Uitzicht en dood
Alzo stierf Mozes, de knecht des Heren, in het land Moabs, naar des Heren mond. En Hij begroef hem in een dal ... en niemand heeft zijn graf geweten tot op deze dag.
Deuteronomium 34 : 5-6 (St.V.)
Bij de begrafenis van Mozes was alleen God tegenwoordig. Hij is ook de enige, die weet, waar Mozes ligt. Eigenhandig heeft Hij zijn knecht toegedekt en hem die lichte sluimering bereid, die de dood is voor degenen, die hun leven in zijn dienst hebben besteed. Als het Koninkrijk der hemelen straks nabij gekomen is (Matth. 4: 17) en Jezus de heerlijkheid daarvan overziet op een hoge berg, zoals Mozes dat vlak voor zijn dood met het land Kanaän had gedaan op de berg Nebo (Deut. 34: 1), dan is Mozes al weer wakker en spreekt, samen met Elia, tot Jezus over diens uitgang te Jeruzalem (Luk. 9 : 31), zijn lijden en sterven.
In de toebereiding van het Koninkrijk der hemelen heeft de dood niet dat karakter van onherstelbaarheid, dat hij heeft in het leven der zonde. En de begrafenis mist er de gebruikelijke plechtstatigheid. God vindt het onnodig heel Israël daarop uit te nodigen. Hij, de bron van alle leven, wil er dan zelfs wel doodgraver zijn.
De dood is in de heilsgeschiedenis geen uitblussen van het leven. Hij heeft daarin een betekenis, die ver uitgaat boven elk ander moment in de werkzaamheid van de dragers der Godsopenbaring. Daarom blijft de plaats van Mozes' graf ook verborgen voor het volk Israël. Zij zouden Mozes' dood gevierd hebben en er afgoderij mee hebben bedreven. Deze gestorvene blijft van God en tot zijn beschikking. - Zo gaat het later ook met Elia (2 Kon. 2 : 17). En wanneer straks de vrouwen en de discipelen Jezus willen balsemen en zijn dood bewenen, dan zorgt God er voor dat zij het graf ledig vinden. Er bestaat een merkwaardig verband en een zinrijke afwisseling tussen het uitzicht dat God zijn dienaren bereidt en de dood die Hij hun doet smaken. Op de berg Nebo, in het land Moab, tegenover de ingangspoort van Kanaän, toont de Here aan Mozes het land in zijn hele uitgestrektheid. Het land der belofte ligt voor hem. Daarvoor heeft hij heel vroeger de Egyptenaar doodgeslagen. Om zijn volk daarheen te kunnen brengen heeft hij daarna veertig jaren lang in de woestijn om de God Israëls gezocht. En ten slotte heeft hij dat volk andere veertig jaren lang door de woestijn geleid, met een zachtmoedigheid die een exponent, een hogere macht van de verdraagzaamheid der goddelijke voorzienigheid scheen te zijn. En nu overziet hij dat land, dat de drijfveer was van dat alles. Maar Mozes mag er niet in komen (Deut. 34: 4). Hij moet sterven. Dit besluit Gods lijkt ons hard. Maar welke plaats hadt gij daarginds aan Mozes willen zien toegewezen? Had God deze honderdentwintigjarige, wiens oog niet donker geworden en wiens kracht niet vergaan was, daar op pensioen moeten stellen? Ook voor Mozes blijft het waar, wat de Brief aan de Hebreeërs van de aartsvaders zegt: "Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien en omhelsd, en hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren" (Hebr. 11 : 13).
Mozes' dood is de keerzijde van zijn visioen. Het is het beste deel, dat God hem geven kan. En het is de enige sluitsteen, die bij zijn werk past. Deze dingen komen tot volkomen klaarheid in het Evangelie. Hoe zou Jezus hebben kunnen worden gepredikt, als Hij, na drie dienstjaren, zich ergens ambteloos had gevestigd? Deze vraag klinkt ons als heiligschennis in de oren. Maar dat is dan ook het beste bewijs, dat zijn dood een integrerend deel van zijn werk is geweest, ja het voornaamste stuk daarvan.
En ook bij Hem bestond er een nauw verband tussen het uitzicht op zijn Koninkrijk, de heerlijkheid, die Hem op aarde enkele ogenblikken omringde, en de zekerheid dat Hij lijden en sterven moest (Matth. 17). Ook in dit opzicht wordt alles in het Evangelie pasklaar. Wanneer Jezus op de berg der verheerlijking gebleven was en wanneer Hij er in toegestemd had dat Petrus, Jakobus en Johannes drie tabernakelen maakten, voor Jezus een, voor Mozes een en een voor Elia (Matth. 17 : 4), dan zou Hij niet op Golgotha gekomen zijn.
Het licht, dat in het Evangelie op de dood valt, doet ons ook de dood van Mozes in het rechte licht zien. En het verlicht ook het levenseinde van allen, die Gods kinderen genaamd worden. Het leven is niet helemaal horizontaal en vlak. Het heeft een top, een berg Nebo, waarheen men opgaat "uit de vlakke velden van Moab" (Deut. 34 : 1). Maar men kan op die top niet blijven; men mag er geen tabernakelen maken. Men ziet er wel "dat ganse land", maar men ziet er ook duidelijker dan ergens elders de poort, die daarheen leidt, de poort des doods. - Wat in Jezus' ambt en werk het kapitale stuk is geweest, was het in andere zin en in andere mate ook voor Mozes. Het was de zachtmoedigste daad in het zachtmoedige leven van deze man Gods, dat hij zich van de hoogte van Pisga door God naar dat dal liet leiden, om daar door Hem begraven te worden.