O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← JaëlGestalte en GeestHet spreken Gods →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel 1 · Boek 1: Over de toppen des levens · p. 203–204

Delila

De Filistijnen over u, Simson!

Richteren 16 : 20

De geschiedenis van Simson en Delila, in Richteren 16, heeft punten van overeenkomst met die van Jaël en Sisera, in Richteren 4 en 5. In beide speelt een vrouw de hoofdrol en zij doet dat met een list.

Maar de verschillen zijn groter. Jaël was een huisvrouw; Delila een hoer. Het grootste onderscheid is echter, dat Sisera een vijand van Israël en van de God Israëls was en dat Simson voor Israël en voor de Here streed.

Deze geschiedenissen zijn geen moraliteiten. Men moet ze niet lezen om lessen op te doen voor een goed gedrag. Het hele boek Richteren is in dat opzicht ongeschikt. De wijze, waarop Ehud koning Eglon doodt (3 : 12-25) en de prijs, die Jefta betaalt voor zijn overwinning op de Ammonieten (11 : 29-40) laten ons dat duidelijk genoeg zien. Wanneer wij zulke stukken zouden moeten karakteriseren met maatstaven buiten de bijbel om, zouden wij dat het best kunnen doen door te wijzen op de tragiek van het gebeuren. De conflicten, die hier beschreven worden, vallen niet restloos onder de regels voor het dagelijks of huiselijk leven. Er zijn bovenmenselijke machten en krachten, die met elkaar in botsing komen en de mens komt daarbij in het gedrang. Hij wordt uit zijn baan geslingerd en raakt in omstandigheden, waarin hij zichzelf nauwelijks meer herkent. Wat hij daarin doen moet, wordt hem voorgeschreven op een wijze, waarvoor hij zelf geen voldoende verklaring kan geven.

Dat dit tragische een element van het mensenleven is, weet de hedendaagse mens beter dan menig voorgeslacht. Het betekent een grote nood in zijn leven. Dat hij in mindere mate leeft, mag men niet zeggen. Wel leeft hij gevaarlijker, wat zijn bestaan en wat zijn moraal betreft. Hij gaat langs afgronden. Hij komt in verwarring ten opzichte van goed en kwaad. Het boek Richteren vertelt ons enige verhalen, die elk op hun beurt beginnen met de opmerking: "In die dagen was er geen koning in Israël" (18: 1; 19: 1). Soms wordt dat aangevuld met de woorden: "Een iegelijk deed wat recht was in zijne ogen" (17 : 6; 21 : 25). Het is een refrein, dat men hoort aanheffen te midden van de tragiek, waarin dit tijdperk eindigt.

Waar liggen nu de vastigheden, waarbij een mens steun mag zoeken, in zulke tijden? Is er in de bijbel niet iets, dat boven de tragiek, de botsing tussen twee of meer bovenmenselijke machten uitgaat? Het lijkt in het boek Richteren bijna, dat zulks niet het geval is. Jaël was er wel en Debora stelde haar hoog boven de vrouwen in de tent. Haar verlossende daad scheen van de huiselijke moraal niet alleen af te wijken, maar deze ook verre te overtreffen. Haar zang werd voor het volk een evangelie. ⚑Maar staat Delila daar niet vlak tegenover? Nu was het Israëls helper, Simson, die het onderspit moest delven. Ook Delila streed voor haar volk, voor haar god. Nu won die god en Israëls God verloor! Stond dat niet gelijk? Wel was de figuur van Delila minder edel dan die van Jaël. Zij was een hoer. Maar wat betekende dat onderscheid in zulke tijden? Was Israël ook niet in Kanaän gekomen met behulp van zulk een vrouw (Jozua 2 : 1)? En eindigt het boek Richteren niet in de beschrijving van sadistische gruweldaden op seksueel gebied, die door de stam Benjamin bedreven werden?

Menselijkerwijze gezien is hier geen oplossing te ontdekken. Wie zal zich heenslaan door de tragiek van het lot? Wie zal behouden blijven en een weg kunnen vinden dwars door de botsingen tussen goden? Daar ligt nu op zijn beurt Israëls richter, Simson. Hij slaapt op de knieën van Delila, de Filistijnse lichtekooi. Zijn hoofd is geschoren; de zeven machtige haarlokken van de Nazireeër Gods zijn gevallen en zijn kracht is van hem geweken. Dan roept Delila: De Filistijnen over u, Simson! Maar het baat hem niet meer, als hij zich uitschudt. De Filistijnen groeven hem de ogen uit en voortaan was Simson malende in het gevangenhuis (16 : 21).

Wij kennen deze tijden, deze tragiek der geschiedenis. Hier en daar een schreeuw om recht, maar verder geweld en list, brutale lust en sadisme, zich breed makende rondom. Is er geen onderscheid? Is het enkel beurt om beurt? Jaël en Delila; Delila en Jaël? Is er geen lied, geen evangelie? Gaat er geen lijn uit boven de tragiek? Alleen maar een verwarde kreet, hier en daar, om recht?

Het boek Richteren kent wel het onderscheid tussen Jaël en Delila. Het weet, dat er geen koning in Israël was. Het maakt in de verwarring onderscheid. Alle goden zijn niet gelijk. Boven de tragiek treedt het recht soms uit zijn tent. Boven op het Lied van Debora staat Jaël. - De koning zal komen. Er zal lijn komen in de gebeurtenissen. De geschiedenis zal een zin te zien geven.

Het beslissende is echter, dat het hier bijbelse geschiedenis is. Achter de koning, achter Saul, achter David, komt de Zone Davids, de Zoon van de éne, ware God. Jezus Christus was toen en is nu de enige Naam, die wij kunnen noemen, die ons de weg wijst door en uit de tragische verwarring van ons leven.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← JaëlGestalte en GeestHet spreken Gods →