De eer is weg
Weg is de eer uit Israël, want de ark Gods is buitgemaakt.
1 Samuël 4: 22 (Vert. NBG.)
Met deze meditatie knoop ik aan bij de laatste van Boek 1, waarin over de roeping van Samuël gesproken werd. Het slot van het derde hoofdstuk van 1 Samuël vertelt ons, dat het Woord des Heren door deze profeet tot geheel Israël kwam. Het is de tijd van de grote nood, waarin Israël komt te verkeren door de aanvallen van de naburige Filistijnen. Wij kennen ze reeds uit het boek Richteren, uit de historiën van Simson. Toen ging het nog meer man tegen man. Nu, in Samuëls dagen, begint het volk tegen volk te worden, wat wel het best hieruit blijkt, dat Israël een koning gaat begeren om hen te beschermen. Het volk wil, dat een koning hun oorlogen zal voeren (1 Sam. 8 : 20).
Bij de tegenstelling tussen Israël en de Filistijnen gaat het om de ere en de heiligheid Gods. Nu nog, na zoveel eeuwen, geldt de naam Filistijn voor de aanduiding van een onheilig mens. Hij staat buiten het verbond met de Here en draagt het verbondsteken niet. In de wandeling heet hij dan ook een onbesnedene. Er is geen reden om aan te nemen, dat deze volksstam meer dan andere naburen van Israël, hiertoe aanleiding heeft gegeven. Eerder zullen wij moeten aannemen, dat hun heidendom zulk een indruk van profaniteit maakte, omdat zij de enigen waren die tot in de tijd der koningen aan Israël het bezit van het Heilige Land hebben betwist. Zij woonden onder de schaduwen van Israëls bergen; onder de rook van zijn tenten. Iedere Filistijn was een ontkenning voor de Israëliet, een loochening van zijn God.
In de dagen van Samuël en Saul heeft dit aanleiding gegeven tot oorlogen, waarbij het ging om Israëls volksbestaan. De bijzonderheden daarvan kan men in het begin van de boeken Samuël nalezen. De Filistijnen hadden zich het monopolie van zwaarden en ploegijzers, van oorlog en vrede, toegeëigend (1 Sam. 13 : 19-22). En de Israëlitische mannen moesten zich verbergen in de putten en aan de overzijde van de Jordaan. Geen wonder dat het volk geneigd was alles op één worp te zetten. Zij zetten God op het spel. De ark des Heren, die daar op de cherubs woonde, het heiligste wat Israël bezat, werd door de priesters in een veldslag gebracht, om de kansen te doen keren. En Israël verloor dit hoge spel. De Here werd gevankelijk weggevoerd door de onbesnedenen.
De ontzetting over dit feit was zo groot, dat zij de dood van de achtennegentigjarige hogepriester en de vroeggeboorte van zijn kleinzoon ten gevolge had. De moeder van deze laatste gaf hem voor haar sterven de naam Ikabod of schande over Israël. Wanneer wij dit verhaal lezen, komt het ons voor alsof het gaat over dingen, die een andere betekenis hebben; alsof het een allegorie was. Waar hebben wij daarvan meer gelezen? Van God op het spel zetten en van de onuitsprekelijke schande, waar dat op uitliep? Betekent dit niet de hoogste worp die er op de wereld gedaan is: de worp naar Gods Koninkrijk; en de diepste schande, die er geleden is: het kruis (Hebr. 12 : 2)? Is het ware slagveld uit 1 Samuël 4 niet Golgotha geweest, waar Jezus moest uitroepen: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?"
De bijbel heet de Heilige Schrift en de bijbelse geschiedenis de heilige historie. Hoe kan zij het zijn, als God er niet in meespeelt, als het maar een gebeuren is tussen twee volkjes in een land, dat zijn naam dankt aan de Filistijnen? Hoe kan het het Heilige Land heten, als God er niet woont en hoe kunnen de Filistijnen de overwinning behalen zonder Hem gevangen te nemen?
Men kan de bijbel niet recht lezen, als de gedachten zich daaronder niet mogen vermenigvuldigen; wanneer de uitlegging in geen enkel opzicht allegorisch mag zijn. Dan blijft het een verhaal van primitieve voorstellingen en handelingen. Het heilige van deze teksten bestaat hierin, dat zij bij de interpretatie steeds roepen om het andere en dat zolang doen tot het Evangelie er uit te voorschijn komt.
Er zijn twee volkeren op aarde: degenen die God in hun leven betrekken en degenen die Hem daaruit zoeken weg te voeren. Wanneer dit op het allerduidelijkst wordt, als de allegorie haar grens heeft bereikt en tot Evangelie geworden is, dan merken wij, dat het over de zaak zelve begint te gaan. Dan komen wij ook in de strijd van 1 Samuël 4 en geen praten over primitiviteit kan ons voor zijn kansen beveiligen. De vraag is dan duidelijk genoeg: Wilt ge't met God en zijn Koninkrijk wagen en verliezen of met het onheilig volk, met inspanning van de laatste krachten, God er buiten zien te houden? Op die wijze heeft Jezus de keuze gesteld en aanvaard. Hij, die "het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende" (Hebr. 12 : 2). Het Koninkrijk Gods is een verloren kans der wereld en onder deze schande lijdt iedere heilige. Onder dat lijden houdt Hij die kans echter tegelijk vast. Ikabod, schande over Israël, weg is de eer, - dat houdt een gebed in: Uw Naam worde geheiligd; Uw Koninkrijk kome. - Een onheilige, een Filistijn te zijn, daarvoor behoede ons God.