Mattheüs 16 : 26a
Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel?
Mattheüs 16 : 26a
Mijne hoorders, een ieder die enigszins een oog heeft voor Gods schone schepping, zal zeker de grote verscheidenheid, die daarin gevonden wordt, telkens weer opvallen. En steeds weer, en weer opnieuw, zal hij zich verwonderen hierover, hoe bij gelijkheid in hoofdzaak, telkens door kleine en schijnbaar nietige afwijkingen de grootste afwisseling ontstaat. Neem bijvoorbeeld de plantenwereld. Wie uit de verte een grasveld aanschouwt, zou allicht menen dat hier dezelfde plant, duizendvoudig herhaald, het geheel samenstelt. Toch toont een enigszins nauwkeuriger beschouwing, dat dit volstrekt niet het geval is, dat integendeel het geheel door de meest verschillende soorten is samengesteld.
Dit geldt evenzo van de mensenwereld. Zowel uiterlijk als karakter tonen ons een verscheidenheid, die ons, als we er eens kalm en met opzet over nadenken, de grootste verwondering en bewondering moet baren. Hoe is het mogelijk, zo denkt men onwillekeurig, dat bij een zo grote overeenkomst, zo groot verschil kan bestaan, zodat het schijnt of telkens weer een andere gedachte, een ander plan geleid heeft tot het ontstaan van een ander mens. En toch is het gehele mensdom door de banden des bloeds onafscheidelijk verbonden. Zo is het eveneens, wanneer de mens zelf werkzaam optreedt. Gewoonlijk kunt ge uit wat uit de menselijke hand tevoorschijn komt, zijn karakter opmaken. Maar niet alleen wat de hand geeft, ook wat het hoofd voortbrengt, en hier nog in meerdere en in de hoogste mate, zal het onderscheid in het oog vallen. Een bekend spreekwoord zegt: 'Zoveel hoofden, zoveel zinnen', en zeker terecht. We behoeven dit niet te bewijzen. Wie zelf ogen heeft om in de wereld rond te zien, wordt dit direct gewaar.
Het is thans ons doel niet dit verschijnsel verder uit te werken. Integendeel, wij hebben er uw aandacht op gevestigd, om u te duidelijker ook de andere zijde te doen gevoelen. We bedoelen dit. Bij al het schijnbaar en ook wezenlijk verschil dat er valt op te merken, bestaat er een grote en even wezenlijke overeenkomst. Waar eerlijk en ronduit de behoeften van het mensenhart worden blootgelegd, zal blijken dat er een grote en alles beheersende eenheid bestaat; dat we niet alleen kunnen spreken van mensen, maar ook van de mens. Al de grote verschijnselen op geestelijk gebied, als daar zijn: gevoel van schuld, behoefte aan verlossing, aan liefde, gevoel van afhankelijkheid, zijn aan alle mensen gemeen.
Het is tot deze mens der eenheid onder de mens der verscheidenheid, tot deze mens der diepte onder de mens der oppervlakte, dat Jezus zich bij zijn prediking wendde. Bij Farizeeër zowel als bij tollenaar, bij wetgeleerde zowel als bij degene, die de wet niet verstond, moest de oppervlakte worden doorbroken en een beroep gedaan worden op wat er leefde heel diep in het hart. Zo ook in de woorden die wij als onze tekst hebben gekozen. Gij leest ze in Mattheüs 16 : 26, het eerste gedeelte. Zingen we, eer we tot de overdenking hiervan overgaan:
Wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel?
Wat is dat: de wereld te gewinnen? Ieder mens bevindt zich in zijn eerste levensjaren in een kring, waarin hij bescherming en toezicht geniet. Anderen zorgen voor alles wat op zijn voeding en kleding betrekking heeft. Maar niet zodra zijn de allereerste levensjaren verstreken of er wordt een aanvang gemaakt met wat hem moet voorbereiden voor zichzelve te zorgen. Het onderwijs moet hem de allernodigste kundigheden bijbrengen, en de omgang met anderen van zijn leeftijd moet ertoe meewerken karakter en zelfstandigheid te kweken. Straks komt de tijd waarop niet langer anderen hem hiertoe noodzaken, maar eigen keuze en wilskracht de grote drijfveer worden, die hem op de weg der voorbereiding voortdrijven. Tot eindelijk het uur daar is, waarop hij een plaats, hetzij dan een meer bescheidene of een meer in het oog vallende plaats, inneemt in de maatschappij, in die grote en samengestelde menselijke samenleving, waarin ieder zich een plaats moet veroveren. Het eerste en eenvoudigste doel is hier de verwerving van, wat we noemen, het dagelijks brood, dit is: de middelen tot onderhouding van ons natuurlijk lichamelijk leven. En zo wil God het. In het Onze Vader komt ook deze bede voor: Geef ons heden ons dagelijks brood (Mt. 6: 11). En de apostel Paulus vermaant in de eerste Thessalonicenzen-brief de leden der gemeente hun eigen dingen te doen, en te werken met hun eigen handen (1 Thess. 4 : 11). Dit is de eenvoudigste vorm van het gewinnen der wereld.
Het woord 'wereld' komt in de Schrift in verschillende zin voor. Soms betekent het de loop der tijden, die met het wereldgericht zal besloten worden. Op andere plaatsen wordt bedoeld de gehele bewoonde wereld. In het Johannesevangelie betekent het woord dikwijls de boze wereld tegenover het Godsrijk. Maar ook heel dikwijls wil het zeggen: alles wat tot het leven behoort; wat de ogen te zien, de oren te horen geven; de gehele schepping Gods, van natuurlijke zowel als geestelijke aard, waartussen de mens als hoogste en heersend wezen is geplaatst; al de verhoudingen, tussen mens en mens ingesloten. En zó geloven wij dat Jezus het woord in onze tekstwoorden heeft bedoeld.
De eenvoudigste wijze om deze wereld te grijpen noemden wij het zoeken van het dagelijks brood, het onderhouden van het lichamelijk leven, waardoor alleen het mogelijk wordt ook op ander gebied op andere wijze de wereld te gewinnen. Bezien we dit zoeken van het dagelijks brood als strijd van de een tegen de ander, dan heet hij de strijd om het bestaan. Een woord, dat in onze tijd zeker niemand onbekend is. De eenvoudige drang tot werken, tot onderhouding van het leven, wordt in sommige levens een worsteling op leven en dood, in andere een hartstocht om steeds meer en meer te bezitten.
Maar er is hoger gewinnen van de wereld en nobeler aandrift om haar te bezitten. Wanneer de mens van voedsel en deksel zich heeft voorzien, vlijt hij zich niet in behaaglijke rust neer, evenals het dier, maar stelt belang in alles wat daar rondom hem geschiedt. Hij is niet tevreden te zien wat rondom hem gebeurt, maar wil ook, voorzover hij dat kan, de verschijnselen verklaren. Zo onderzoeken de mannen der wetenschap de natuur. Zij doorvorsen de plantenwereld en zoeken in het delfstoffenrijk de vroegere geschiedenis der aarde na te gaan. Zij bestuderen het menselijk lichaam en trachten de wetten op te sporen, volgens welke de hemelbollen zich bewegen. Maar waaraan deze mannen hun leven wijden, daarin stellen ook de gewone mensen belang. Of hebben we niet dikwijls, zovelen als we hier samen zijn, met bewondering de ogen opgeslagen naar de sterrenhemel, en met een gevoel van kleinheid en nietigheid, met ontzag in menige winteravond die hel stekende tinteling van duizenden hemelbollen aanschouwd? En gevoelden we dan niet iets van de adel van het mens-zijn, waardoor het mogelijk wordt van dit alles een indruk te krijgen? Hier heeft God, als met leesbaar schrift, zijn ontzaglijke majesteit getekend, en de ontzagwekkende diepten van zijn scheppingswerk te vermoeden gegeven, waar Hij als met verspillende mildheid hemelbollen heeft uitgegoten als zand.
Verder is daar de wereld der muziek, waardoor het gevoelig mensenhart kan worden opgewiegeld tot in de hoogte, of tot droefheid kan worden geroerd. Daar is verder de wereld der boeken, de wereld der kunst, waaraan duizenden levens zich wijden, en die ook bijna in ieder huisgezin iets tot veraangenaming van het leven bijdragen. En wederom moeten we zeggen: Zo wil het God. Dit alles behoort tot het wezen van de mens.
In de Filippenzen-brief zegt de apostel: Voorts, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wèl luidt, zo er enige deugd is en zo er enige lof is, bedenkt dat (Fil. 4: 8). Wij zouden dit kunnen samenvatten als de wereld van het schone.
Hebben we alzo het oog gevestigd op het gewinnen van het levensonderhoud en op het deelnemen aan alles wat natuur en kunst te genieten geven, ons blijft nog over uw aandacht te vestigen op het hoogste levensgebied: de verhouding van mensen tot mensen. En hier wordt voorzeker onze belangstelling het allermeest gaande gemaakt.
Daar is de wereld van het huisgezin, de betrekking tussen man en vrouw, de liefde van ouders tot kinderen en van kinderen tot hun ouders. En in deze kring kunnen wel de hoogste en reinste en edelste gevoelens gekweekt en gevoed worden, waarvoor het menselijk gemoed vatbaar is: de gevoelens van liefde en zelfverloochening, van opoffering en plichtsbetrachting. En hier blijkt ons hoe ondergeschikt tenslotte de zorg voor het lichaam en het deelnemen aan de natuur is, hoe de gevoelens hier veel dieper en hoger zijn. Immers, wanneer daar ziekte in ons huis komt, zodat het leven onzer betrekkingen bedreigd wordt, dan wordt menigmaal het voedsel tot een aanstoot, en verhindert de droefheid de zorg voor het onderhoud des lichaams. Dan is het, alsof de schoonheid in de natuur ons hindert; of wij missen zelfs het vermogen haar op te merken.
Na het huisgezin kunnen we u wijzen op kerk en staat, waar gevoelens van verantwoordelijkheid en plichtsbesef tot uiting komen, en waarin kloeke persoonlijkheden hun plaats met ere kunnen vervullen.
We zien dus hoe de wereld op allerlei wijze, in hogere en lagere zin, gewonnen wordt, en dat zo de wil Gods is. Maar, zal misschien iemand ons tegenwerpen, zo heeft Jezus dit niet bedoeld. Wanneer Jezus spreekt van 'de wereld gewinnen', meent Hij daarmede het kwade, het verkeerde gewinnen van de wereld, bijvoorbeeld gierigheid, hartstocht, onverzadelijke eerzucht, en wat dies meer zij. Wij geloven het niet, dat dit de bedoeling is.
Laat ons onszelve eens eerlijk afvragen: Wanneer wij alles bezitten, ook in de ruimste mate, wat tot onderhouding van het lichaam en de bekleding daarvan moet dienen, zijn we dan voldaan? Hebben we dan alles wat we wensen? Of blijft daar niet over een gevoel van onvoldaanheid, dat we zelf misschien geen naam weten te geven, maar dat zich telkens en met vernieuwde kracht aan ons opdringt? De mens zal bij brood alleen niet leven, zegt Jezus in de verzoekingsgeschiedenis, maar bij alle woord dat uit de mond Gods uitgaat (Mt. 4: 4). Wij gevoelen dat we andere behoeften hebben dan die des lichaams.
Evenzo gaat het op hoger levensterrein. Of gelooft ge dat het onderzoek en het genieten der natuur, dat muziek, dat kunst, hoe strelend ook voor het menselijk gemoed, dit op den duur kunnen bevredigen? Juist het schone hier op aarde stemt soms de geest zo droef, omdat gevoeld wordt dat hier een afschaduwing is van hogere dingen, waarnaar het diepste van ons gemoed uitgaat.
Eindelijk dan, wanneer onze verhouding tot mensen zo aangenaam is als we dat wensen kunnen, wanneer ons huiselijk leven onze verwachtingen heeft bevredigd, die wij daarvan koesterden, ook dan nog gevoelt de mens zich niet geheel voldaan. Hij merkt dat daar nog iets diepers in zijn hart is dat bevrediging zoekt, en dat onmogelijk door het aardse kan voldaan worden.
Dit brengt ons tot de tweede gedachte, die in onze tekstwoorden is uitgedrukt. Laat ons echter vooraf zingen:
Hebben wij u ontwikkeld wat dat is: de wereld te gewinnen, en gezien dat de mens daardoor niet bevredigd kan worden, dit zal ons nog duidelijker worden als we in het oog vatten: de waarde ener onsterfelijke ziel.
De ziel, waar is zij? De ziel, wat is zij? De ziel, hoe is zij? Zie, wij spreken zo vaak van die ziel als een grootheid, waarvan we vast overtuigd zijn dat ze bestaat. Maar gesteld eens dat men u vroeg te bewijzen, dat ge een ziel in uw binnenste hebt, zoudt ge dan zo dadelijk met uw antwoord gereed zijn? Wie merkt, zegt de Prediker, dat de adem der beesten nederwaarts gaat, naar de aarde, en de adem der mensen naar boven (Pred. 3 : 2l)? Is iemand er ook getuige van geweest, dat aan een sterfbed voor het oog zichtbaar werd, dat de mens uit twee delen bestaat, die we ziel en lichaam noemen? En kan ook maar enigszins bij benadering aangewezen worden waar die ziel zich bevindt in het lichaam, waar ze haar woonstede heeft opgeslagen? Wat is het middelpunt van het leven der ziel? Uw hoofd, uw hart? Of doordringt ze uw gehele lichaam? En ook al gaat ge nu eenmaal uit van de vaste veronderstelling dat de ziel zich bij het levende met het lichaam verbonden ziet, wat is dan dat geheimzinnige wezen, dat nergens is en overal, dat niet gezien kan worden en er toch moet zijn? Hoe is de gesteldheid daarvan? Is het niet zichtbaar, wat is het dan? Is het fijnere stof, die aan het oog ontsnapt? Het is geest, zeggen we. Maar wat is geest? Is dat meer dan een woord, een gedachte, een beeld, waarmee ik iets uitdruk wat eigenlijk niet te zeggen is?
Moeilijke vragen, mijne hoorders. De man die ze u zou kunnen beantwoorden moet nog geboren worden. En deze vragen zijn toch voor menigeen oorzaak van twijfel, ja van ernstige afdwalingen geweest. Er zijn mensen geweest die gezegd hebben, en ze zijn er nog, en niet weinigen: Kracht en stof, dat is alles wat bestaat; anders is er niets. Alles kan verklaard worden door die twee. De geest, heeft men gezegd, dat is heel dunne en fijne stof. Zoals het lichaam andere stoffen, zo scheiden de hersenen de gedachten af. Dit alles is een stoffelijk proces. En wie meent dat dergelijke dwalingen niet van ontzaglijke invloed zijn, ziet het wel anders in kringen waar deze gedachten de boventoon voeren.
Jezus houdt zich hier met deze vragen niet op. Hij neemt slechts de evenaar in de hand. En die evenaar is het geweten van de mensen. En nu legt Hij op elk der beide schalen iets. Eerst de ene schaal; daar gaat veel op. Daar wordt opgestapeld rijkdom, eer, genot, vriendschap, bezieling voor alles wat schoon is. Daarop wordt gelegd het één na het ander. Niet slechts het lagere, het mindere, het slechte dat de wereld kan geven, niet slechts wat door iedereen veroordeeld wordt, maar ook het schone, het edele. En daar op die ene schaal wordt doorgestapeld tot er tenslotte op ligt de gehele wereld, voor zover ze voor de mens te veroveren is. En diep, heel diep slaat de evenaar over naar die kant, waar zo veel werd opgelegd.
Maar dan wordt op de andere schaal iets gelegd. Iets, dat ge niet kunt zien of tasten. Iets, waarvan ge niet kunt zeggen waar of hoe het bestaat. Iets, waarvan ge zoudt zeggen dat het gans geen gewicht heeft. En toch, ge ziet de zwaarbeladen schaal omhoog gaan, en die andere dalen. Wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade aan zijn ziel?
Het menselijk geweten is niet altijd een zuivere evenaar. Het kan soms een zeer onjuist gewicht aangeven. Maar zo ongevoelig, zo verroest kan deze evenaar, waarmee Jezus thans weegt, niet zijn, of waar met zo grote gewichten gewogen wordt, zal het de juiste kant overslaan. Wie zou durven ontkennen dat het woord van Jezus waar was? Wie zou niet toestemmen dat het hart bewaard moet worden boven al wat te bewaren is? En hoe raadselachtig dan ook het bestaan der ziel moge zijn, daarmede heeft ze haar oneindig gewicht voor de menselijke consciëntie bewezen. Tegenover de ganse wereld gewogen, heeft ze de doorslag gegeven!
Of wilt ge u nog duidelijker voorstellen wat Jezus in onze tekstwoorden doet? Welnu, Hij stelt u twee mensen voor. Aan de ene zijde plaatst Hij voor uw oog een mens, die aller ogen tot zich trekt. Zijn voorkomen is koninklijk, zijn gestalte is rijzig en schoon, zijn oog doet aangenaam aan. Zijn gehele wezen drukt uit dat hier de levensvermogens hannonisch zijn ontwikkeld. Rijkdom en eer zijn zijn deel. De laurierkrans van de roem is om zijn slapen. De wetenschap <in> zijn hoofd <gevaren>. Zijn hand is kunstvaardig. Maar het gevoel van schuld is hem vreemd. Zijn zonde kent hij niet. Behoefte aan verzoening bestaat niet voor hem. Hij is zichzelf genoegzaam, een koning onder de mensen. - En daartegenover staat een gestalte, gebogen onder de last van het lijden. Een figuur waaraan geen gedaante noch heerlijkheid is, dat we die zouden begeren (vgl. Jes. 53 : 2). Een gelaat doorgroefd door de smart; een arme, een ellendige naar de wereld, maar waarin de vrede Gods is neergedaald, die bezit de schat in de hemelen, waar ze noch mot noch roest verderft (Mt. 6 : 20). Een geborgene in de handpalmen des Verlossers, een geschrevene in het boek des levens. Noem die eerste zoals ge wilt, met de namen der groten in de geschiedenis. Of liever, laat ons die geen naam geven, opdat wij niet oordelen waar het oordeel God toekomt. Noem die tweede echter met de naam van een Jeremia, een Johannes de Doper en zovele anderen, die alles hebben verloren om de zaak huns Gods. En weer gaat de vraag uit: Wie van beiden zal het gelukkigst te noemen zijn? En het antwoord kan niet anders zijn dan: die laatste. Wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade aan zijn ziel?
Wij zien dus: die ziel des mensen, die telkens tegen zoveel dat daar tegenover staat, ons oordeel naar die zijde doet overhellen, waar zij zich bevindt, moet, hoe ongrijpbaar, onzienlijk, hoe onbewijsbaar ze ook moge zijn, een voornaam, ja het voornaamste deel van de mens uitmaken. En nu ziet de Heiland die zielen der mensen bij duizenden en miljoenen dwalen in de duisternis. Die zielen zijn goddelijke vonken, aangestoken aan het eeuwige licht Gods. Het zijn geesten, verwekt door de adem van God, die een Geest is. Het zijn gedachten, gedacht door de opperste Wijsheid. Zij zijn geschapen om te lichten, om Gode te leven, om zijn wijsheid te kennen. Drie dingen die onze catechismus noemt: ware kennisse Gods, gerechtigheid en heiligheid. En nu ziet de Heiland deze zielen, met zo hoge bestemming, dwalen op eigengekozen paden, in het schemerdonker der aarde, schichtig voor het licht van Gods tempels. Hij, de vlekkeloos reine, wiens oog het kwade niet kon aanzien, die sidderde bij de aanraking van kwaad en duisternis, Hij is ontroerd over de verblinding die de mensheid heeft aangegrepen, die zo hoge adel met voeten kon treden. En het klinkt als een angstroep der hoogste liefde, als Hij die wondere tegenstelling poneert tussen de wereld en de ziel. Het klinkt als een waarschuwende trompetstoot van een wachter op hoge toren, die waarschuwt tegen dreigend gevaar. Hij waarschuwt: Laat u niet verblinden door al wat schoon schijnt, door alles wat de zinnen streelt, door alles wat het hart lokt. Maar keer in tot uzelf, graaf in eigen borst en bezie eerst de grootste schat, die ge in uw boezem draagt. Vergewis u van zijn werkelijke waarde, voor ge erin toestemt die te verronselen tegen wat zoveel minder waarde heeft. Wat baat het de mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade aan zijn ziel?
Wie door het woord van Jezus, van zoveel liefde getuigend, getroffen werd, zal niet kunnen nalaten te vragen: Maar waar ligt dan de weg om, zonder schade aan de ziel te lijden, te leven? En waar is de weg om, waar misschien reeds zo grote schade geleden werd, die ziel door nieuw leven de gezondheid terug te geven? De Heiland is niet iemand die de gevaren zwart afmaalt, om daarna in onrust te laten zitten. Allereerst wil Hij opschrikken uit de rust, en daarvoor is een sterk, een paradoxaal woord nodig, zodat elk erdoor getroffen wordt.
De ziel meer waard dan de ganse wereld. Maar waarin bestaat dan die ontzaglijke schade die de ziel kan toegebracht worden? Schade, dat is allereerst datgene wat tegen het wezen van een zaak ingaat. En wat is nu het wezen van de ziel? Het is leven uit God. Maar dan kan ook slechts dat leven behouden blijven door de gemeenschap met God. Slechts zolang de ziel in ongestoorde betrekking tot God de Vader staat, zal zij geen schade lijden.
En wat maakt nu scheiding tussen God en de ziel? Het is de zonde; het zelfzuchtig beginsel, waardoor de ziel de wereld voor zich wil hebben, en die niet aan God opdraagt. Het is het maken van zichzelf tot middelpunt van de wereld, zodat ze die naar zich toe trekt op onrechtmatige wijze. Zo wordt de gemeenschap met God gebroken. Zo wordt het schepsel geëerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is in alle eeuwigheid. Zo wordt de wereld gewonnen, en de ziel lijdt schade. Dit is wat de Schrift de begeerlijkheid noemt, die alles naar zich toe haalt, die de bron, de wortel van alle zonde is; het eigenmachtig nemen van de wereld.
En de bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 6: 23). Daar is geen uitwendig verband tussen deze twee, zodat de dood de straf zou zijn, die aan de zonde, zonder verband daarmee, zou zijn toegevoegd. De zonde voleindigd zijnde, baart de dood, zegt de Schrift (Jak. 1 : 15). De dood, de geestelijke dood is de voleindigde, de tot rijpheid gekomen zonde. Het is niet een niet-zijn, een niet meer bestaan, maar een bestaan van de ziel tegenover God, die de bron van alle licht, de bron van alle leven is. En buiten de bron van alle licht kan niet anders zijn dan, wat de Schrift noemt, de buitenste duisternis, en buiten de bron van alle leven niet anders dan de dood.
Dit wil Jezus dat allereerst tot de ziel doordringe. Daarvan moet ze zich bewust zijn. Zij moet pijn gevoelen door haar verwijdering van God de Vader. Zij moet beangst zijn om de verwijdering van Hem. Dan wil Hij komen, om de ziel weer tot de Vader terug te brengen. Dan wil Hij met eindeloze goedheid het verdwaalde kind in de armen des Vaders terugvoeren. Dan wil Hij spreken tot de ziel van verlossing, die Hij heeft aangebracht; van vrede, die Hij wil schenken; van blijdschap, die Hij wil teruggeven. Dan wil Hij spreken van al de zonde, die op Hem aanliep, zodat Hij moest roepen: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Mt. 27: 46)?; van de verlossing, die Hij heeft aangebracht voor allen die in Hem geloven. Dan wil Hijzelf als de grote Hogepriester, als Middelaar staan voor het aangezicht des Vaders, en die ziel die van Hem afdwaalde en schade leed tot Hem terugvoeren. Dan wil Hij als de grote Heelmeester olie gieten in de wonden dier ziel, de olie der vertroosting, dat de schuld vergeven, de eis Gods is voldaan.
Maar Hij wil meer doen. Hij wil ook door zijn Geest nieuw leven wekken in het hart. Door die Geest zal de gemeenschap met God worden levendig gehouden, de zonde bestreden en de dood eindelijk overwonnen worden. Zo is Hij niet alleen degene die de ziel waarschuwt, maar Hij is ook haar Verlosser. Hij is de goede Herder, die waar een schaap verloren ging, de negenennegentig verlaat om het verlorene te zoeken.
Hebben we deze waarschuwing nu goed gehoord, mijne hoorders? Is ze ons meer geworden dan een woord, een gedachte, een uitgesproken bewering, waarvan we de betrekkelijke waarheid kunnen erkennen, zonder daarom ons nog daarover te verontrusten? Hebben we er de angstroep der hoogste liefde in beluisterd? Dat is de ware liefde, die haar voorwerp verheft, die het hoog stelt, en daarom spreekt ook met strenge ernst. Christus kan niet met een kalm oog aanzien, dat de zielen ten verderve ijlen. Hij roept en het is een woord, gaande tot in het diepst van het gemoed. Hij roept en zijn doel is wakker te schudden en te doen opschrikken. Hij dringt tot zelfonderzoek, tot inkeer in eigen hart.
Hoeveel aanleiding is er niet om in de strijd om de wereld de zorg voor de ziel te vergeten. De Heiland zelf wist hoe zwaar deze strijd kan vallen. Hij is in alles verzocht geweest, gelijk als wij, doch zonder zonde (Hebr. 4 : 15). Daar op de berg der verzoeking werden Hem al de koninkrijken der aarde getoond. Daar werd Hem alles aangeboden. Doch zijn antwoord luidt: Niet alleen bij brood zal de mens leven, maar bij alle woord, dat uit de mond Gods uitgaat. Daarom is Hij juist bevoegd om de zielen te waarschuwen, omdat Hij weet wat het betekent van deze twee gedrongen te worden. Hij weet dat juist naarmate de wereld in edeler vorm, in hoger gedaante het hart zoekt te veroveren, ze des te gevaarlijker vijand is.
Hebben wij deze strijd reeds in ons leven gevoerd, mijne hoorders, die strijd om het behoud der ziel? Zo niet, dan zouden we vrezen dat de wereld zich nog in het ongestoorde bezit van het hart verheugt, dat de ziel zich van haar gevaar nog niet bewust is geworden. Wie echter deze strijd kent, die heeft in Jezus Christus niet alleen een Raadsman, maar ook een Leidsman gevonden. Hij is de overste Leidsman en Voleinder des geloofs (Hebr. 12: 2). Wie aan Hem de hoede der ziel heeft toevertrouwd, die zal Hij eindelijk zonder schipbreuk brengen in de eeuwige haven, waarin Hij woningen heeft toebereid voor allen die Hem toebehoren.
Maar de wereld dan? Is zij voor niets de mens ter beheersing toevertrouwd? Jezus geeft het antwoord: Zoekt eerst het koninkrijk Gods, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden (Mt. 6 : 33).