De openbaring van het geheimenis
...naar mijn evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van het geheimenis, eeuwenlang verzwegen, maar thans geopenbaard...
Romeinen 16: 25 (Vert. NBG.)
Er bestaat een zekere overeenkomst tussen het huwelijk en de weg van Christus met de gemeente. De apostel Paulus zegt dat uitdrukkelijk in zijn brief aan de Efesiërs (5 : 32). De ere van het huwelijk bestaat hierin, dat het de mogelijkheid schept om een verhouding tussen man en vrouw, die naar haar wezen een geheimenis is, openbaar te maken. Het huwelijk doopt die verhouding met onschuld. Het zegt met Shakespeare in zijn Cymbeline: "Der trouwe liefde vreugd is louter onschuld."100 En daarom zet het man en vrouw, als zij in de echt verbonden worden, midden onder de mensen en midden in de gemeente. Het roept de mensen en de gemeente van alle kanten op om getuigen te zijn van de verbintenis. Het geheimenis zelf laat het bestaan, maar het stort de openbaarheid daarover uit, zoals de Heilige Geest op de pinksterdag dat doet over de verborgenheid van het Evangelie, zodat ieder het in zijn eigen taal kan horen. Deze openbaring is onstuimig; zij is uitbundig en feestelijk. Zij kent - naar binnen wel - maar naar buiten eigenlijk geen grenzen. Naar die zijde slaat het geheimenis om in zijn tegendeel. Het wil in de meest volstrekte zin openbaarheid zijn. Het stelt zich open voor de hele wereld. Zo is het met het geheimenis op de dag des huwelijks. Zo is het ook met het geheimenis van het Evangelie, als de Heilige Geest wordt uitgestort.
In onze tekstwoorden en in de hele lofprijzing, waarvan deze woorden deel uitmaken en die het slot vormt van Paulus' brief aan de Romeinen, zoekt de apostel dit tot uitdrukking te brengen. Men kan zeggen dat hij aan het slot van zijn epistel, terwijl hij zich tot God verheft, tegelijk de Heilige Geest bidt om het blijde wonder der openbaring aan zijn schrijven te voltrekken. Laat het een brief voor de wereld zijn. Niet alleen voor Rome, maar voor de hele wereld. Laat het geheimenis der godsvrucht (1 Tim. 3 : 16), de belijdenis der gemeente met haar grote verborgenheden, die Paulus in zijn apostolaat en nu in deze grote brief heeft uitgedragen onder de mensen, zo gedoopt worden met openbaarheid, als een bruidspaar op de huwelijksdag. Laat het Pinksteren worden bij de lezing van Paulus' brief. En laat het dan zijn, alsof er geen geheimenis in het Evangelie bestond.
Dit is de richting, waarin Paulus' doxologie, zijn lofverheffing, loopt. Er is hier in deze verzen sprake van de profetie, van de prediking van Jezus Christus, van een openbaring van het geheimenis, van Paulus' eigen evangelie. De uitleggers verschillen zeer in de tekening van de weg, waarin zij de openbaring laten geschieden. Sommigen leggen alle nadruk op de oudtestamentische profetie, anderen willen de openbaring aan Jezus zien toegewezen; weer anderen zoeken het bij de uitstorting van de Heilige Geest, terwijl er tenslotte ook zijn die er op wijzen, dat Paulus zijn eigen evangelie als de spits der openbaring noemt.101 Het doet er weinig toe. In een half-liturgische doxologie als deze moet men meer letten op de muziek dan op het redebeleid. En dan is het duidelijk dat de melodie der openbaring in dit geval gezongen wordt door wat Paulus hier "mijn evangelie" noemt. Het is de prediking, die hem als aan "een ontijdig geborene" (1 Kor. 15 : 8) door Jezus is opgedragen. Het is de laatste openbaring, nog na Pinksteren. Daarbij vergeleken zijn de profetie, het Evangelie, en Pinksteren, elk op zijne wijze, nog weer geheimenissen, ofschoon zij ook reeds openbaringen zijn. In de muziek van deze doxologie vormen zij de andere stemmen. Het evangelie van Paulus heeft inderdaad dat uitbundig en feestelijk openbarings-karakter. "Het eigenaardige van dit hem persoonlijk geopenbaarde evangelie is, dat het het heil aanbiedt 'voor niet' en 'aan allen' " (Godet).102 Dat doet ons weer aan een bruiloft denken. De geheimenissen zijn door de openbaarheid als 't ware verslonden. Van dit laatste evangelie in de bijbel, van deze laatste apostel van Jezus Christus gaat een licht uit over alle geheimenissen in de Schrift. Het evangelie van Stefanus, van Petrus op de pinksterdag, van Jezus in de evangeliën, van de profeten in het Oude Testament worden er door verklaard niet alleen, maar ook opgeklaard. Zij blijken alle reeds openbaringen van Godsgeheimen te zijn. Zij hebben alle dat feestelijk karakter. Zij maken allen die het horen tot bruilofstkinderen (Matth. 9 : 15).
Naar dat evangelie mogen wij, zo bidt de apostel in zijn lofverheffing, bevestigd worden. Wij, Paulinische christenen, mogen het nooit omkeren. God wil niet dat wij op de dag des Heren, op onze feestdagen, op een der andere dagen, van zijn openbaringen weer geheimenissen zullen maken.