Jaël
Richteren 5 : 24-31
Heel vroeg in de geschiedenis van Gods openbaring aan Israël komt, tegen een donkere achtergrond, een vrouw heel scherp en helder uit in een rembrandtiek licht. De afstand van meer dan dertig eeuwen vormt geen beletsel om haar daar te zien staan op de top van het Lied van Debora, dat ons in Richteren 5 is bewaard gebleven. De profetes Debora heeft haar daarin de ereplaats gegeven in het grote gebeuren van Israëls verlossing uit de hand van zijn vijanden.
Men mag met bijbelse vrouwen niet doen, zoals bijv. met vrouwen bij Shakespeare. Zij staan niet in de bijbel voor psychologische studie, maar voor de prediking. Toch mag hier wel een opmerking staan, die ons kan dienen om de omtrekken van een bijbelse figuur te belichten. ⚑De vrouw is in de geschiedenis van ons geslacht het positieve element. Daaromheen is de man negatief, dialectisch. In verband daarmee is de vrouw sedatief, rustbrengend, de omgeving bedarend. De man daartegenover eruptief, plotselinge conflicten scheppend om zich heen. Maar met deze Hegeliaanse metafysica is het laatste woord omtrent de vrouw niet gezegd: Jaël in de bijbelse en Charlotte Corday in de geschiedenis van de Franse revolutie zijn daar, om dit te illustreren.9⌫ De positiviteit der vrouw is heimelijk in beweging naar het absolute. Naar datgene, wat geen vrouw en geen man meer is. Deze levensrichting is bij haar sterker dan bij de man. Deze verbruikt meer energie in zijn negativiteit, zijn dialectische omwegen.
Men ziet dat reeds duidelijk bij Debora. Zij was inderdaad sedatief. "Zij richtte te dier tijd Israël en zij woonde onder de palmboom van Debora" (Richt. 4 : 4 v.). Maar slechts zolang "totdat ik, Debora, opstond, dat ik opstond, een moeder in Israël" (5 : 7). Zij heeft de roep van het absolute gehoord: "Waak op, waak op, Debora, waak op, waak op, spreek een lied" (5 : 12). Dan wordt de sedatieve richteres uit Richteren 4 tot de profetes uit Richteren 5. Zij springt in, in de rei, op de maat van de mars, waarmede de Here van Seïr komt (5 : 4). - Vergeleken met haar extase schijnt ons dan de bereidheid van Barak eerder sedatief te zijn. Hij wil slechts optrekken, als zij meegaat (4 : 8). - Debora zegt dan ook tot hem, dat een vrouw de ere zal hebben. Deze vrouw zal niet Debora zelve zijn. Het is Jaël. Op haar past de betiteling, die Carlyle van Charlotte Corday geeft: half-engel, half-demon.10⌫ Haar man was een Keniet, die van zijn stamgenoten bij de Dode Zee naar het gebergte van Ephraïm was afgedwaald (4 : 11). Heber, de Keniet, was een neutrale (4 :17). Hoe komt zijn vrouw er dan toe om op beslissende wijze in de strijd tussen Israël en Jabin in te grijpen? Dat wonder wordt nu in het Lied van Debora bezongen.
"Van de hemel kampten de starren, ⚑uit hare banen getreden, bekampten zij Sisera."
Richt. 5 : 20 (Le.V.)
Jaël is zulk een ster. Zij treedt ook uit haar baan. Debora zelve verhoogt slechts de baan (Jes. 57 : 14), als de Here komt van Seïr. Jaël echter is van de orde van zon en maan, die met Jozua streden tegen de Amorieten (Joz. 10 : 12 v.). Zij hoort bij de sterren, die van boven induiken in het gebeuren, als een engel, als een demon. Zij komt plotseling ter deure uit, als Sisera, de krijgsoverste, "op zijn voeten" naar de tent van Jaël, de huisvrouw van de neutrale, vluchtte. "Wijk in, wijk in, mijnheer, wijk in tot mij, vrees niet", zo spreekt zij (4 : 18). Dit zouden wij hebben verwacht. Dit is haar baan. En hij wijkt in haar tent; zij dekt hem toe met een deken en als hij om water vraagt, geeft zij hem melk te drinken. Dan slaapt hij.
Dit alles verhaalt ons Richteren 4.
Maar kijk, wat doet Jaël nu? In haar hand is een tentnagel en een hamer! Zie hoe zij Israëls vijand, Gods vijand, zachtkens nadert. Daar plant zij hem de nagel op de slaap en drijft die met de hamer voort, tot Sisera aan de aarde is vastgeklonken. O, Jaël!
Dit moment is het, dat in het Lied van Debora bezongen wordt (5 : 24-31). Hier is de ster uit haar baan getreden. Hier duikt zij beslissend in Israëls geschiedenis in. In het Lied valt een sterke climax op te merken. Het culmineert in de daad van Jaël. Debora zingt daarin eigenlijk van Jaël. Hier is de vrouw, die de ere zou hebben. - Wanneer Debora daaraan toe komt, wordt de toon wonderlijk verhoogd. Jaël wordt gezet "boven de vrouwen in de tent" (5 : 24). Zij is niet meer een sedatieve, maar een explosieve. Wat is daarbij vergeleken ook de eruptiviteit des mans? Zij wordt uitgeheven boven de tegenstelling van man en vrouw. Zij behoort thuis in een andere orde.
Zo wordt in het Lied van Debora de daad van Jaël tot een inzet in de historie. Daar kan men zien, hoe de overwinning werd verkregen. Daar viel de beslissing. Barak behoeft er slechts bij geroepen te worden (4 : 22). Het is een stukje evangelie. Door dit uitgeheven-zijn uit alle verband, door dit inzet-karakter krijgt de zang in Richteren 5 een bijzondere aard. De handelingen van Jaël schijnen gedreven te worden door een hogere noodwendigheid, - het maakt bijna de indruk van een mechaniek. Zij moeten gelukken. De greep van de nagel, de klop van de hamer, het lijkt alles preëxistentie te bezitten. Het is er nu, omdat het er was. Het dook nu pas in Israëls geschiedenis, met een plotselinge beslistheid.
Het verband van deze inzet kan alleen gevonden worden, als men het zoekt bij andere van die aard. Zo pas viel reeds het woord evangelie. Is niet het Evangelie ook een 'inzet' in de historie? Is Jezus niet ook een ster uit Jakob, die eigen baan verlaat? Kan alles niet ook daar slechts éénmaal plaats hebben? Is men ook daar niet boven man en vrouw uit? En is ook het Evangelie niet een explosie?
Maar durven wij Jaël naast Jezus te noemen? De vrouw, die de nagel dreef, naast de man, die met nagels doorboord werd? - Wij durven het niet, maar de bijbel waagt het. Figuren als Jaël komen in dat boek voor in de reeks dergenen, die Israël verlosten en die daardoor kwamen te staan in het verband van het gebeuren "boven de vrouwen in de tent" en boven de mannen in het veld. Dat gebeuren heet bijbelse geschiedenis.