steeds diepere zelfkennis. Het is ook mogelijk dat het juist andersom gaat in het leven: dat men steeds meer bewondering voor zichzelf krijgt. Dan zegt Christus: Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn (Mt. 9: 12). De apostel Paulus zegt ervan: En zonder de Wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weer levend geworden. Want de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid, en door hetzelve gedood. Is dan het goede mij de dood geworden? Dat zij verre! Maar de zonde is mij de dood geworden, opdat zij zou openbaar worden zonde te zijn, werkende mij door het goede de dood. Want hetgeen ik wil, dat doe ik niet; maar hetgeen ik haat, dat doe ik (vgl. Rom. 7: 9-15). Is hier iemand aan het woord, die lichtvaardig zijn zonden belijdt? Ge weet wel beter. Dit is een klacht, een kreet uit het diepst van het geprangd gemoed. Hier is iets gevoeld van de klem van het gebod. Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader die in de hemelen is, volmaakt is (Mt. 5: 48). De wandel met God maakt de zonde openbaar. Niet alleen de enkele zonde op zichzelf, maar zoals bij de apostel Paulus, de verdorven toestand des harten, het onvermogen des harten.

De Jakob van Pniël kent zichzelf beter dan de Jakob van Bethel. En ook zal het bedrog, eens door hem gepleegd, thans voor hem betekend hebben een bedriegelijk hart. Het is thans niet alleen maar meer de vraag: Zal God nog weer mijn God zijn, nadat ik door mijn zonde uit het land der vaderen moest wijken? Maar de vraag staat thans zo: Zal Hij mij kunnen en willen redden, zoals ik ben? Zal Hij zulk één getrouw blijven in de hoogste nood? Toch stellen we ons niet voor dat Jakobs Godsvertrouwen minder is geworden met de jaren. De God van Bethel, zijn eigen God, op diens beloften heeft hij daarstraks nog gepleit. Neen, ook zijn geloof is bevestigd en gegroeid. Maar tevens de moeilijkheid van dat geloof in zijn zelfveroordeling. En zo is er meer spanning in zijn leven gekomen: de tegenstellingen hebben zich verdiept; het is niet meer de morgen van de levensdag, het is de zware middag. Er is hoger opbieding van geloof nodig om de tegenstand te overwinnen. God is duidelijker in zijn leven aanwezig, maar tevens is er meer moeilijkheid, meer strijd, meer wat hem belet God te zien, wat hem twijfel baart, meer wat hem beschuldigt. Daar is meer, waarmee hij geen weg weet, wat hem doet vragen: Doet God het? Wat hem doet zuchten: Wil God genadig zijn? Wil Hij helpen? En zo wordt dat leven een strijd. Stofwolken omringen hem in deze kamp. Het is op de hoogte van de dag. De hitte des daags wordt gedragen.

En nu ziet ge wel die tegenstelling tussen Bethel en Pniël. Daar een droomgezicht, gemakkelijk als in de slaap, blijde, vriendelijk, als het maanlicht door de wolken, kalm. De zorgen weggevaagd. De ballingschap vergeten. Hier in Pniël is het een worsteling als man tegen man. Aan de avond van een moeilijke dag, de moeilijkste van zijn leven. Een dag van benauwdheid en angstzweet, van werken en bidden, van vertrouwen en overleg, een dag, waarin het gejaagd heeft in dat leven. En in de nacht, als alles stil geworden is, een worsteling tot aan de morgen toe, een worsteling, waarin zijn <kracht> als zenuw ontwricht wordt (vs. 31 v.), waarin hij een ontzettende overmacht tegenover zich heeft, en hij toch overwinnaar blijft. Hoe schoon is deze tegenstelling tussen Bethel en Pniël. En hoe waar! Hoeveel zwaarder is hier alles, hoeveel aangrijpender, hoe is alles verdiept en verbreed. Daar is groei in dit leven geweest. We bemerken het.

Daar moet groei zijn in het leven van het kind Gods. Want de tegenstand en de moeilijkheden en het stof des levens, het vermeerdert zonder twijfel. Ouden van dagen die in hun leven terugzien, zullen het zonder bedenken bevestigen. Wie in de vaag des levens zich bevindt, zal het ongetwijfeld bemerken. En wie jong van jaren is, vermoedt het reeds. En daarmee moet ook de godsdienstige ervaring gelijke tred houden, anders wordt het zaad verstikt onder de zorgvuldigheden des levens (Lk. 8 : 14). Misschien gaat het wel eens andersom. Dat er in menig leven een herinnering is aan het kinderlijk gebed, aan de indrukken der jeugd, aan het vriendelijk aangezicht Gods, zoals het bij de intrede in het leven gezien werd, zoals het door de wolken brak na een bange nood of na ootmoedig berouw. Maar dat naderhand in het stof van de strijd des levens die indrukken vergeten zijn, dat vertrouwen verzwakt is, de hoop verbleekt. Omdat het moeilijker werd, gaf men de strijd misschien op. Omdat het meer ernst werd, verging de moed. Het leven moest dieper worden, en zie, het werd oppervlakkiger! In het leven van het waarachtige kind Gods gaat het anders. Als bij Jakob. Daar wast ook het geloof, de kracht van het gebed, daar wordt steeds meer kracht opgeboden. Daar wordt het van schouwen een worsteling, straks een overwinning. Laat die worsteling ons dus niet afschrikken. Laat dit toneel aan de veren van de Jabbok ons iets tot bemoediging te zeggen hebben. Want dit is ons immers duidelijk: deze Jakob hier is meer dan toen het nog zo gemakkelijk ging. Hij heeft zich vorstelijk gedragen, naar Gods Woord. Zijn naam wordt Israël, omdat hij zich vorstelijk gedragen heeft met God en de mensen (vs. 28). Zo groeit ook het kind Gods en wast op in de genade, en zal ook eens, zo hij volhardt, de kroon ontvangen die is weggelegd voor de overwinnende strijder. Zo alleen kan de toenemende tegenstand overwonnen worden. Want dat geweld loopt tenslotte hoog. Het loopt zo hoog, dat deze aardse verschijning tot stof wordt gebracht.

Het is een geweldige gedachte in de Schrift dat het Satan is, die het geweld des doods heeft (Hebr. 2 : 14). Dat staat er zo in onze bijbel. En daar kunnen we wel veel over theologiseren - God, de dood -, we willen het niet doen. Maar dit is zeker: daar is iets satanisch in de dood, dat duidelijk uitkomt wanneer iemand in zijn goddeloosheid en volslagen afstand tegen God sterft. Ge weet hoe verschrikkelijk zulk een sterfbed is. Daar is het als een gegrepen en weggerukt worden tegen wil en dank. Daar wordt het leven als tot stof vermalen. Bij de christen wordt dit karakter des doods verlicht door die andere gedachte, dat sterk worden van het geloof, zodat het straks wordt: Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij (Gal. 2: 20). In die ure kan het gezegd worden als het gejaagd heeft in het leven en het is dan het einde: Hij bleef alleen over, en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging. De dageraad voor het kind Gods.

We hebben Jakobs worstelen beschouwd als de worsteling des geloofs en des gebeds, in de hoogste aanvechting en tegenstand. We willen nog vragen waar het om gaat in deze strijd. Hier is een pauze in een reeks van spannende gebeurtenissen. Hier is een punt, waar een kleine scheiding kan gemaakt worden. Alles wat gedaan kan worden is gedaan. Alle mensenwerk houdt hier op. De draden lopen samen en de ontknoping is komende. Het gebed is opgezonden, de overtocht volbracht, de broeder geschenken gezonden, het leger verdeeld! De voorttrekker kan niet meer doen. Morgen zal de levenslijn verder getrokken worden, ten leven of ten dode, tot vrede of ten verderve.

Maar in de nacht krijgt het leven een andere richting. Hier loopt de lijn niet eenvoudig door, recht over de aarde door de tijd. Hier staat de levenslijn van boven naar beneden in de nacht. God in het leven. Hier schommelt het levenskompas heftig. Andere invloeden dan tot nog toe openbaren zich. We kunnen veel toekomstigs berekenen uit wat voorafgegaan is. Oorzaak en gevolg is een groot hulpmiddel bij onze berekening. Gaat het buiten die berekening, dan spreken we van iets onverwachts. Maar er zijn dingen en ogenblikken, waar de verklaring ons onbepaald begeeft en in de steek laat. Jakob heeft ook zijn berekening gemaakt. Over zo en zoveel tijd zou hij Ezau kunnen ontmoeten. Hij ziet de gebeurtenissen zich ontwikkelen. Vrij zeker kan er iets omtrent de toekomst gezegd worden, en daarnaar de maatregelen genomen. Zelfs indien Ezau in eigen persoon hem ontmoeten kwam, hij zou het onverwacht hebben gevonden, maar het zou niet te zeer buiten de loop der dingen gelegen hebben. Maar hier verschijnt hem iets, wat niet in de lijn der gebeurtenissen ligt. Deze verschijning is hem onverklaarbaar. Dit is niet eenvoudig voortzetting van vroegere gebeurtenissen. Hier is iemand of iets, dat hem verschrikt en verbaast. Hier is geen voortgang des tijds eenvoudig. Hier is iets eeuwigs: God in het leven! Dat is de zaak in het christelijk leven, wat niet daaruit verklaard kan worden, wat buiten oorzaak en gevolg staat.

In de volheid des tijds, in de geschiedenis der gehele mensheid, staat zo Jezus Christus. In de tijd en niet daaruit te verklaren. Niet buiten de lijn en toch geen punt van de levenslijn der mensheid. Niet onderworpen aan de wet der zonde en des doods. En van deze verschijning geldt het tot op de huidige dag onder de mensen: wat is het, wie is het? Wat dunkt u van de Christus (Mt. 22: 42)? En die vraag gaat in belangrijkheid alle andere te boven. De vraag van Jakob: Geef toch uw naam te kennen (vs. 29). Want de vraag naar de naam is hier een vraag naar het wezen. Maar zoiets is er ook in het leven van de bijzondere mens. Levenspunten, wanneer als 't ware de gang der gebeurtenissen een wijle ophoudt, wanneer er iets gevoeld wordt van dat wonderbare, dat achter de dingen des tijds is, en er zich toch in openbaart, waarvan iets gemerkt wordt, maar dat we nooit volkomen kunnen kennen. Wedergeboorte. God in het leven, bij en tegenover de mens. Dan worden alle waarden des levens een ogenblik anders geprijsd; dan kan het grootste klein schijnen en het kleinste groot.

Ziet het aan Jakob. Hij is alleen. Zijn zonde is op zijn geweten aangekomen, hij vreest de ontmoeting met zijn broeder. Zijn ziel is daardoor beangst, en dat, zouden we natuurlijkerwijze verwachten, zal het onderwerp van zijn gebed zijn. Maar niet alzo! Geen woord omtrent Ezau, geen woord omtrent zijn persoonlijk gevaar. Dat alles is gedurende deze nachtelijke worsteling geheel verdwenen, en diepere gedachten rijzen op in zijn ziel. Om morgen veilig te zijn? Neen, dat is het thans niet. De levenslijn loopt in dit ogenblik niet van gisteren naar morgen over het heden. De levenslijn loopt op dit ogenblik van beneden naar boven. Dit heden is een eeuwigheid, een openbaring. God te kennen, te weten wie Hij is, door Hem gezegend te worden, zijn ziel te behouden: daarom gaat het thans. Straks zegt hij het: Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn ziel is gered geweest (vs. 30).

In de volheid des tijds, in de gestalte van Christus, wijken een ogenblik alle wereldproblemen terug, alle vragen en noden voor deze ene: Wie is God? Wil Hij zegenen of is er toorn bij Hem? Zal de ziel gered worden van de dood? Wat baat het een mens of hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade aan zijn ziel (Mt. 16 : 26)? Bij die vraag verliest een ogenblik de gehele wereldgeschiedenis zijn belang. En zo gaat het in het leven van de enkele mens, zowel als van de maatschappij. Daar is tenslotte nog een hoger belang dan het behoud van lijf en goed, economische worsteling, zorg voor het brood: het behoud der ziel. Een hoger belang dan een tijdelijk: een eeuwig belang. En dat wordt gevoeld, wanneer Hij in het leven verschijnt, wiens naam is Wonderlijk (Jes. 9 : 5) en niet uit te spreken, wiens wezen onze bevatting te boven gaat. Wanneer zijn adem over het leven vaart, dan gaat daar een huivering van leven door de ziel. Dan gevoelt de ziel zich opgetrokken boven de belangen des tijds, zelfs boven leven en dood. Dan ontstaat de begeerte om Hem te kennen, zijn wegen te kennen, die zulk een invloed, met niets anders vergelijkbaar, heeft. Het ritselen zijner tegenwoordigheid, wanneer dat gevoeld wordt, dan kan er geen andere begeerte zijn dan gezegend te worden. Want die zegen, dat gevoelt de worstelaar, verheft boven de punten en banden des tijds, zet boven leven en dood, is een eeuwige waarborg, hoe het lot zich ook moge ontwikkelen. En daarom deinst dat lot in zulk een ogenblik zo ver terug.

God in het leven tegenover de mens: welk een grote gedachte, welk een hoopvolle werkelijkheid. Daarom is er hoop voor iedere zondaar, omdat God in het leven verschijnen wil. Daarom zijn de zonde en de gevolgen der zonde niet een alles overmeesterende macht, omdat God in het leven verschijnen wil. Daarom is de gang des levens nooit zonder hoop, omdat God daarin verschijnen wil. Daarom alleen is het iets groots een mens te zijn, al is het een zondig mens, daarom kunnen wij niet begrepen worden uit alles wat ons omgeeft, omdat we gedragen kunnen worden in een ogenblik boven dat alles, omdat elk punt van de levenslijn kan worden een punt van de lijn die van beneden naar boven gaat.

Als God aan Jakob verschijnt, dan is Ezau weg, en al de gevaren, dan zijn er op dat ogenblik slechts twee: God en Jakob, Jakob en God. Een heerlijke gedachte, een hoopvolle werkelijkheid, maar tevens een ontzettende gedachte. Een heilig God, een zondig mens. In de ogenblikken dat de loop des tijds verbroken wordt, en God en mens elkander ontmoeten, dan wordt ook de zonde absoluut, in al haar schuld gevoeld. Dan geldt geen verontschuldiging, die ligt in de tijd. Dat is de lijn van oorzaak en gevolg: zo kwam het. Hier geldt de volkomen eis: Weest heilig, want Ik ben heilig (Lev. 19 : 2). Zo mocht het niet komen. En dan toch gezegend te willen worden? Hier is plaats voor een worsteling, die alleen ervaren en niet beschreven kan worden. God een worstelaar en toch zegenaar. Jakob komt de naam van zijn tegenpartijder niet te weten. Wij kunnen het wezen Gods niet doorgronden. Maar zijn eigen naam wordt veranderd. Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël, want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht. Laten we er goed op letten. Dus is vorstelijk zich gedragen: te strijden voor zijn ziel met God. Dat is een vorst zijn, wanneer de waarde der ziel en zijn dure prijs erkend wordt, wanneer ge tegenover God komt te staan en al het andere wegvalt. Een vorstelijk gedrag is het, wanneer ge uw eigen ziel weet te schatten. Er is zoveel gevoel van eigenwaarde op de wereld, zoveel gevoel van grootheid bij ons, dat we soms op zeer ongelegen tijden en plaatsen zoeken te tonen. Dit is eigenwaarde schatten, als om de ziel gestreden wordt met God. Vreest er niet voor, maar voor Hem, die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel (Mt. 10 : 28). De waarde wordt ontdekt en gekend in Gods tegenwoordigheid. Dan komt de ziel tot bewustzijn van haar afkomst. En van haar afdwaling. Dan zware spanning: God worstelaar en zegenaar. Dat is de strijd om het leven. Dan is er vorstelijk gedrag. Dan rijst een nieuw leven op, een nieuwe levensinhoud. Daarbij past een nieuwe naam: Israël.

En de zon rees hem op, als hij door Pniël gegaan was, en hij was hinkende aan zijn heup (vs. 31 ). Heerlijk slot.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Genesis 28 : 10-19Idsegahuizen-Piaam (1903-1910)Jesaja 40 : 6-8 →