De brief
Een eigenhandige groet van mij, Paulus. Indien iemand de Here niet liefheeft, die zij vervloekt. Maranatha.
1 Korinthiërs 16 : 21 en 22
(Vert. NBG.)
Het Oude Testament komt het dichtst bij ons in de Psalmen en het Nieuwe in de brieven van Paulus. Door David zingt de Heilige Geest voor ons en door Paulus schrijft Hij aan ons. Op beide manieren wordt het Woord en het werk Gods op zeer intieme wijze met ons hart verbonden. De afstand valt als 't ware weg. Onder het zingen van een psalm kan men het hart en de Geest nauwelijks meer onderscheiden, ofschoon ze nooit helemaal samensmelten. En de brieven van de heiden-apostel, ofschoon ze de nieuwtestamentische nuchterheid en soberheid bewaren, die samenhangen met de vervulling van de dienst der schaduwen en de verschijning van de beloofde werkelijkheid, hebben toch ook veel daarvan.
Natuurlijk is er verschil tussen een lied en een brief. Maar bij beide worden twee geesten nauw op elkaar betrokken. Is onder het zingen van de psalm de mystieke unie sterker, zo is onder het lezen van de brief het bewustzijn van de gerichtheid enerzijds en de geraaktheid anderzijds klaarder. In de brief houdt de Geest zich met ons bezig op een zeer exclusieve wijze. De gemeente of de gelovige wordt daarin door de apostel apart genomen.
De brieven van Paulus vormen het oudste gedeelte van het Nieuwe Testament. Toen de evangeliën nog geschreven moesten worden, werden deze brieven reeds gelezen. Wij vergeten dat wel eens, doordat die evangeliën vooraan staan en omdat Jezus aan Paulus voorafgaat. Maar de Heilige Geest is begonnen met geestelijk over Jezus te spreken en te schrijven, voordat de evangelisten dat meer historisch deden. De buitenlandse Joden en de heidenen, die Jezus niet naar het vlees hebben gekend en tot wie de evangelische overlevering pas langzamerhand gekomen is, hebben Hem aangenomen op een preek en een brief. In zo'n brief stond niet veel van wat hun later over Jezus werd overgeleverd door Mattheüs, Markus of Lukas. Hun geloof had daardoor van huis uit een geestelijke vorm. Zij liepen minder dan die later kwamen gevaar, om in een 'historisch geloof' te blijven hangen. Die nakomers, als zij uit de evangeliën wisten wat Jezus allemaal gedaan en gesproken had, kwamen dan met de vraag te zitten: "Maar is dat nu allemaal wel voor mij bestemd. Maakt dat mij wel zalig?"
Dit struikelblok bestond niet voor de eerste hoorders van het Evangelie en voor de eerste lezers van Paulus' brieven. Om te beginnen was de brief immers al aan hen geschreven. Hun adres stond er op. Daaromtrent was geen vergissing mogelijk. Als hij niet voor hen was, dan was hij voor niemand. En de inhoud was zo, dat het Evangelie hun werd aangeboden op aannemen of verwerpen. Zij kregen geen gelegenheid om eerst eens rustig kennis te nemen van enige feiten, die in Palestina moesten hebben plaatsgehad en dan daarna eens te gaan overwegen, in welke betrekking zij tot deze Jezus zouden kunnen gaan staan. Neen, onmiddellijk en ogenblikkelijk stond in zo'n preek en in zo'n brief de Heilige Geest voor de deur. Zij moesten maar zeggen of zij Hem wilden binnenlaten of niet. En of zij zich als onderdanen en als eigendom wilden beschouwen van Hem, die Paulus, niet vanuit Palestina, maar vanuit de hemel geroepen had om, juist door hem en juist aan hen, die proclamatie te doen overbrengen.
Dit was de voorkant van het Evangelie, het front, waarmee het de wereld overtrok. Deze briefvorm had het Nieuwe Testament aanvankelijk.
In deze geestelijke gestalte begon het gelezen te worden. Daarna kon men dan ook nog nauwkeurig nagaan (zoals Lukas deed), hoe alles in Palestina precies had plaatsgehad. Als maar vooropstond, dat het deze Jezus was, deze Heer aan Gods rechterhand, die Paulus verschenen was op de weg naar Damascus. Door deze geestelijke wijze van mededeling van het Evangelie, waarbij er maar één evangelie was en niet vier (Gal. 1 : 6-10), kwam het, dat de verzekerdheid een vast bestanddeel van het geloof kon zijn en ook was. Andere dan verzekerde christenen waren onbestaanbaar. De beslissing daarover of men een kind van God en een discipel van Jezus zou zijn, viel onder de preek of onder de lezing van de brief. Wie een brief van de apostel en daarmee van de Heilige Geest kreeg, werd als een heilige aangesproken (1 Kor. 1 : 2). Hij kon die titel verwerpen, maar niet in beraad houden. Een historisch geloof kan wel volgen op een verzekerd geloof, maar er niet aan voorafgaan.
Zo was het, toen Paulus apostel was. Zo is het nog. Wanneer wij ons afvragen, hoe heden ten dage een hervormd christen met Jezus op het nauwst in aanraking komt - wij hebben het in het begin al opgemerkt - dan moeten wij zeggen: door de Psalmen en de brieven. Voordat de bijbelse overlevering hem enigszins de aanschouwing geeft van Jezus en van zijn werk, geeft de Heilige Geest hem reeds het éne evangelie in een voor hem meer verteerbare vorm. Hij eet en drinkt Jezus reeds, ook voordat hij aan de dis des nieuwen verbonds aangaat. Er is - zoals Augustinus en Calvijn zeggen - geen teken zonder Woord.103 Zo kunnen wij ook zeggen: er zijn geen vier evangeliën zonder de brieven, het éne evangelie. "Niemand kan zeggen: Jezus is Here, dan door de Heilige Geest" (1 Kor. 12 : 3). En de Heilige Geest is de Briefschrijver.