O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Lukas 23 : 17-25Gedrukte preken en overdenkingenMattheüs 26: 21 en 22 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Gedrukte preken en overdenkingen · Voor den zondag ('Groene preken') · p. 458–465

Handelingen 17: 22 en 23

Gebed:

Barmhartig Vader, wij loven en prijzen U voor Uw goedheid. Leer ons steeds meer met Uw kerk, daarboven en hier beneden, Uw heilige naam belijden. Onze zonden bekennen wij voor Uw aangezicht. Wil Gij ze achter Uw rug werpen en daaraan niet meer gedenken. Laat ons één zijn met Christus, onze Heer en met allen, die Hem toebehoren. Doe ons zijn liefde ervaren in onze harten en wil zijn beloften door Uw Geest aan onze harten vastmaken. Dan zullen wij Uw kinderen zijn, in leven en sterven ons vasthouden aan Uw Woord. Geef ons die troost van het Evangelie ook heden! Amen.

En Paulus staande in het midden van de plaats genaamd Areopagus, zeide: Gij mannen van Athene, ik bemerk dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt; want de stad doorgaande en aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden op hetwelk een opschrift stond: Den onbekenden God. Deze dan, die gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden.

Handelingen 17 : 22 en 23

Aan godsdienstigheid heeft het in de wereld nooit ontbroken. Men mag heiden zijn of christen, in beide gevallen kan men een godsdienstig mens zijn. Daarvoor behoeven de zendelingen niet uit te gaan, om godsdienst in vreemde landen te brengen. Die vinden ze er wel, als ze er komen. Waar het op aankomt, dat is het dienen van de ware God. Ook bij onszelf mogen we wel toezien, dat we godsdienstigheid niet verwarren met zaligmakend geloof. De bijbel spreekt ook van mensen, wier godsdienst ijdel is (Jak. 1 : 26).

Een mens is van nature een angstig wezen. Hij is bang in zijn leven en bang om te sterven. Hij vreest voor alles om zich heen; niet alleen voor de bliksem en de donder, maar voor zovele dingen. Hoeveel kleinigheden maken hem het leven zuur? Doet het ritselen van een blad of het knabbelen van een muis hem soms niet schrikken? En dit is nog maar bij wijze van spreken gezegd. Maar is het niet waar dat we de naam verdienen, die iemand in de profetieën van Jesaja draagt: Schrik-van-alle-kanten? Daarom verzekeren we ons graag tegen allerlei schaden. En we zouden het ook doen, als we konden, tegen de ergste schade: de dood. We proberen het ook door onze godsdienstigheid. Daardoor trachten we de prikkel uit de dood weg te nemen. Is het u al gelukt, m'n lezer, om dat te doen? Ik vrees: neen. Heimelijk zegt uw hart, dat uw godsdienst ijdel is. Ge kunt de losprijs uwer ziel niet betalen. Ge kunt uzelf niet veiligstellen voor het eeuwige oordeel. Ge kunt geen wissel trekken op de eeuwigheid.

Uw zaligheid zal niet af kunnen hangen van uw verzekering en berekening. Die blijven onvast. Het zullen moeten zijn de vastheid van Gods Woord, de beloften van het Evangelie, de trouw van de Heiland, de troost van de Heilige Geest, die u de vrede in het hart leggen. Geen verzekering, maar zekerheid. Geen godsdienstigheid, maar geloof. Aan Gods Woord moet ge hangen, ook boven de afgronden van het leven en de dood. Dan zal u niets kunnen deren, en alle schrik zal op een wonderlijke, goddelijke wijze rondom u weggenomen worden, en binnen in u zal het vrede zijn door de Heilige Geest.

Bij de oude Atheners woedde, heel vroeger, eens een pestziekte. Er was schrik-van-alle-kanten, in de huizen en op de straten. Toen leidde iemand enige zwarte en witte schapen naar de Areopagus, diezelfde plaats, waar Paulus stond, en liet ze daar los. Overal waar de dieren zich neerlegden, bouwde hij een altaar, gewijd aan de pest-god wiens naam hij niet kende. Dat is godsdienstigheid; een verzekering tegen de dood trachten te sluiten. De Atheners hadden de naam van godsdienstig te zijn. Ze waren erom bekend.

Paulus merkt het ook, als hij er komt. Hij ziet hoe vol de stad met altaren is. De meeste met namen erop. Een enkel met dat opschrift: aan de onbekende God. Het komt hem voor, dat deze mensen als blinden in het leven om zich heen tasten en zoeken of ze God ook ergens kunnen vinden. Maar Hij is er niet. Een naam of geen naam, Hij is het toch niet. Dat ontroert de apostel in het diepst van z'n ziel. Hij weet wat het is, blind door het leven te gaan, vergeefs te zoeken. Maar hij weet ook wat het is, gevonden te zijn en ziende worden.

Z'n geest werd in hem ontstoken, ziende dat de stad zozeer afgodisch was (Hand. 17 : 16). Hoe gaarne zou hij haar de ware God doen kennen. Zo denkt Paulus erover. Z'n gemoed is ontstoken over het buitengewoon afgodische van de stad. Maar als hij z'n rede houdt op de Areopagus, dan noemt hij het anders. Hij roemt hun godsdienstigheid, hij sluit zich daarbij aan. De God, die zij niet kennende dienen, zal hij hun prediken. Is Paulus hier oneerlijk? Dat niet! Hij doet als een goed zendeling en zoekt aanknoping aan de gedachten van z'n gehoor. Maar het leert ons toch wel iets. Dit, dat godsdienstigheid niet genoeg is en vaak afgoderij. Afgoderij met alles wat geen God is. Dat behoeft geen beeld te zijn, 't kan ook iets geestelijks zijn; onze eigen vroomheid bijvoorbeeld, of onze bijbelkennis, of rechtzinnigheid. Zelfs met het bijbelboek kunnen we wel afgoderij bedrijven. Ik bedoel daarmee niet, dat deze dingen op zichzelf verkeerd zijn. Rechtzinnigheid en bijbelkennis zijn beter dan onrechtzinnigheid en onkunde. Vroomheid is beter dan onverschilligheid. En er is nog wel verschil tussen heidense en christelijke afgoderij. Maar als ze een mens van de waarachtige bekering afhouden, dan is het verschil toch niet zo groot.

Het is wel pijnlijk zulke dingen te zeggen en te horen. Onwillekeurig wekt het in ons de vraag: Wie zal dan zalig worden? Dezelfde vraag die Jezus' discipelen deden toen de Heer zeide, dat een rijke bezwaarlijk zou ingaan in het Koninkrijk der hemelen (vgl. Mt. 19 : 23 vv.). Niet alleen stoffelijke, maar ook geestelijke goederen kunnen een beletsel zijn om in te gaan. In de hemel komen geen rechtzinnigen of vrijzinnigen, geen vrome mensen, geen 'alleszins godsdienstigen' zoals Paulus ze noemt, ze mogen dan heiden of christen heten. In de hemel komen zondaren die door God zijn aangenomen. Het is een wonderlijk geval met de Evangelieprediking. Wat is dat ruim, dat God juist zondaren aanneemt. Dan is er nog een kans voor een arm mens, ook voor een geestelijk arme. Gezang 39 zingt:

"Jezus neemt de zondaars aan!
Roept dit troostwoord toe aan allen."

Een troostwoord wordt het daar genoemd. En toch, wanneer we dat zo zeggen of horen, dat er geen vrome en godsdienstige mensen in de hemel komen, dan is het of we een slag voor ons hoofd krijgen. Dan hebben we het gevoel, alsof we er buitengesloten worden en alsof iemand ons beledigt. Want we voelen ons toch wel een beetje vroom. Om zo helemaal met de tollenaar te bidden: "Heer, wees mij zondaar genadig", en niet een weinig ook met de Farizeeër: "Heer, ik ben zo vroom", dat gaat haast, ja helemaal boven mensenmacht (vgl. Lk. 18 : 9-14). In Athene ging het al precies zo. Hier kon ook gevraagd worden: Zijn er weinigen, die zalig worden? Er worden maar twee namen genoemd: Dionysius de Areopagiet en een vrouw met name Damaris (Hand. 17 : 34). Het is een moeilijke stap om van de godsdienstigheid, de afgoderij met eigen vroomheid, over te gaan tot het dienen van God, dat begint met de kennis van eigen ellende.

Het altaar voor de onbekende God, wat wordt daar veel op geofferd. 'Ik zoek God', zo denken we dan. We zijn Godzoekers. Maar we kunnen Hem niet vinden. Aan ons ligt dat niet. We zouden wel willen, maar er zijn ook zovele geloven en richtingen. Wat zou de waarheid zijn? God kan het ons niet kwalijk nemen dat we Hem niet beter dienen. Dan had Hij zich maar duidelijker aan ons moeten openbaren. Of ook wel op een andere manier en in een andere vorm wordt er zo geofferd op dit altaar. Men belijdt wel dat God zich geopenbaard heeft in Jezus Christus, maar toch komt het niet tot de waarachtige bekering. Men zoekt er wel om, maar vindt het niet. Men wil wel, maar God schijnt niet te willen. Wie is hier de schuldige, de zondaar? Wij niet, want we zoeken immers; wij willen toch? Wie dan?

Dit zijn zware levensvragen, die elke dag terugkeren. Ze blijven roepen naar God, de levende God. Want dat zoeken is toch zo ernstig niet als het schijnt. Die zoekt, die vindt, zegt het Evangelie (Lk. 11 : 10). God is niet zoek in de wereld. Wie zou durven zeggen dat Hij alleen niet te vinden is, en al het andere wel? Ons geweten zegt wel dat Hij er is en wat Hij wil. God is openbaar. Intussen is dat zoeken wel gemakkelijk. Men kan het zo hard en zo langzaam doen als men wil. Men kan er jaren, ja zelfs z'n hele leven mee zoekbrengen. Aan de rechte overgave, de ware bekering komt het dan nooit toe. Het is eigenwillige godsdienst, het is afgoderij.

Paulus wijst een andere weg. Hij kent ook een onbekende God, een God aan wie, ofschoon men Hem niet kent, toch alles onderworpen is. Ook de zoekers dienen Hem. Hij heeft alle dingen geschapen en onderhoudt alle dingen. Allen zullen voor de rechterstoel gesteld worden van Jezus Christus, die Hij gezonden heeft. Deze God predikt Paulus. Paulus is ook zoeker geweest. Hij tastte ook rond, als een blinde, in het leven. Toen heeft God hem gevonden. Juist andersom. Jezus is hem verschenen. Toen is Paulus op z'n aangezicht gevallen, juist op de plek, waar hij was. Hij heeft niet verder gezocht, want het was niet nodig. Hij heeft zich bekeerd; dat was alles wat hij behoefde te doen. Heel z'n godsdienstigheid van vroeger heeft hij 'schade en drek' geacht (Fil. 3 : 8). Daar liep hij later zelf boven overheen. Hij kent zichzelf nu als de grootste der zondaren.

Hier houdt alle eigenwilligheid op, hier begint het dienen van God. Hier is de ware God in het leven gekomen. Het is ook een God zonder naam. Men behoeft Hem niet te noemen om Hem van andere goden te onderscheiden. Hij is de Schepper van hemel en aarde, en de Rechter van alle dingen. Het bezet ons van achteren en van voren. Als Hij de onbekende heet, dan is dat niet omdat Hij nergens te vinden is, maar omdat Hij ons zo geweldig omringt met zijn tegenwoordigheid en z'n oordeel dat zijn 'wondre kennis' ons zwak verstand te boven gaat.

"Gij hebt van achtren mij bezet, vooruit wordt mij de vlucht belet: ik word bepaald door Uwe hand. Hoe zou ik met mijn zwak verstand naar Uwe wondre kennis streven? Z' is mij te groot, te hoog verheven."

Deze onbekende God, die men niet ontwijken kan, noch ter rechter-, noch ter linkerzijde, die men niet ontlopen kan en voor wie men niet kan terugwijken, predikt Paulus. Met zoeken kunnen we Hem niet vinden. Als Hij ons vindt moeten we ons bekeren. Dan is het uit met het uitstel. Dan is er geen gisteren en heden en morgen meer in het leven, maar een eeuwig heden.

"Zo gij zijn stem dan heden hoort, gelooft zijn heil- en troostrijk woord, verhardt u niet, maar laat u leiden."

Dat overkwam Achab, toen Elia hem vond. Hij vond het niet aangenaam op die manier gevonden te worden. Hij was liever doorgegaan met zoeken, waarmee hij juist bezig was. Toen de profeet voor hem stond, zei hij toornig: Hebt gij mij gevonden, m'n vijand (1 Kon. 21 : 20)? Eigenlijk trof dat woord vijand niet Elia, maar God, die hem gezonden had. Achab voelt zich in de engte, waar men niet ontwijken kan.

"Gij hebt van achtren mij bezet, vooruit wordt mij de vlucht belet."

Dan weet men dat er een God is en wat Hij wil. Niet allen doen dan als Paulus op de weg naar Damascus, die zich gewonnen gaf. Hij riep: Heer, wat wilt Gij dat ik doen zal (Hand. 9 : 6)? Achab deed anders. Hij blijft zich tegen God verzetten en de verzenen tegen de prikkels slaan.

We beginnen nu het verschil te zien tussen de godsdienstigheid, die Paulus te Athene aantrof en het dienen van God, dat hij predikt. We begrijpen dat er in die stad, die het in de godsdienstigheid en in het zoeken naar waarheid verder gebracht had dan andere steden, maar twee bekeerlingen waren.

Het is de grootste verandering, die er in het mensenleven kan plaatshebben. Het is moeilijker één ogenblik te bukken voor de wil van God, dan een heel leven lang erover te praten. De bekering uitstellen is ons werk. De bekering zelf is Gods werk. Als we vragen: Wie kan dan zalig worden?, dan antwoordt Jezus: Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God (Lk. 18 : 26 v.). Dat is het grote lichtpunt in de wanhopige zaak van onze godsdienstigheid. Al maken anderen ons ook nog zoveel complimenten over onze vroomheid, en al zijn we er zelf ook nog zo mee ingenomen, het is daarmee toch niet veel gedaan. Al zijn we ook nog zulke eerlijke twijfelaars, wat voor velen een eretitel schijnt te zijn, veel waarheid winnen we er niet mee uit.

Gelukkig kan God ons toch wel vinden. In Hem leven wij, bewegen ons en zijn wij (Hand. 17 : 28). Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen (Rom. 11 : 36). Hij bezet ons van achteren en van voren en Hij is al onze wegen gewend (Ps. 139 : 3, 5). Hoe zou Hij ons niet kunnen vinden? - En Hij omringt ons niet alleen met een zwijgende, angstwekkende tegenwoordigheid, maar met het woord zijner genade, met z'n goedertierenheid, met de prediking van het Evangelie omringt Hij ons. Zo staan de zaken in werkelijkheid. Zo staan ze ook als we bezig zijn Hem overal tevergeefs te zoeken. Als we blind door het leven tasten en denken dat God verre is. In het heden der genade is de Schepper van hemel en aarde op een genadige en lankmoedige wijze aan alle kanten rondom ons. Als we geloven dan is de schrik niet rondom ons, maar God.

Dat is de grootste verrassing des levens, als de zoeker gevonden wordt. Als de God, die nergens is, blijkt bij mij te zijn, hier op deze plaats. Jakob zegt het ook als hij te Bethel de hemelladder gezien heeft: 'ik heb het niet geweten' (Gen. 28 : 16). Hij dacht dat hij mijlenver van God af was. En ziet, hij sliep op Gods hoofdkussen, in Gods eigen huis.

Dat is de onbekende God, die Paulus predikt, de Vader van onze Here Jezus Christus. We spraken daarstraks over het moeilijke van de bekering. Vaak uitgesteld van jaar tot jaar. Maar dan als God ons vindt, stellen we 't niet uit. Als we recht 't Evangelie horen, vernemen we de stem van de goede Herder, die het verloren schaap zoekt, tot Hij hetzelve vindt (vgl. Lk. 15 : 4). Dan overwint God ons niet met schrik en geweld, maar zoals een moeder haar kind troost (vgl. Jes. 66 : 13), zo spreekt de Heilige Geest in ons binnenste. Dan blijft de kennis Gods nog wel wonderbaar. Het blijft wel zo: "Hoe zou ik met mijn zwak verstand naar Uwe wondre kennis streven?"

Maar dan is het niet meer een onbekendheid Gods, waartegen we ons behoeven te verzekeren. Dan zullen we er ons juist aan overgeven. Dan is het goedheid Gods die onze kennis te boven gaat.

"Uw goedheid, Heer, is hemelhoog,
Uw waarheid tot de wolkenboog,
Uw recht is als Gods bergen."

Die overgang van zoeken tot gevonden worden heeft iets van het ontwaken in de morgen. Hoe is het mogelijk dat we zo ineens alles anders zien? Van zulke overgangen is ons leven en ons denken vol. En al die overgangen zijn maar een flauw beeld van de vergeving der zonden en de opstanding. Het ontwaken uit de slaap is een wonder. Maar het ontwaken tot het geloofsleven is nog groter wonder. En de slaap van de ongelovige ziel is nog dieper dan de natuurlijke slaap. Leven we dan wel, als we God, die ons aan alle zijden omringt met z'n genade en Geest, niet gewaarworden? Als we troosteloos, vervreemd van de beloften en zonder God door de wereld gaan? Het is erger dan slapen; het is geestelijke dood. Is het geen doodsstaat als onze ziel het roepen van God niet hoort? Wanneer het meest doordringende wat er is, de Geest van God, niet tot ons doordringt? Als de meest nabije tegenwoordigheid, die van de Alomtegenwoordige, ons niet merkbaar wordt? Als we niet zien en niet horen en niet voelen? Kan dat nog leven heten? En zo staan we toch tegenover de Evangelieprediking, als we ongelovig zijn.

Deze dan, die gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden. Is dat ook nog op u van toepassing, lezer? Gij zult het Evangelie wel niet voor 't eerst horen, zoals het gehoor van Paulus op de Areopagus. Gij zijt misschien veel godsdienstiger dan deze alleszins godsdienstige Atheners. Ge ziet allicht op hen neer als blinde heidenen. Maar leeft gij al onder de beademing van het Evangelie? Dringen het licht en de kennis en de troost van alle kanten op een wondere wijze in uw hart en leven door? Weet ge u van Christus gegrepen en door de Heilige Geest in alle waarheid geleid? Zo kan het! Wanneer iemand daarop 'ja!' antwoordt, dan maakt dat hem niet hoogmoedig. Geen vrome en godsdienstige mensen, maar zondaren komen in de hemel.

Laat u dan vinden, laat u troosten, gij arme mens en besteed uw tijd niet langer om wat nieuws te zeggen of te horen, zoals die oude Atheners, maar luister naar het Woord, dat eeuwig blijft en getrouw is en alle aanneming waardig (1 Tim. 1 : 15), het eeuwige Evangelie!

Dankgebed:

Wij danken U, o Heer, voor Uw trouw en liefde, waarmee Gij ons omringt. Liet Gij ons wandelen in onze wegen, dan gingen we voor eeuwig verloren, wij bleven liggen in de dood. Maar neen, dat doet Gij niet! Gij roept in onze oren en Gij spreekt in onze harten. Maak ons levend naar Uw Woord. Doe van ons aangezicht en ons hart het deksel af. Laat Uw Geest komen en ons herscheppen. Geef ons Uw genade.

Wij danken U, dat Gij de boodschap des vredes ook ons doet horen. Wij geloven, Heer! kom ons ongeloof te hulp! Amen.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Lukas 23 : 17-25Gedrukte preken en overdenkingenMattheüs 26: 21 en 22 →