Het spreken Gods
Toen kwam de Here en stelde zich daar, en riep gelijk de andere malen: Samuël! Samuël! En Samuël zeide: Spreek, want uw knecht hoort.
1 Samuël 3 : 10 (St.V.)
De overgang van het richterentijdperk naar dat der koningen wordt in de bijbel gemarkeerd door twee taferelen uit 'het gewone leven'.
Van het eerste vormt Ruth en van het tweede Hanna, de moeder van Samuël, het middelpunt. Juist hier, door een scharnier der tijden, is ons een blik gegund op "de liefelijkheid en samenbinding" (Zacharia 11), die schuilen achter de vaak zo troosteloze voorkanten van het leven. Wie het boek Richteren ten einde gelezen heeft, gelooft zijn ogen bijna niet, als hij deze twee vrouwen op de drempel van het Israëlitische koningentijdperk ziet staan.
Onze tekstwoorden hebben betrekking op Hanna's zoon, de jonge priester Samuël, die reeds door zijn moeder naar de tabernakel, het Israëlitische heiligdom te Silo, was gebracht, toen hij nog zeer jong was. Daarna maakte zij jaarlijks voor hem een kleine rok en bracht hem die, als zij opging om met haar man het jaarlijks offer te brengen (1 Sam. 2 : 19).
De wereld, waarin Samuël leefde, wordt ons in twee bijbelwoorden getekend. Het eerste kennen wij reeds uit onze vorige meditatie. Het zegt ons hoe het op staatkundig gebied gesteld was. Er was geen koning in Israël en een iegelijk deed wat recht was in zijn ogen. Het andere vertelt ons, hoe het er in de kerk voorstond: "Het Woord des Heren was schaars in die dagen, er was geen openbaar gezicht" (1 Sam. 3 : 1). Tussen die beide dingen, het verval van het recht en de zeldzaamheid van het spreken Gods, bestaat een nauw verband. Kerk en staat zijn nooit geheel te scheiden. Hoe de vorm daarvan ook moge zijn, naar haar wezen blijft de regering dezer wereld een theocratie.
Het derde hoofdstuk van het eerste boek Samuël deelt ons dan mee, hoe de Here weer opnieuw in Israël begint te spreken in de tabernakel.
Een voorspel daarop had reeds geklonken, toen een man Gods aan de priester Eli het oordeel Gods had aangezegd. Want het bederf en de rechteloosheid hadden zich ook in de kerk breed gemaakt. Hoofdstuk 2 vertelt ons, hoe de zonen van Eli zich vergrepen aan de offeranden en aan de vrouwen, die tot de tabernakel kwamen. Deze tonelen passen geheel bij wat het boek Richteren ons van de toestanden onder het volk Israël meedeelde. God zou - zo zeide deze man Gods - daaraan een einde maken. Eli's zonen zouden op één dag sterven en God zou een getrouwe priester verwekken. ⚑Hoe dat laatste geschiedt, wordt ons nu in het derde hoofdstuk verhaald.
Eens legden zich bij en in de tabernakel de oude priester Eli en de jonge priester Samuël te slapen. Eer nu de lamp Gods werd uitgedaan, dus op het einde van de nacht, werd Samuël bij name geroepen. Nog niet gewoon om door de Here aangesproken te worden, liep hij naar Eli om bescheid te vragen. Dit herhaalde zich driemaal, voordat de oude priester zich herinnerde, dat er ook nog zoiets als godsspraak bestond.
Hij gebood Samuël zich weer neer te leggen en daarop te wachten. Als de jonge priester dan weer geroepen wordt, antwoordt hij de Here: "Spreek, want uw knecht hoort." - En dan begint de nieuwe reeks van woorden en openbaringen Gods. De schaarsheid daarvan neemt een einde. "En gans Israël.... erkende, dat Samuël bevestigd was tot profeet des Heren. En de Here voer voort te verschijnen te Silo" (3 : 20 v.). Dit is een merkwaardig keerpunt in Israëls geschiedenis. En het verhaal daarvan is een geweldige prediking voor alle tijden, maar het allermeest voor deze tijd. Wanneer er geen einde komt aan de wetteloosheid en de rechteloosheid; als een iegelijk blijft voortgaan met te doen wat recht is in zijn ogen, dan wacht ons de ondergang. Als de schaarste van de godsspraak blijft duren en er geen openbaar gezicht komt; als er geen theocratie doorbreekt, die de geesten aan zich onderwerpt; als er geen dragers van het Woord des Heren worden verwekt, dan wordt dit het einde.
Wanneer God niet zonder ophouden gaat roepen, totdat het inwendig oor opengaat, dan is er geen hoop meer.
Wij trachten ons op allerlei wijzen rekenschap te geven van wat er nodig is om tot verbetering van de toestanden te komen. Er is echter tenslotte slechts één zielsgesteldheid, die afdoende dienen kan. Het is die van de jonge priester, als hij zich voor de vierde maal nederlegt. Zij wordt vertolkt in de woorden: "Spreek, want uw knecht hoort."
Als dat spreken en dat horen begint, veranderen alle dingen. Door het Woord Gods wordt de wereld toebereid (Hebr. 11 : 3). Dan komt er straks in Israël ook een koning, zelfs tegen de wil van Samuël in (1 Sam. 8) en tegen God in (8 : 7). En toch is het een gevolg van Gods spreken en van Samuëls horen (8 : 22). God doet een schrede terug in Israël, om plaats te maken voor de figuur, die in de richterentijd zo merkbaar ontbrak. De Here zou zich bepalen tot spreken, maar Hij zou het telkens doen. En de koning zou duurzaam recht doen; niet een iegelijk zou doen, wat recht was in zijn ogen.
Zo is het spreken Gods, waarnaar Samuël wil horen. Hoe barmhartig en genadig is dat Woord. Het gaat in zekere zin tegen God zelf in. Het gaat verder dan God eigenlijk wilde. Het spreekt op Gods eigen kosten, totdat het zover is, dat Hij zijn eigen Zoon moet geven. Het dringt Hem zo ver terug in zijn regering, in de theocratie dezer wereld, dat Hij aan het kruis hangt.
Wij menen, dat het voor ons een waagstuk is, naar God te luisteren. Het is dat ook wel, voor zover wij Hem gelijkvormig moeten worden. Samuël moet ook leren terug te treden en dat kost hem moeite genoeg. Maar allereerst komt dit spreken ten laste van God zelf. Hij moet de wereld, die Hij geschapen heeft, het volk, dat Hij verkoren heeft, zijn Zoon, die Hij gezonden heeft, verloochenen. Hij is absent van en obscuur in de kosmos, die Hij zelf gemaakt heeft (Newman11⌫). Dit is een verzoeking voor ons en het deed Jezus uitroepen: Waarom hebt Gij Mij verlaten?
Dit spreken beweegt de wereld; daardoor regeren de koningen; daaruit komt het recht te voorschijn. Deze vreemde theocratie is het einde van Gods wegen met zijn volk.