O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Het meetsnoerGestalte en GeestHet geestelijk evangelie →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel III · Boek 2: De apostel des Geestes · p. 403–405

Petrus en Paulus

Maar toen Céfas te Antiochië gekomen was, heb ik mij openlijk tegen hem verzet.

Galaten 2: 11 (Vert. NBG.)

Het verbaast mij dat gij u ... laat afbrengen tot een ander evangelie, wat geen evangelie is.

Galaten 1 :6 (Vert. NBG.)

Petrus is een centrale figuur in de evangeliën. Men kan zich die zonder hem niet denken. Drie jaar lang heeft hij behoord tot de vertrouwde kring van Jezus' discipelen. De hoogten en de diepten van het Evangelie heeft hij meegemaakt. Hij heeft met Jezus op de berg der verheerlijking gestaan (Matth. 17), maar was ook met Hem in Gethsemané (Matth. 26). Hij was de eerste geweest, die de goede belijdenis, dat Jezus de Christus was, had afgelegd (Matth. 16). Maar hij was het ook, die de ergernis, welke aan die belijdenis verbonden is, het sterkst had uitgesproken en door zijn verloochening had bewezen (Matth. 26). Met Johannes, Jezus' boezemvriend, had hij bij het graf van de Heer gestaan en met hem had hij Jezus aan de zee van Tiberias ontmoet. Boven de evangeliën van Mattheüs, Markus en Lukas zou men bijna kunnen schrijven: Jezus en Petrus.

Deze Petrus vinden wij nu in de Handelingen der Apostelen terug. Hij heeft, als ik het eens zo noemen mag, het Evangelie meegenomen. Johannes is weer zijn metgezel. Met deze gaat hij op naar de tempel (Hand. 3); met hem komt hij voor de Hoge Raad (Hand. 4); en met hem ook reist hij naar Samaria (Hand. 8). Zo waren zij het ook bij Jezus gewend geweest. - Er is echter veel meer dat gelijk gebleven is. De apostelen zijn nog met z'n twaalven. Daar heeft Petrus voor gezorgd (Hand. 1 : 15 vv.). Ook de Farizeeën zijn er nog en de Sadduceeën, de overpriesters en de schriftgeleerden en Annas en Kajafas. En de tempel en de wet en de Joden. Jezus is er weliswaar niet meer, maar daar is Jakobus, de broeder van Jezus, die als een wachter over de evangelische overlevering midden in de gemeente staat. Half ondanks zichzelf, zet Petrus zo het Evangelie op dezelfde voet voort. Zo wordt hij min of meer de plaatsbekleder van Jezus.

Hoe geheel anders Paulus! In de evangeliën komt hij niet voor. Met Jezus heeft hij geen omgang gehad. Tot de Twaalve behoorde hij niet. Hij was niet onder die getuigen van de opstanding van Jezus (Hand. 1 : 22). In de evangelische overlevering was hij derhalve een leek (2 Kor. 11 : 6). Zijn apostolaat kon geen voortzetting zijn van het Evangelie. Andersom; hij had de gemeente Gods vervolgd (1 Kor. 15 : 9). Hij was tegen Jezus ingegaan met dreiging en moord.

Paulus had echter, ofschoon hij niet zoveel kon verhalen als Petrus, toch wel kennis aan de Heer (2 Kor. 11 : 6). Maar die kennismaking was geweest als in een punt des tijds, in een ogenblik (1 Kor. 15 : 52). Die omgang van Paulus met Jezus, de kennis die hij aan de Heer had, liet zich ook niet voortzetten. Zij was als een bliksem, een wind, een geest. Ge weet niet, vanwaar hij komt en waar hij henengaat. Zo was de apostel Paulus uit de Geest Gods geboren (Joh. 3 : 8). Daarom vertelt deze apostel dan ook niet vele geschiedenissen over Jezus, zoals Petrus dat kon doen; hij heeft maar dat éne verhaal, dat telkens terugkeert in de Handelingen en in de Brieven, nl. dat van zijn ontmoeting met Jezus op de weg naar Damascus. Het evangelie van Paulus was als een flits, een licht, een vuur; het bestond niet in vele woorden, maar in betoon van geest en kracht (1 Kor. 2 : 4). Was het evangelie van Petrus nu een ander evangelie dan dat van Paulus (Gal. 16; 2 Kor. 11 : 4)?

Dat is een lastige vraag. Lees maar de Nieuwe Vertaling van Galaten 1 : 6 en 7. Die zegt er van: 'wat geen evangelie is.' En vergelijk daarmee de Canisius-vertaling, die heeft: 'eigenlijk is het geen ander.' Dezelfde moeilijkheid, die uit de vertalingen blijkt, bestaat echter ook in de werkelijkheid achter de tekst. Zij bestond ook voor Petrus en Paulus. Want men kan wel zeggen dat Paulus deze uitdrukking een ander evangelie alleen gebruikt tegenover de zgn. valse apostelen, maar bij Galaten 2 : 11-14 wordt het nog duidelijker dan het in de beide vorige meditaties kon worden, dat de moeilijkheden eigenlijk uit Jeruzalem kwamen. Jakobus achter Petrus en Petrus weer achter Barnabas en zo werden er aan de lopende band van Jeruzalem uit ergernissen verwekt tegen het evangelie van Paulus. Wij zien dan ook hoe Paulus hier tegenover Petrus zelf komt te staan. Waarschijnlijk heeft deze ontmoeting plaatsgehad in een vroeger stadium van Paulus' werkzaamheid. Er zijn regelingen getroffen tussen Paulus en Petrus, tussen het ene en het andere evangelie. Daarbij had Jakobus, de broeder des Heren, de leiding. Merkwaardig! Paulus, die Jezus niet meer naar het vlees wil kennen, moet zo nu en dan onderhandelen met een broer van Jezus.

Natuurlijk moest er spanning zijn en zij bestaat nog heden ten dage. De kerk heeft moeite gehad, zich dit te realiseren. Dat Paulus Petrus bestraft zou hebben, bracht vele kerkvaders in verlegenheid. Te Jeruzalem kon men het moeilijk vergeten. Tweehonderd jaar later werd het daar nog tegen hem ingebracht. Hij had zich aan God vergrepen, zo schreef men. Augustinus en Hiëronymus hebben er een interessante correspondentie over gevoerd.93 De laatste had het gevoelen van vele Griekse kerkvaders overgenomen, dat Paulus en Petrus samen een komediestukje hadden opgevoerd met een strekking ten gunste van Paulus. Augustinus verzette zich daartegen zeer ernstig. In 't Westen kon men een terechtwijzing tegenover een apostel wel plaatsen. Men vond dat Petrus een voorbeeld van nederigheid had gegeven door in Paulus' bestraffing te berusten. Maar aan de hoofdvraag is men ook in de Latijnse kerk niet toegekomen. Wel incasseert men de afstraffing voor Petrus, maar deze wordt gematigd door de opmerking, dat zij het interkerkelijk verkeer betrof en niet de prediking. Geen wonder, waar men Jezus in Petrus een opvolger had gegeven en datzelfde had gedaan met het Evangelie en de kerk.

Maar Pinksteren dan en Paulus?

Eindnoten

  1. 93

    De betreffende correspondentie in de brieven nr. 28 en 82 van Augustinus (MPL. 33 II, 111 vv.; 275 vv.), voor de brieven van Hieronymus, die kort en algemeen zijn: 237 v. en 275 (vertaling in Bibl. der Kirchenväter. dl. 29, p. 69 vv., 289 vv.). Enige karakteristieke plaatsen: "Locus ille, quo apostolus Petrus a perniciosa simulatione (verderop 'officiosum mendacium' genoemd) revocatur" (brief 28 : 3, 3); "Si autem verum scripsit Paulus, verum est quod Petrus non recte tunc ingrediebatur ad veritatem Evangelii. Id ergo faciebat quod facere non debebat; et si tale aliquid Paulus ipse iam fecerat, correctum potius etiam ipsum eredam coapostoli sui correctionem non potuisse negligere, quam mendaciter aliquid in sua Epistola posuisse" (brief 82 : 2,7); "Ego quidem illud Petrus sic egisse credo, ut Gentes cogeret iudaizare" (2, 8); "Fidelis igitur dispensator apostolus Paulus procul dubio nobis exbibit in scribendo fidem; quia veritatis dispensator erat non falsitatis. Ac per hoe verum scripsit, vidisse se Petrum non recte ingredientem ad veritatem Evangelii ... que in faciem restitisse, quod Gentes cogeret iudaizare. Ipse vero Petrus, quod a Paulo fiebat utiliter libertate charitatis, sanctac ac benignae pietate humilitatis accepit: atque ita rarius et sanctius exemplum posteris praebuit, quo non dedignarentur, sicubi forte recti tramitem (pad) reliquissent, etiam a posterioribus corrigi; quam Paulus, quo confidentur auderent etiam minores maioribus pro defendenda evangelica veritate, salva fratema charitate resistere" (2, 22).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Het meetsnoerGestalte en GeestHet geestelijk evangelie →