Boek 1: Paulus komt en Petrus gaat104 – Hervormde overpeinzingen
Katholieke en hervormde gezindheid
Dr. H. van der Linde heeft in Woord en Dienst van 20 september 1952 een artikel bijgedragen over de hervormd-katholieke mortaliteit.105 Hij vermeldt daarin, dat wijlen dr. A. M. Brouwer vroeger ten onzent op de exegetische waarschijnlijkheid en mogelijkheid van een episcopale kerkorde gewezen heeft. Door mij zou dat dan beantwoord zijn "onder meer met een diskwalificatie van de betekenis van de herontdekte structuurverbanden in de nieuwtestamentische theologie, die geen reformatorisch theoloog meer voor zijn rekening zal durven nemen." Eerherstel van prof. Brouwer zou daarom nodig zijn.
Nu gun ik mijn overleden academievriend gaarne alle eer die hem toekomt. Hij was een bekwaam exegeet en een naarstig werker. Maar tegen de wijze, waarop dr. Van der Linde mij in deze affaire betrekt, moet ik toch wel opkomen. De vragen, waarover toen de discussie liep, worden hier niet juist gesteld. Nu geldt het een debat van reeds enkele jaren geleden en daarom zou ik het er gevoeglijk bij kunnen laten. Vooral ook omdat in de dissertaties van dr. H. Bartels en dr. A. J. Bronkhorst daarvan uitvoerige verslagen te vinden zijn.106 Maar deze dingen zijn sedert nog zoveel meer actueel geworden, dat een toelichting van het toen geschrevene thans de gelegenheid biedt enkele punten opnieuw ter sprake te brengen. Daartoe wil ik dan hier een poging doen.
Wie een artikel als dat van Van der Linde leest, wordt getroffen door, wat ik zou willen noemen, een zekere gestrengheid in de toon. Dat is nog iets anders dan een profetisch geluid. Niet namens God, maar namens de kerk, de Catholica, worden de hervormde christenen hier toegesproken. Laat ik duidelijk mogen zijn: die toon is reeds min of meer bisschoppelijk. Er wordt betoogd van een episcopale orde uit. Verzet daartegen, bijv. met de ban, zou bewijzen dat men niet weet wat men doet. - De schrijver zegt, dat hij zich daarmee nog voorzichtig en gematigd uitdrukt. Hij kon ook anders; beslister en nadrukkelijker. Maar voorlopig was het zo genoeg. Wanneer ik mij dan afvraag wat er zou komen, als de tijd van de nadrukkelijkheid geacht mocht worden te zijn aangebroken, dan ben ik niet helemaal gerust omtrent de mentaliteit van deze groep. Niet wat de bewuste, maar wat de onderbewuste lagen daarin betreft. Tekenen daarvan vind ik ook in dit artikel, bijv.: wanneer verklaard wordt, dat deze beweging haar taak zal volvoeren "door goed en kwaad gerucht heen" en dat men nog genoeg van haar werkzaamheden zal merken.107 Vooral omdat dit gezegd wordt na de vermelding van de verontrusting, die door de affaire-Loos in de kerk is gewekt en van de mogelijkheid ener veroordeling.108
Mijn ongerustheid betreft dus minder de personen dan wel de mortaliteit, als ik dit akelige woord ook eens gebruiken mag. De groep-als-zodanig voelt komende dingen achter zich, waartegen een verzet geen betere naam dan die van onkunde verdient. De onverzettelijkheid en de stoerheid, die daardoor worden gekweekt, dragen een ander karakter dan die, waardoor in vroeger eeuw de calvinistische of hervormde gezindheid werden gestuwd. Een stoere calvinist van toen was heel anders gedisponeerd dan een stoere katholiek van thans. In 1551, toen onze liturgie en discipline zich te Londen begonnen te ontwikkelen, hing hier en daar een theocratie als 't ware in de lucht, als een stad op een berg: Straatsburg, Genève, Londen; later Embden, Frankfort. Deze mensen hadden, om zo te zeggen, niets onder zich. Alleen een kerkelijk vacuum, waarin zij verbijsterd neerkeken, tot zij de luttele aanwijzingen van de H. Schrift voor hun kerkelijk samenleven leerden spellen. Zij deden dit, wat liturgie en kerkorde betreft, zo sober mogelijk. "Ze maken de indruk alsof ze een aantal bijbelse axioma's opschrijven", zo merkte ik op in een van mijn Kerkopbouw-artikelen.109 Hun kerkorden hebben bijna geen volumen. Neem de Liturgia Sacra van Valerandus Pollanus, van 1551 te Londen.110 Gij steekt het boekje zo in uw vestzak.
Hoe komen zij nu, zonder successie en zonder traditie, aan zulk een onverzettelijkheid en zekerheid? Zonder verbindingslijn voor hun positie en zonder tastbare gronden? - Laat mij er een onverdachte getuige mogen bijroepen en een iets langer citaat mogen geven uit Newmans Grammar of Assent: "Het doet er niet toe of zij (de protestanten) al of niet slechts op grond van wat, uit een logisch oogpunt, valse premissen moeten heten tot hun inzichten kwamen. Zij hadden geen tijd voor theorieën, welke dan ook; en om die dan toch van hen te eisen, getuigt van een onkunde (hoor!) omtrent de menselijke natuur en van de wijzen, waarop waarheid in de loop des levens zich laat ontdekken. Gezond verstand, toeval, morele waarneming, genie, maar geen redeneringen worden door de grote ontdekkers van beginselen gebruikt. Zij houden niet van argumenten, van gronden; zij zien de waarheid, maar zij weten niet hoe. Het zijn de tweederangs-mensen, die, hoewel heel nuttig op hun plaats, zich bezighouden met bewijzen en dergelijke."111 Newman ontleende dit citaat zelf uit een ander van zijn geschriften, getiteld: Het profetisch ambt van de kerk. - De bisschoppelijke mentaliteit is een andere. Deze is gesteld op het aanleggen van lijsten en van 'depots' van waarheden, die men aan een opvolger kan overleveren. Dat geeft een heel andere kerk, een andere zekerheid, een andere stoerheid. Men heeft wat onder zich; men heeft wat achter zich. De kerk is dan als een hereboerderij, die van vader op zoon overgaat en waar de schuren altijd vol zijn. Vergeleken met het profetisch karakter van het gereformeerde leven, waarin alles geestelijk en eschatologisch is afgestemd, moet men hier onwillekeurig denken aan bloed en bodem. De successie doet de kerk steunen op de rots Petrus en de traditie stuwt de waarheid tot op de dag van heden.