Het wezen
In het vorige hoofdstuk gaf ik enkele opmerkingen naar aanleiding van het historisch-exegetisch deel van Van der Leeuws werk. Hier moge dan verder iets gezegd zijn over hetfenomenologisch deel.168
De fenomenologie bedoelt een soort boedelbeschrijving te geven. En de boedel, waarover het daarbij gaat, heet wereld. De mens moet, om bij God te komen met zijn geloof, door de wereld heen. Anders - zo zegt de fenomenoloog - komt dat geloof, althans de theologie, in het ledige terecht.169 God moet, als ik het zo eens mag zeggen, eerst aangekleed worden, anders kan de theologie niet over Hem spreken. En die bekleding moet het geloof aan de wereld ontlenen. Wij moeten een aantal trekken kennen en beschrijven, die tot het wezen van een god behoren, voor wij over de enige, ware God kunnen handelen. Doen wij dat niet, dan zou kunnen gebeuren dat wij, menende het over God te hebben, over de duivel spraken, zonder dat wij 't zelf merkten.
De menselijke intentie - en daaraan ontkomt het geloof ook niet - moet bepaald zijn, wat haar richting betreft. Zij moet kunnen zeggen wat zij zoekt, anders kan zij niet vinden. Men kan niet in-'t-wilde-weg gaan zoeken.
Vandaar dan de noodzakelijkheid dezer voorlopige wezensbepalingen; deze voorafgaande peilingen op de idee of het beeld van God, zoals die idee of dat beeld zich in de wereld vertonen, verschijnen. Pas als zij daarmee klaar is, als zij een bepaalde graad van duidelijkheid en gezichtscherpte heeft gewonnen, kan de theologie zich dan richten op haar eigenlijke voorwerp, op de feitelijkheid van de éne, ware God, en aan de andere zijde op de feitelijkheid van het éne, ware geloof. Alles in de wereld moet meewerken om hier tot de grootst mogelijke helderheid te komen. Spreukmatig zou men het zo kunnen uitdrukken: het wezen der wereld moet ons het wezen van Gods Woord leren verstaan. - En wat hier in 't algemeen gezegd wordt, geldt dan van elk onderdeel der theologie; in dit geval van de sacraments-theologie.
Ik wil nu dadelijk de beslissende vraag stellen, die aldus moet luiden: Heeft het Woord Gods ook een wezen? Wat ik daarmee bedoel zal geleidelijk duidelijk moeten worden.
De fenomenologie als wetenschappelijke methode is nog niet zo heel oud. Als vak natuurlijk. Als beschrijving van wat in een bepaalde richting van de blik zich voor ons vertoont, is zij zo oud als de wereld. Het mooiste voorbeeld, dat ik er van ken, is de beroemde boedelbeschrijving van het geheugen, in Augustinus' Confessiones.170 Maar als methode van waarneming, ingezet op een bepaalde plaats in iedere, wetenschap, met het boven aangegeven doel, is zij nog jong. Zij heeft nog iets aan zich van een mode, en dat het haar niet vergaan zal als iedere mode, is zeer onzeker.
Een overweging daaromtrent kan profijt trekken uit de omstandigheid, dat de fenomenologie niet het enige vak is, dat zich tussen het geloof en haar voorwerp kan inschuiven. Van der Leeuw helpt ons daarbij zelf op weg, als hij zegt, - ik memoreerde dat reeds in het vorig hoofdstuk - dat het sacramenteel besef bij ons zo diep is weggezonken, dat de psychoanalyse er bij te pas moet komen om het weer boven de bewustzijnsdrempel te halen.171 Deze dingen liggen op een ander vlak dan die waarmee de fenomenologie zich bezighoudt. Het betreft hier ook een stuk van de wereld, maar een veel dieper gelegen deel. Tussen het Woord en het geloof ligt dit stuk wereld aan het benedeneind van de schaal.
Hoger ligt weer dat deel der wereld, waar de intentie reeds vastligt in taal of teken. Voor de theologie, en hier ook voor de sacramentstheologie, denk ik aan het vak, dat zich bezighoudt met de Grieks-sprekende wereld in de tijd van het ontstaan van het Nieuwe Testament. Ik denk aan Adolf Deissmann en aan zijn Licht vom Osten, een veertig jaar geleden.172 De verwachtingen omtrent dit nieuwe licht op het Nieuwe Testament waren hoog gespannen. Ik hoorde echter tien jaar later niemand minder dan de fijne geest Isaäc van Dijk te Groningen zeggen, dat er niets nieuws te voorschijn gekomen was en dat dit ook niet kon, omdat het hier gaat om dingen, die voor 't eerst en maar eenmaal gezegd waren.173 Het ging over kapitale zaken tussen God en mens, zoals rechtvaardiging, heiliging, geloof, hoop, liefde; woorden, die in het Nieuwe Testament een eigen betekenis hebben, die onvergelijkelijk en onafleidbaar is. - Dit oordeel was in zijn algemeenheid misschien of wel zeker niet geheel billijk, het sloeg niettemin de spijker, die ik hier wil indrijven, precies op de kop.
Maar ik loop op mijn conclusies vooruit. Voorlopig wilde ik hier alleen aantonen, dat er tussen God en het geloof, en tussen de sacramenten en het geloof meer stukken wereld liggen dan voor fenomenologische behandeling in aanmerking komen. Wij hebben er al twee genoemd. Ik denk nog aan een derde; de wereld, waarmee de vergelijkende godsdienstwetenschap zich bezighoudt. Die ligt weer hogerop dan die van de fenomenologie. Daar is het feitelijkheidsgehalte reeds veel hoger en de eis van gelding doet zich daar veel sterker gevoelen dan bij de fenomenologie. Van der Leeuw zegt zelf, dat deze laatste van onschuldige strekking is, omdat zij het christendom niet, zoals de eerste, uit andere godsdiensten probeert af te leiden, maar haar beoefenaren slechts opnieuw deed beleven, wat de christelijke vaderen hadden beleefd, de nauwe fenomenologische samenhang tussen christelijke en heidense riten.174
Door de opnoeming van deze drie andere stukken wereld, naast dat met hetwelk de fenomenologie zich bezighoudt, heb ik dit laatste betrekkelijk gemaakt. De vraag doet zich vanzelf op, waarom dan toch de kennis van die wereld van het wezen zo bij uitzondering noodzakelijk is. Waarom moet van al die tussen-instanties juist deze geïnventariseerd worden? Kunnen zij dan niet alle vier dienen en moet dat dan niet? Of is misschien de psychoanalyse te demonisch, het Licht vom Osten (met prof. 1. van Dijk) te onnut, de vergelijkende godsdienstwetenschap te vijandig en is de fenomenologie alleen godzalig, produktief en vreedzaam ten opzichte van het christelijk geloof'? Het lijkt mij, dat gelijke monniken ook hier gelijke kappen op moeten hebben.
Als wetenschappelijke methode kunnen alle vier - en men kan dit getal tot in het oneindige uitbreiden - een vreedzame allure aannemen.
Maar de stukken wereld zelf, waarover het hier gaat, doen dat niet. Zij staan op voet van oorlog met het Woord. Wat van onder de drempel van het bewustzijn in eenzaam avontuur opdoemt, strijdt tegen wat het oor van God hoort en het hart gelooft. - En wat in Jezus' en Paulus' dagen naast de taal van het Evangelie in hetzelfde idioom gesproken of geschreven werd, vertroebelde al spoedig de mening des Geestes en dreigde het christendom in het gnosticisme te doen ondergaan. En wat tenslotte het heidendom betreft, met zijn riten en symbolen, oud en nieuw, dat is thans gevaarlijker dan ooit.
Dit antagonisme is zo groot, dat ook de wetenschappelijke methoden, die in de theologie te sterke aandacht wijden aan deze stukken wereld, steeds schade doen aan onze kennis van God en zijn Woord en ons op de geloofsweg doen dwalen.
Maakt nu alleen de wereld van het wezen, die in de fenomenologie beschouwd wordt, daarop een uitzondering en is dit vak daarom een noodzakelijke hulpwetenschap, die altijd in de theologie moet worden ingeschakeld? Heeft het Woord een wezen, dat wij alleen met behulp van dit vak kunnen leren kennen? Dat is een centrale vraag, die de laatste tijd aan de orde is gekomen in de protestantse theologie en die door het boek van Van der Leeuw nog meer acuut geworden is.