Het geestelijk evangelie
Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en dien gekruisigd.
1 Korinthiërs 2 : 2 (Vert. NBG.)
Wij kunnen de tekst wat duidelijker maken, als wij lezen: Ik kon er niet toe komen enz. Want dat is de zin van Paulus' woorden. Er waren er in de gemeente, die het Evangelie wat mooier trachtten te maken dan Paulus het had voorgesteld. Met hen wil Paulus niet concurreren. Hij wil het naakte kruis brengen. Hij wil het niet versieren met menselijke toevoegselen, hetzij in woorden of in gedachten. Het moet reine dwaasheid Gods blijven, dat Hij de Koning der wereld, zijn Zoon, aan het kruis heeft laten nagelen en dat wij daardoor zalig moeten worden. Dat kan men toch niet aannemelijk maken. Voor het aannemen van die dwaasheid Gods bestaat maar één naam: geloof. Dat is een onvoorwaardelijke overgave. Een overgave, zo volledig, dat wij zelf dwaas beginnen te worden.
Wat dat allemaal is, wat Paulus in die eerste hoofdstukken van de eerste brief aan de Korinthiërs afwijst en waar hij niet toe kan komen om mee te wedijveren, dat is niet zo gemakkelijk uit de brief op te maken. De exegese is misschien nergens zo ijverig geweest als ten opzichte van dit epistel. Hypothesen heeft men op hypothesen gestapeld. Zonder echter de zaak waarlijk op te helderen. Het best zullen die uitleggers wel gedaan hebben die, met een paar Kleinaziatische kerkvaders, Paulus' relaas over de partijschappen in de gemeente niet te tragisch hebben opgevat. Paulus geeft dat zelf aan, als hij schrijft, dat hij van zijn eigen en van Apollos' naam gebruik gemaakt heeft om een vorm te geven aan zijn vermaning tot nederigheid (1 Kor. 4: 6). In die richting wijst ook het feit, dat hij daarbij niet meer aan Petrus denkt, die hij toch ook als partijhoofd genoemd had (1 : 12).94
In verband daarmede moeten wij de dingen, waartoe Paulus niet komen kon, ook niet te scherp bepalen. Wanneer Apollos hier half als rede-figuur gebruikt wordt, dan zal dat ook wel enigszins het geval zijn met de wijsheid, die door de apostel tegenover de dwaasheid des kruises geplaatst wordt. Men behoeft daarbij dan niet bepaald te denken aan hogere bespiegelingen in de verkondiging of aan retoriek in de preek. Die wijsheid behoeft ook niet zo specifiek Korinthisch of Grieks te zijn. Zij kan de aanduiding zijn van al die uitvluchten, waarmee de ongeestelijke mens aan de ergernissen des kruises zoekt te ontkomen. Als de Joden tekenen zoeken, dan valt dat er evengoed onder als wanneer de Grieken wijsheid zoeken (1 : 22).
Maar in die richting moeten wij nog veel verder gaan. Paulus schrijft hier aan een christelijke gemeente en zo moet ook bij de tegenstelling van menselijke wijsheid en goddelijke dwaasheid aan het gemeentelijk leven worden gedacht. Die tegenstelling moet daarop worden toegepast. En dat zien wij dan ook door geheel deze brief heen gebeuren. Paulus begint met te danken voor dat gemeenteleven te Korinthe; dat zijn de genadegaven, de charismata, waarin de Korinthiërs rijk zijn (1 : 7). Zij worden saamgevat onder twee hoofden: woord en kennis (1 : 5). Men vindt ze terug in hoofdstuk 14 als tongen en profetieën. Dan volgt een half-allegorische preek over wijsheid en dwaasheid, waarbij Paulus en Apollos als figuren dienen. En dan komen van hoofdstuk 5 af de toepassingen.
Overal stelt Paulus daarbij het kruis in het middelpunt. Het meest treffende voorbeeld is wel de manier, waarop hij de geestelijke gaven bespreekt. Dat gebeurt in de hoofdstukken 12 en 14. Daar gaat het over al die openbaringen des Geestes, die in de gemeente voorkwamen. Ook hierop echter past Paulus zijn evangelie toe. Hij zet de goddelijke dwaasheid, het kruis, in het midden. Ieder kent het Hooglied der liefde in 1 Korinthe 13. En dan snijdt de apostel daaromheen ook in de gemeente alles weg, wat daartegenover niet bestaan kan. Hij kan er niet toe komen iets anders te weten. En ook niet om iets anders te doen. Paulus bezit de gave van het spreken met tongen in meerdere mate dan alle broeders. Maar hij kan er niet toe komen haar uit te oefenen (14 : 18 v.). - Hij zou als apostel best een bezoldiging van de gemeente kunnen aannemen. Want Mozes schreef al: "Gij zult een dorsende os niet muilbanden" (9 : 7 vv.). Maar hij kan er niet toe komen. Zijn loon is, dat hij het Evangelie kosteloos stelt. - Hij zou ook wel, zoals de andere apostelen, mogen trouwen, maar hij kan er niet toe komen. Waarom dat alles?
Laat Paulus het zelf zeggen, als hij er de gemeente te Korinthe rekenschap van geeft. "Wij zijn dwaas om Christus' wil, maar gij zijt verstandig in Christus; wij zijn zwak, maar gij zijt sterk; gij zijt in aanzien, maar wij zijn niet in ere. Tot op dit ogenblik verduren wij honger, dorst, naaktheid, vuistslagen en een zwervend leven; wij verrichten zware handarbeid; worden wij gescholden, wij zegenen; worden wij vervolgd, wij verdragen; worden wij gelastend, wij blijven vriendelijk; wij zijn als het uitvaagsel der wereld geworden, als aller voetveeg, tot op dit ogenblik toe" (4 : 10 vv.).
Wij zijn dwaas om Christus' wil, maar gij zijt verstandig in Christus. Hoe diep snijdt deze tegenstelling in het gemeenteleven in, toen en nu. De hele bestaansvorm van de eerste christelijke gemeenten wordt er door geraakt als door een bliksem. Die kringen, rijk "in alle woord en alle kennis" (1 : 5), in tongen en profetieën (hfdst. 14). En hoe moet het de gemeente van heden dan vergaan?
Dit is het Evangelie, zoals het in de vertolking des Heiligen Geestes door Paulus het eerst gepredikt werd. Recht van boven naar beneden sloeg het in; van Jezus op Paulus op de weg naar Damascus en van Paulus weer op de gemeenten. - Dit was het Evangelie in den beginne, nog voordat de evangeliën geboren waren, die het in beelden aan het oog der gemeenten deden voorbijtrekken. Het geestelijk evangelie vóór de historische evangeliën.