O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Geen weg terugGestalte en GeestHet wezen →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel IV · Boek 2: Figuur en Woord – Kritiek op de sacramentstheologie van prof. dr. G. van der Leeuw · p. 452–455

Boek 2: Figuur en Woord – Kritiek op de sacramentstheologie van prof. dr. G. van der Leeuw

Het Woord

De Engelse bisschop Headlam zei eens in een discussie, dat sacramenten bestemd zijn om ze te gebruiken, maar niet om er over te discussiëren. Professor Van der Leeuw hoorde hem dit met instemming zeggen, maar heeft toch over dit onderwerp een boek van 348 bladzijden geschreven.152 Hij vindt, dat wij ons tegenover de gulden regel van Headlam in een uitzonderingspositie bevinden. Het sacramenteel besef, zo meent hij, is bij ons zo diep weggezonken, dat de psychoanalyse er, bij te pas moet komen om daarvan nog weer iets te voorschijn te halen.153 En in ons land vond hij slechts één á anderhalve theoloog, bij wie daarvan nog iets aanwezig was. Om daaraan tegemoet te komen schreef hij zijn Sacramentstheologie. Daarbij wil hij zich echter toch houden aan Headlams regel. Want hij wil niet, dat sacramentstheologie een redeneren over deze riten zal worden. Zij kan niet tot stand komen zonder betrekking tot het hart van de doopliturgie, de existentiële vereniging met Christus.154 Het moet zijn een eerbiedige en voorzichtige benadering van een mysterie en in dat mysterie moeten wij leren herkennen de zichtbare vorm der kerk. En daarin weer de schepping van een nieuw leven, dat met de opstanding begint en waaraan een nieuwe wet, een nieuwe orde immanent is. De schrijver ziet de Oosterse kerk als de trouwste hoedster van dit mysterie.155 Bij haar zijn sacramenteel besef en redenerende theologie omgekeerd evenredig. Hoe meer van dit besef, des te minder van deze theologie. - Daarbij bleef het sacrament één geheel, één handeling, die zich afspeelt tussen het teken en de zaak, de gelijkenis en het heilsfeit. Beide, de gelijkenis en het heilsfeit, staan met elkaar in verband, maar op een zekere afstand, zodat er ruimte overblijft voor een waarlijk sacramentele handeling. Men zou het best kunnen spreken van wat ik elders eens noemde: een corresponderende causaliteit, een sympathische werking. Van een spanning tussen teken en zaak, gelijkenis en heilsfeit, is hier geen sprake. Zij hebben deel aan elkaar. En dat geldt in elk opzicht. Ook tussen het geestelijke en het lichamelijke bestaat geen spanning, geen tegenspraak. - Een eigenlijke theologie is hier niet nodig, althans geen verklarende redenering. Men denkt geen theologie, maar men spreekt haar. Zij is een sproke, die gezegd wordt van de sacramentele handeling uit. De dogmatiek wordt geboren uit de eredienst, het credo uit de hymnus, de catechismus uit de liturgie, uit een concrete belijdenis.156

Een breuk in dit monisme ziet Van der Leeuw bij Augustinus ontstaan, die de vraag naar de verhouding van het woord en het element in het sacrament volgens hem op moderne wijze stelt. De gelijkenis zou daarbij haar magisch karakter verliezen.157 Het lijkt mij, dat deze opvatting van de augustiniaanse leer van woord en element nog een nadere toetsing nodig heeft. Maar daarbij wil ik thans niet stilstaan. Het is er mij om te doen te laten uitkomen, hoe de schrijver hier het vitium originis, de grondfout van de Westerse ontsporing in de sacramentstheologie vindt. Enerzijds - bij Rome - kwam de gelijkenis te dicht bij het heilsfeit, het teken te dicht bij de zaak.158 Voor de eigenlijke sacramentele handeling, waarin het offer wederzijds is, het offer Gods en het offer aan God,159 bleef op die wijze geen plaats meer over. Het sacrament werd tussen de gelijkenis en het heilsfeit doodgedrukt. Wat ik de corresponderende causaliteit noemde, werd tot een gewone, enkelvoudige oorzakelijkheid, in moderne zin.160 En zo kon de kerk zich van het sacrament meester maken, en het door haar hiërarchische doeleinden gebruiken. Het mysterie werd een ding, waarover men een kathedraal kon bouwen. En de tegenwoordigheid van Christus, naar het vrije believen des Heiligen Geestes, ontaardde in een evocatie van God, naar het welbehagen van een priester. Anderzijds, bij de Reformatie - en afgezien van Luther, bij wie de schrijver de voorwaarden voor een nieuw sacramentsbesef aanwezig acht - bij de Reformatie dan vindt Van der Leeuw een opvatting, die naar de andere zijde uit het lood slaat dan die van Rome.161 Want nu wordt de afstand tussen de gelijkenis en het heilsfeit te groot, zodat de correspondentie ophoudt. Het teken wordt te veel een gelijkenis in moderne zin. De magie gaat uit het teken. Het betekent alleen maar iets en is niets meer.162

Tot herstel nu van het rechte sacramentsbesef wil de schrijver bijdragen door de publikatie van zijn boek. Het is de rijpe vrucht van een langdurige liturgische bezinning. Deze bezinning wordt gesteund door een enorme eruditie. Zij gelooft bovendien aansluiting te kunnen vinden bij een zeer verbreid existentialisme van onze tijd, dat eveneens meer met beseffen dan met redeneringen werkt.163

Het boek is in vieren verdeeld. Het bevat een historisch-exegetisch, een fenomenologisch, een theologisch en een liturgisch deel. Ik wil beginnen met iets over het eerste op te merken.164 Wat ons sterk opvalt, als er sprake is van het bestand van deze dingen in de Schrift, waarop Van der Leeuw naast dat in de traditie vooral de nadruk wil leggen, is, dat onze kennis daarvan zo hypothetisch uitvalt. Er zijn verschillende theorieën, waarvan de voornaamste door de auteur worden weergegeven en waarnaast hij zijn eigen conclusies trekt. Ik kan ze hier niet weergeven, maar leg de nadruk op het feit, dat zij het resultaat zijn van een zeer sterk constructieve werkzaamheid. De verschillende opvattingen omtrent de instelling en de oorspronkelijke betekenis der sacramenten lopen zeer uiteen. Het is van betekenis daarop te wijzen, omdat daaruit blijkt, dat wij het niet in onze macht hebben om naar believen de theologie van redeneringen te ontlasten. Ook de sacramentele magie ontkomt daaraan niet. Zelfs een theorie der gelijktijdigheid en der deelname, zoals de mysterie-leer van Van der Leeuw die ontwikkelt, kan daarvan niet vrij worden.165 Alleen de aard van de redenering is een andere. Zij is een achterwaarts gerichte, met historische hypothesen beladen onderzoeking, die in sommige gevallen een antiquarisch karakter kan aannemen. En Newman heeft het al gezegd, dat wie er diep bij betrokken raakt, ophoudt een protestant te zijn.166 Newman is zelf deze weg gegaan, al gold zijn onderzoek niet zozeer de bijbel en niet zo exclusief de sacramenten.

Nu zal men misschien zeggen, dat ieder onderzoek van de Heilige Schrift een richting op het verleden meebrengt en dat de Reformatie ook uit exegese geboren is. Er zijn echter verschillende stoffen in de bijbel, die zich tegenover een historisch-exegetisch onderzoek ook niet op dezelfde wijze gedragen. Vergelijkenderwijze zou men kunnen zeggen, dat dit onderzoek tegenover sommige partijen een overwegend historisch karakter aanneemt, terwijl het bij andere vooral exegetisch wordt. De eerste zullen Newman en zijn volgelingen bijzonder interesseren, daar zij, volgens eigen getuigenis, diep in de historie moeten doordringen. De andere zijn die loci communes, die hoofdteksten, waarbij de Reformatie nauw betrokken is, zodat men met recht kan zeggen dat zij uit exegese geboren is. De laatst-bedoelde gedeelten van de Schrift, waarbij ik het allereerst denk aan de brieven van Paulus, maar ook aan Jezus' prediking van het Koninkrijk der hemelen in de evangeliën, dragen hun zin en betekenis scherp belijnd voor zich uit. Zij snijden naar alle kanten misverstanden af en kunnen in de meest eigenlijke zin verkondiging heten. Zij vertonen de aard van een boodschap en niet die van een mysterie. Zij trekken onze aandacht ook niet terug binnen een zekere gebondenheid aan een zaak,167 van waar uit wij dan zelf een zin of belijdenis zouden moeten uitdragen, maar zij komen recht naar voren met de scherpte van gerede oordelen, die door de Heilige Geest, die Gods diepten onderzoekt, reeds definitief onderscheiden zijn en ons worden opgelegd. De discussie van de Geest zelf is wel vrij en onafhankelijk - n'en déplaise Van der Leeuws sacramentstheologie - en laat zich niet binden of bannen binnen een mysterie. Zij is de meest vrije en soevereine, die er in de bijbel te vinden is. Zij is de meest openbare handeling, waarvan de kerk weet heeft en al wat zij daaraan nog te doen heeft bij haar bijbelonderzoek, is exegese en nog eens exegese. Zij moet zo scherp mogelijk de zin dezer klare oordelen des Geestes leren vatten en verstaan. En verder horen en altijd weer horen. Want deze dingen zijn voor het oor bedoeld en niet voor een ruggelings gaande investigatie. Men komt niet in verleiding voor een evocatie, een magisch wakker-roepen van een god, zolang men God de Heilige Geest zelf aan de weg, aan de zijde der poorten, aan de toegang der deuren overluid hoort roepen (Spr. 8 : 1 vv.). Dit is de volle betekenis van het Woord volgens de Heilige Schrift en geen enkele theologie, ook de sacramentstheologie niet, mag daar iets afdoen. Wanneer God zo klaar en scherp tot ons spreekt in onze eigen tijd, weigeren wij diep in de historie terug te gaan op zoek naar een verborgenheid en daarbij te verdwalen. Wanneer wij de mening des Geestes zo duidelijk kunnen beluisteren, is het niet geraden om deze lichte voorzijde van het Evangelie te verduisteren door de schaduwen van een mysterieleer.

Dit moge wat kort en scherp gezegd zijn, het moest voorop staan bij de bespreking van dit boek.

Eindnoten

  1. 152

    G. van der Leeuw, Sacramentstheologie, Nijkerk 1939. De opmerking van A. C. Headlam (1862-1947), hoog-kerkelijk anglicaans bisschop van Gloucester, aldaar p. 250 v.: "sacraments are lor use, not for discussion."↩

  2. 153

    Van der Leeuw, a. w., p. 134, 153. 219 v.↩

  3. 154

    A. w., p. 304 vv., vgl. p. 223 v.↩

  4. 155

    A.w., p. 75 v.↩

  5. 156

    A.w., p. 223, en passim p. 223-268.↩

  6. 157

    A.w., p. 69.↩

  7. 158

    A.w., p. 74.↩

  8. 159

    A. w., p. 63.↩

  9. 160

    A. w., p. 258.↩

  10. 161

    A. w., p. 77 vv.↩

  11. 162

    A.w., p. 74, en passim p. 76-84, vgl. p. 245 vv.↩

  12. 163

    A. w., p. 5 v.↩

  13. 164

    A.w., p. 13-130.↩

  14. 165

    A.w., p. 230 vv.↩

  15. 166

    Zie boven noot 79.↩

  16. 167

    Voor het begrip 'zaak', zie boven p. 357 vv.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Geen weg terugGestalte en GeestHet wezen →