O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Katholieke en hervormde gezindheidGestalte en GeestStructuurverbanden in het Nieuwe Testament →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel IV · Boek 1: Paulus komt en Petrus gaat – Hervormde overpeinzingen · p. 431–433

Literair-historische en wereldhistorische exegese

Wij hebben gezien, hoe de bisschoppelijke mentaliteit belangstelling in lijsten en overleveringen meebrengt. De bisschop verlangt een grond, waarop hij kan staan, en een goed, een schat, die hij moet hoeden. Daarvoor komt hij op en dat zijn de voorwaarden voor zijn ambtsbediening. En dat brengt mee een bijzondere belangstelling voor historisch onderzoek. Voor hem is het bestuderen van die lijsten een religieuze handeling. En zo ook met de overlevering, die in zekere zin voor hem de incorporatie is van de Heilige Geest, die in alle waarheid leidt. Hij tast die overlevering gaarne en met overgave af tot op de evangeliën, zoals hij de lijsten naspeurt tot op Jezus.

Een hervormde dominee staat daar anders tegenover en hij doet dat met een absolute noodwendigheid. Daarvoor kan ik mij alweer op Newman beroepen. In de loop der jaren heb ik uit den treure diens spreuk aangehaald, dat iemand ophoudt een protestant te zijn, als zijn belangstelling in kerkelijke historiën een bepaalde graad bereikt.112 Dat wil niet zeggen, dat men geen groot vakman zou kunnen zijn, zonder dat die fatale gevolgen zouden optreden. Men denke slechts aan Harnack. Neen, het houdt in, dat het religieus gehalte van die belangstelling geen te hoge graad kan bereiken, zonder dat er iets gebeurt. Newman is daar zelf het klassieke voorbeeld van. Door drie beroemde slagen uit de historische wolk is hij als Anglicaan geveld en ging hij over tot de katholieke kerk.

Hier moet ik nu even ingaan op wat dr. Van der Linde schreef naar aanleiding van de tussen Brouwer en mij in 1937 gevoerde discussie. Dit zijn echter geen 'overpeinzingen van een bramenzoeker' 113en evenmin van een ruziezoeker. Het gaat hier niet om een persoonlijk feit, maar om een kerkelijke aangelegenheid. De fout van dr. Van der Linde, toen hij het had over "een diskwalificatie van de betekenis van de herontdekte structuurverbanden in de nieuwtestamentische theologie", die ik bedreven zou hebben, was deze, dat hij daarbij geen onderscheid maakte tussen de bovenbedoelde beide soorten van belangstelling, de bloot wetenschappelijke en de religieuze. Hij meent, dat ik in 1937 de betekenis van de wetenschappelijke exegese op dit terrein onderschat zou hebben en dat deze onderschatting sedert door de wetenschap zo grondig is achterhaald, dat niemand thans meer naast mij zou willen staan. Althans ik kan mij niet voorstellen, dat mijn collega het andere zou bedoelen; nl. dat de religieuze belangstelling voor de interpretatie van het Nieuwe Testament in de richting van het episcopaat na 1937 in ons land reeds zo sterk zou zijn geworden, dat ik, gesteld dat ik nu nog een presbyteriale kerkorde zou durven verdedigen, zou merken geheel alleen te staan. Nu had ik in de bewuste artikelen de betekenis van het historisch onderzoek der H. Schrift ten opzichte van de kerkorde absoluut niet gediskwalificeerd. Integendeel: ik merkte op, dat de commentaren van Calvijn in dit opzicht tweeërlei betekenis hebben: een literair-historische en een wereld-historische. Wat de eerste betreft, kon hij misschien gemakkelijk achterhaald worden door vakmensen, wereldhistorisch echter was het een ander geval. Mijn bezwaar tegen het boekje van Brouwer was, dat het teveel bij de eerste bleef staan. Ik ben misschien oud genoeg om hier een klein stukje 'mémoires' te mogen invoegen. Ik had, toen ik tegenover Brouwer wees op Calvijns wereldhistorische exegese, dat citaat uit Newmans Prophetical Office of the Church willen invoegen, dat ik nu in mijn eerste hoofdstuk heb opgenomen. Het stond reeds in mijn kopie. Maar wijlen coll. Stevens, die toen zo'n beetje de rol van adjudant van prof. Brouwer in Kerkopbouw vervulde, ving de passage op en had bezwaar.114 De goede dr. Beerens, toen eindredacteur van het blad, nam dat bezwaar over.115 Brouwer zou zichzelf, zo meende hij, bedoeld kunnen achten met die tweede-rangs-mensen, die Newman daar plaatst tegenover de grote ontdekkers van beginselen. Meesmuilend heb ik de schitterende zinsneden laten vallen. Het verblijdt mij dat ik ze nu achteraf in deze artikelen heb kunnen opnemen. Zij mogen tevens dienen bij het 'ruimhartig eerherstel', voorzover ik veronderstel, dat niemand thans nog zo enghartig zal zijn ze voor een boutade aan te zien.

Dat ik in een literair-historisch vlak de studie van Brouwer voldoende waardeerde, blijkt wel uit de volgende woorden: "Op dat terrein zijn inderdaad mooie vondsten gedaan. En de wijze waarop de schrijver de lezer daarmee in kennis brengt in zo kort bestek, durf ik gerust meesterlijk te noemen."116

Trouwens, Harnack had ons meer dan een halve eeuw geleden al gezegd: "Wij gaan naar de traditie terug."117

En wanneer ik er een twintig jaar geleden met Van der Leeuw over sprak, dan gaven wij elkaar dat feit toe. "Wij zouden het ook niet meer zo gek vinden" - zo hoor ik Van der Leeuw nog zeggen - "als Jezus Petrus had aangesteld", een concessie, die nu minder boud klinkt dan toen.

Aan een diskwalificatie van de betekenis van dergelijke onderzoekingen heb ik mij dan ook, bij mijn weten, niet schuldig gemaakt. Van de resultaten daarvan, ook bij roomse schrijvers, heb ik integendeel steeds gaarne kennis genomen en zij hebben mij steeds sterk geboeid. - Wel heb ik zo nu en dan in geschrifte gewezen op het hypothetisch karakter daarvan. En ook merkte ik wel eens op, dat zij soms een zekere gelijkenis vertonen met opgravingen op heilige plaatsen. Ik meende dan dat het geloof toch geen antiquarische aangelegenheid is, ook niet op het stuk van de kerk.

Tegenover Brouwer behoefde ik zulke opmerkingen niet te maken. Hij bekeek deze dingen bijzonder nuchter. De kerkvorm was voor hem overwegend een praktische aangelegenheid. "Welke (kerkvorm) wij voor ons volk en voor onze tijd verkiezen, is een praktische, historisch te begronden vraag, maar kan niet regelrecht uit de bijbelse gegevens worden afgeleid", zo schreef hij in zijn De kerkorganisatie der eerste eeuw en wij. "118

Er kan dus geen sprake van zijn, dat hij van de herontdekte structuurverbanden in de nieuwtestamentische theologie een ijverig gebruik zou maken bij zijn kerkelijk denken en pogen. Eerder moet men zeggen, dat hij die, voor de praktijk, diskwalificeerde. Met een bisschop zou hij onze kerk waarlijk niet komen lastig vallen. Zijn belangstelling voor bedoelde onderzoekingen was academisch en niet religieus.

En nu komt het verrassende voor wie deze beide Overpeinzingen gevolgd heeft. In de discussie van 1937 was ik het die, tegen prof. Brouwer, opkwam voor de structuur-verbanden in het Nieuwe Testament en in de Una Sancta. Bij het toekomstig 'ruimhartig eerherstel' een beetje een lastig geval.

Eindnoten

  1. 112

    Zie boven noot 79.↩

  2. 113

    Zinspeling op het boekje van R. N. Roland Holst, Overpeinzingen van een bramenzoeker, Arnhem 1923, ini. A. van Schendel. Het boekje, dat een plaats verwierf in de Nederlandse literatuur, bevat een aantal - eerst verspreid uitgegeven - overwegingen, waarin de verbondenheid met de natuur en de meditatief-teruggetrokken toon opvallen,↩

  3. 114

    P. H. Th. Stevens (1908-1946), jurist (Indisch recht) en theoloog, in de hier bedoelde periode predikant te Ingen (Gld.) en tweede secretaris van 'Kerkopbouw'; ook was hij lid en medewerker in de liturgische kring rondom G. van der Leeuw (vgl. bijv. zijn artikel in de ENSIE: Protestantse Liturgiek).↩

  4. 115

    J.F. Beerens (1882-1949), lange jaren (sinds 1915) predikant te Utrecht, werkzaam op velerlei maatschappelijk terrein, naast publicistische werkzaamheid (o.a. over Pascal).↩

  5. 116

    O. Noordmans, Kerkorde en beroep op de Schrift, in KO. 6, 2 (juni 1937), p. 10, k. 2.↩

  6. 117

    A. Harnack, Geschichte der altchristlichen Literatur, Leipzig 19582 (1897 1), p. X.↩

  7. 118

    A. M. Brouwer, De kerkorganisatie der eerste eeuw en wij, Baarn zj. (Libellen-serie 199-20 1), p. 131.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Katholieke en hervormde gezindheidGestalte en GeestStructuurverbanden in het Nieuwe Testament →