Structuurverbanden in het Nieuwe Testament
Wij moeten nu iets zeggen over die 'sttuctuurverbanden in de nieuwtestamentische theologie', waarover we dr. Van der Linde hoorden spreken. Ik merkte aan het slot van mijn vorige hoofdstuk op, dat ik daarvoor was opgekomen tegen mijn vriend prof. Brouwer in. Wanneer de historische belangstelling de drempel van het Nieuwe Testament overschrijdt, dan wordt haar karakter gewijzigd. Kan men in de gewone kerkgeschiedenis nog onderscheiden tussen zuiver geschiedkundige en godsdienstige bemoeiingen daaromtrent, dan gaat dat bij het onderzoek van het Nieuwe Testament moeilijk meer. Daar schijnt alles door een religieus interesse gedreven te moeten worden. De reformatoren althans hebben dat verschil sterk laten gelden. Zij waren kritisch ten opzichte van de overlevering tot op de grens van de Schrift, maar niet verder. Zij meenden dat het bederf, althans wat de kerkorde betrof, heel vroeg was begonnen; eigenlijk bij het slot van Handelingen 28. Maar des te scherper letten zij op wat de bijbel hun leerde.
Wij moeten derhalve als hervormden wel goed luisteren, als er sprake is van 'herontdekte structuurverbanden in de nieuwtestamentische theologie'. Zij zouden gevolgen kunnen hebben voor theologie en kerkorde beide. En daarop werd dan ook door mannen als Van der Leeuw al sedert geruime tijd de nadruk gelegd. Zij bedoelden niet minder dan een kerkhervorming.
Nu was prof. Brouwer inzake kerkorde, ten opzichte van genoemde nieuwtestamentische verbanden, zeer indifferent. Hij noemde de afleiding van die orde indirect; religieus was hij daarbij niet geïnteresseerd. Die indirectheid ging zo ver, dat het een zuiver praktische aangelegenheid werd. Bisschop of presbyter, dat hing van de historie en de omstandigheden af. Ook ik was en ben van oordeel, dat de dogmatische gelding van het Nieuwe Testament een ander karakter draagt dan de bestuurlijke. Zelfs Rome maakt in dat opzicht verschil tussen dogmata en canones. Maar in de discussie van 1937 hield ik staande, dat ook de structuurverbanden in het Nieuwe Testament gelding behouden en dat die gelding, hoe indirect ook opgevat, nooit afdaalt tot de grens der blote zakelijkheid. De reformatoren hebben van die gelding - ook blijkens de formulieren tot bevestiging - nooit afstand gedaan. Instelling en aanstelling hebben zij voor de kerk nimmer geheel verworpen. Zij hebben die ook beleden voor hun ambten in verband met de waardigheid daarvan. "Er speelt" - zo schreef ik - "mystiek onder: de Una Sancta spreekt mee; het begin en het einde laten zich gelden; het oer-christendom en de kerk van 't einde, de hemelse kerk. Er is een structuur van het Lichaam van Christus (ik cursiveer nu), die in de Schrift mystisch gegeven is en die het laatste woord spreekt in het wereldhistorisch debat."119
Dr. Van der Linde schrijft nu ongeveer hetzelfde, als hij in zijn artikel van 20 september jl. opmerkt, dat er thans "een nieuwe Corpus Christi Mysticum-theologie naar voren" komt. En als hij daarop volgen laat: "De discussie over dit laatste begrip zal de sleutel voor het komende oecumenische kerkbegrip blijken te wezen",120 begrijp ik alleen maar niet, hoe hij mij nu vijftien jaar later kan bijvallen en wat er van dat 'ruimhartig eerherstel' van Brouwer terecht moet komen.
Of liever, ik begrijp er toch wel iets van, als ik mag aannemen, dat hem in de grond meer aan een bisschop dan aan die mystische structuur gelegen is. Want Brouwer gaf wat meer opening aan een bisschop, ofschoon hij die structuur niet liet gelden. Ik kwam op voor de presbyter en deed daarbij wel een beroep op de mystiek van het ambt. "Daarvoor" - zo schreef ik - "zijn we aangewezen op de bouw van de Una Sancta, de structuur van het lichaam van Christus. We mogen ons bij onze praktische kerkelijke politiek niet geheel daarvan losmaken."121 En verder: "Heel duidelijk komt dit uit bij de ouderling. Het ambt gaat bij hem niet restloos op in de dienst, die de Gereformeerde Kerk hem heeft toegedacht. Er blijven mystieke trekken over, die hun verklaring alleen vinden in de Schrift en in de geschiedenis der oude kerk. In 't algemeen in de structuur van de Una Sancta."122Er moest iets meer achter zitten - zo vermoedde ik - "toen Calvijn op het bord de pion van de ouderling trok, (en) hij daarmee de paus schaakmat (zette)."123 ⚑De mogelijkheid, die ik zopas memoreerde, dat dr. Van der Linde de bisschop liever had dan de nieuwtestamentische structuur, moet ik echter toch afwijzen, ook al zou zij veel verklaren. Het beeld dat daardoor opgeroepen wordt is te simpel en de fabel te humoristisch. Zij zouden doen denken aan een hervormde visser, die een bisschop aan zijn haak geslagen had en Van der Linde zou de karper zijn die toebeet en die enige ogenblikken later uit zijn katholieke vijver werd opgehaald. Neen, wanneer deze discussie iets zal uithalen, dan moet het er bij blijven, dat de nieuwtestamentische structuurverbanden hoofdzaak zijn; dat hervormd-katholieken en calvinistisch-hervormden van mijn type die allebei willen laten gelden en dat het type-Brouwer met zijn relativistische zakelijkheid van die beide opvattingen principieel verschilt. Dr. Van der Linde moet dan zelf maar weten, hoe hij van die hengel weer loskomt.
Nu kan men die verhoudingen of verbanden op twee manieren zien; in het platte vlak of met de derde dimensie erbij. In het eerste geval zal men een doorsnede maken van de nieuwtestamentische gemeente. Men zal zeggen: hier was toen een opziener, daar een presbyter enz. enz. En zulke gegevens zullen dan moeten dienen, zoals de zgn. loca probantia of bewijsplaatsen in de Schrift dat doen voor de geloofsleer. - Zoals nu echter die bewijsplaatsen voor de dogmatiek heden ten dage meestal niet meer toereikend worden geacht en zoals deze lokaal-methode dan als fundamentalisme wordt afgewezen, zo is dat nu in nog meerdere mate het geval met de leer der kerk. Dat meerdere bedoelen wij, als wij hier de bewijsvoering indirect noemen. Het komt er nu op aan, zich van de aard van het indirect-zijn rekenschap te geven. Ik heb er al iets van gezegd. Men zal de heilige kunst moeten verstaan, uit het platte vlak van letterlijk-historische uitlegging te komen. Daarbij zal moeten dienen wat ik in 1937 noemde "de structuur van het Lichaam van Christus, die in de Schrift mystisch gegeven is" en wat Van der Linde nu betitelt als "een nieuwe Corpus Christi Mysticum-theologie". Of ook wat ik toen de structuur van de Una Sancta noemde evenals Van der Linde thans. Daardoor komt dan een derde of nog hogere dimensie in het debat. En daarbij worden de dingen wereld-historisch op mystische wijze beslist.