Woord en wezen
In mijn vorig hoofdstuk waagde ik het, te betwijfelen of de fenomenologie voor de theologie altijd een goede en onschuldige hulpwetenschap zou blijken te zijn. Zij kon als zodanig ook wel eens een niet-geheel-blanco zondenregister hebben, zoals ook de psychoanalyse, de studie van het gewone Grieks in Jezus' dagen, en de vergelijkende godsdienstwetenschap. Deze betwijfeling bracht ik op formule door te vragen of het Woord wel een wezen heeft en of daarom de fenomenologie de theologie geen geweld aandoet door het Evangelie onder de door haar gevonden wezens-categorieën onder te brengen. Om tot een voorlopige en ook voor de niet-theologisch geschoolde lezer bevattelijke beantwoording van deze vragen te komen, wil ik uit de Sacramentstheologie van prof. Van der Leeuw een tweetal voorbeelden aanhalen voor de werkwijze van de fenomenologie ten opzichte van het Evangelie. En ik doe dat op twee centrale punten; één uit de evangeliën en een ander uit de prediking van Paulus. Ik bedoel het kruis en de rechtvaardiging van de zondaar. Zo ergens, dan moet het mogelijk zijn de fenomenologie hier te 'testen'.
Allereerst dan het kruis. Van der Leeuw heeft Golgotha gezien en beschreven als een spel.175 Dat is een fenomenologische categorie, die bij hem ook in zijn antropologie een aanzienlijke plaats inneemt. Dat spreken over, spel' is dus voor hem hier niet op zijn beurt een theologisch spelletje, geen stijlbloempje uit een preek of een extatisch hoogtepunt in een meditatie, maar een schakel in een streng wetenschappelijk betoog. Het is een handschoen, die vanuit zijn mysterieleer aan de westerse theologie wordt toegeworpen. In een mysterie is het spel de hoogste categorie. Het mysterie wordt gespeeld. En iedere handeling daarin heeft een wezen, dat door een uiterlijk, maar meer nog door een innerlijk schouwen wordt ontdekt. Het woord bekleedt een ondergeschikte rol. Ik denk aan de wajangpoppen bij de Javanen.
Deze categorie van het spel past Van der Leeuw nu toe, waar het hem gaat om het vinden van de grondvorm van ons geloofsleven. De spelers zijn de personen der Drieëenheid en de handeling heeft plaats in de tuin van een heilige lichtzinnigheid, die eigen is aan het Evangelie. Ik herhaal, dat hier geen stilist aan het woord is of een extaticus, maar een theoloog, die een leer voordraagt. Alleen maar, het is een mysterieleer.
Verder geschiedt alles in de hoogste nuchterheid. Maar wijl de grondvorm van dit geloofsleven in het mysterie reeds gegeven is, moet deze theoloog, als hij van de omtrek, de incarnatie, tot het middelpunt, het kruis op Golgotha, doordringt, wel bij de spelende triniteit uitkomen. Maar dan komt ook, bij het horen van deze schrijnende dissonant, onze vraag naar voren: Heeft het Woord een wezen? Kan men met zulke fenomenologische categorieën het Evangelie benaderen? - Van der Leeuw voelt dat zelf en vraagt: Maar is er dan geen mislukking in het spel? Is er geen Golgotha? - Hij gaat echter toch door en schrijft verder: Ja, maar ook dat is spel. Kan iemand zeggen waarom Jezus leed? Nodig was het niet. Waarom leed Hij anders dan om alle gerechtigheid te vervullen, omdat het tot de spelregels behoorde en omdat Hij dit doen mocht, omdat het onder de wet van zijn Rijk viel?
Hier had Van der Leeuw zich moeten laten weerhouden door te gaan. Hier, indien ergens, had hij zich moeten afvragen of het Evangelie wel een wezen heeft, dat men met aandachtig fenomenologisch schouwen, geoefend door wat men elders vermocht, op het spoor zou kunnen komen. Hij had zichzelf er een gewetensvraag van moeten maken of de christelijke theologie wel bestaan kan in de vorm van een mysterieleer, als men daarbij tot uitkomst krijgt, dat Golgotha een spel is.
Als tweede voorbeeld noem ik de toepassing van de fenomenologie op het centrale punt uit Paulus' prediking, de rechtvaardiging door het geloof.176 Deze leer kan nooit scherper worden bepaald dan wanneer men zegt, dat de gelovige volgens het oordeel Gods een rechtvaardige én een zondaar is, tegelijk - Deze samenvatting van het Evangelie schijnt paradoxaal; zichzelve tegensprekend. Maar zij blijkt een stralende waarheid te zijn, als men haar aanneemt als een absolutie, een vrijspraak van een genadig God. Jezus vertolkt dat oordeel in de gelijkenis van de Farizeeër en de Tollenaar, als Hij verklaart, dat de laatste, die bidt: "Wees mij zondaar genadig", gerechtvaardigd naar huis gaat. Deze macht van het Woord Gods heeft Paulus als de eigenlijke vertolking van het Evangelie aan de gehele wereld verkondigd.
Daarom levert ook deze waarheid, die alleen als een goddelijk oordeel zin heeft, en die zeer bijzonder als Woord Gods tot ons komt, een goede en afdoende 'test' voor de waarde der fenomenologie ten opzichte van het Evangelie, het Woord. De proef geeft een merkwaardig resultaat. Van der Leeuw brengt het tegelijk rechtvaardige en tegelijk zondaar onder de fenomenologische categorie van de leugen, nader de sacramentele leugen. Hij wijst er op dat, met name bij primitieve volkeren, uit godsdienstige overwegingen, soms een ware toedracht verzwegen wordt, terwijl toch de wezenlijke toedracht wordt bevestigd. Jahwes naam wordt verzwegen; zijn Heer-zijn wordt genoemd. Onder deze categorie wordt nu de waarheid, die Paulus door de wereld draagt, gesubsumeerd. En dit wordt weer niet zo terloops gezegd, bij wijze van interessante, ietwat gekruide voordracht, maar het staat in een hoofdstuk over het sacrament van het Woord en dat hoofdstuk loopt uit op en culmineert in deze subsumering. - Dat is heel iets anders dan wanneer een prediker (bijv. Kohlbrugge)177 eens zal uitroepen, dat een mens is, wat hij niet is en heeft, wat hij niet heeft. Dan dient het om de waarheid en het Woord te duidelijker te doen uitkomen. Hier echter is het er om te doen om, met behulp van de fenomenologie, in het Evangelie een zekere geheimzinnigheid te scheppen, zodat de waarheden kunnen worden ingevoegd in een mysterieleer, waarin de dingen op hun wezen worden onderzocht, terwijl het woord dan moet dienen als vertolking van dat wezen. Zulk een wezen, waarvoor men dan eerst oog moet krijgen door de fenomenologie, wordt hier ook aan Gods rechterlijke uitspraak over de zondaar opgedrongen. Een uitspraak, die de westerse christenheid, en in het bijzonder de protestantse, steeds gaarne regelrecht uit Gods mond, door de prediking opving.
Onze 'test' heeft geen bevredigende uitslag opgeleverd. Zij heeft ons, eerlijk gezegd, min of meer geschokt. Wanneer dit gebruik van de fenomenologie geen toegeven aan een mode is; als het, ook met de hier gesignaleerde uitkomsten, een integrerend bestanddeel is van deze sacramentstheologie, deze mysterieleer, dan is de divergentie tussen deze laatste en de Westeuropese theologie wel zeer aanzienlijk.
Om op mijn laatste voorbeeld terug te komen: Van der Leeuw heeft in zijn boek zelf aangewezen, hoe de reformatorische opvatting van de paulinische prediking, die is gekristalliseerd in het rechtvaardige en zondaar tegelijk, een oplossing geeft van de moeilijkheden, waarmee de kerk door de eeuwen heen te worstelen had. Zij was, wat ik zou willen noemen, de limiet van het sacrament der boete. Aanvankelijk kon iemand, die afvallig werd, niet wederom vernieuwd worden (Hebr. 6: 6). "De christelijke oudheid" aldus Van der Leeuw - "kon de overgang van het oude in het nieuwe niet anders dan absoluut zien."178 Het sacrament van boete en biecht wilde de kerk uit deze impasse redden.
Maar dat sacrament had daarbij steeds te worstelen met de vraag naar het wezen van de gelovige. Het vroeg aldoor: Is hij nog een zondaar of reeds een rechtvaardige? In het begin was men radicaal. De afvallige hield men, zonder beding, voor een zondaar. In het sacrament van de boete echter schoof de grens tussen beide steeds naar boven. Tot een oplossing kwam het echter niet. Die kon pas komen, toen men zag, dat de overgang van het oude in het nieuwe alleen in Gods Woord, in zijn rechterlijk oordeel kon plaatshebben. In dat oordeel wordt de zondaar rechtvaardig gesproken.
Dat dit het geval is, ziet Van der Leeuw bij zijn beschouwing over de boete heel goed. Maar hij ziet niet, dat men dan bij zulke oordelen Gods, die in het Woord worden uitgedragen, niet naar een wezen moet vragen. Gods oordeel, waardoor Jezus aan het kruis voor ons tot zonde wordt gemaakt, en dat andere oordeel, waardoor Hij de zondaar tot een rechtvaardige verklaart, heeft geen wezen, dat de fenomenologie zou kunnen opdelven, door na te gaan, hoe zulke dingen elders in de godsdiensten zich toedragen. Dan krijgt men tot uitkomst: een spel, een leugen. Golgotha echter is ernst, tout court; en Paulus' evangelie is waarheid, tout court.