Mattheüs 26: 21 en 22
Gebed:
Getrouwe Herder onzer zielen, wij stellen ons onder Uw veilige hoede. Ons leven is zo vol onzekerheid en ons hart is zo onbetrouwbaar, dat we de vastheid en de veiligheid zoeken alleen bij U. Wil Gij ons leiden naar Uw raad. Naar die raad des vredes en der liefde, waarin al ons heil gelegen is en die Gij ons bekend gemaakt hebt door Uw Evangelie. Bij U, o Heer, zijn alle dingen vast. Niets kan ons scheiden van Uw liefde en geen schepsel kan ons uit Uw hand rukken. Wat Gij beloofd hebt, dat zult Gij houden, en al Uw woorden zullen vervuld worden. Gedenk onzer dan in onze verlorenheid. Tot U willen wij roepen in onze nood; U alles bekennen wat ons ontrust; U alles vragen waaraan wij twijfelen. Dan zal het alles ja en amen zijn en het zal nog veel zekerder zijn dan wij het in ons hart gevoelen. Amen.
En toen zij aten zeide Hij: Voorwaar Ik zeg u, dat een van u Mij zal verraden. En zij, zeer bedroefd geworden zijnde, begon een iegelijk van hen tot Hem te zeggen: Ben ik het, Here?
Mattheüs 26 : 21 en 22
De eerste indruk, die onze tekstwoorden op ons maken, is wel die van een zekere verwondering. We begrijpen niet recht hoe al die discipelen, de een na de ander, aan Jezus konden vragen: Ben ik het? Wel als Judas het zegt. Hij wil de angstige stilte, waarin z'n schuld en z'n doemvonnis hem in de oren suizen, verbreken. Voor hem is het nog een laatste biecht, een opening van de mond die, menselijkerwijze gesproken, nog tot een belijdenis des harten had kunnen worden. Hoeveel onoprechtheid er bij hem ook in die vraag school, toch bereikt z'n stem hier nog het oor van de goede Herder. Hij is nog niet in de stilte van die vreselijke eenzaamheid, waarin hij z'n einde vond.
Maar die andere discipelen dan? Heeft een van hen dat Ben ik het, Here? van Judas overgenomen en is het zo de tafel rondgegaan, zonder dat ze recht beseffen, wat die woorden in hun mond betekenen? Dat geloof ik niet. De Italiaanse schilder Leonardo da Vinci, op de beroemde schildering die het Heilig Avondmaal van Jezus met z'n discipelen voorstelt, heeft er anders over gedacht. Hij laat ons in de figuren een sterke gemoedsbeweging, een ware ontzetting zien. Voor ieder van hen is het een levensvraag. Een kwestie van behouden te worden of verloren te gaan. En ze rusten niet voor ze deze onrust des harten aan de Meester hebben geopenbaard, om zo mogelijk uit zijn mond een geruststellend antwoord te krijgen. En liever dan te zeggen, dat zij Judas nagesproken hebben, moet men het ervoor houden, dat deze met hen is meegegaan om zich een houding te geven.
Wat die vraag van de jongeren betekent, kunnen we 't best leren inzien, als we eraan denken dat het Evangelie de vervulling is van de profetie. Wat Jezus leert en doet en lijden moet, dat stond tevoren reeds in Gods raad en wet geschreven. Het moest geschieden. En de Christus moest het lijden. Zo legt Jezus het straks uit aan de Emmaüsgangers (Lk. 24 : 13-35). Een van de dingen, die de Christus lijden moest, stond in een oude psalm geschreven, in Psalm 41 : 10. Men las daar: Zelfs de man mijns vredes, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven. Dit woord zal nu in vervulling gaan. Jezus kent het en weet dat het gebeuren moet. Het behoort tot het ambt, het werk en de last, die Hij op zich genomen heeft. Jezus en Judas weten ook reeds wie het is, die brood met Hem eet en Hem toch verraden zal. Jezus zal het lijden; Judas zal het doen. Maar de andere discipelen weten het niet. En toch kennen zij die oude psalmwoorden ook wel. Ze weten ook, dat het leven van Jezus geen eigenwillig gekozen weg is, maar dat Gods wil daarin moet geschieden. En nu Jezus hun aankondigt, dat een van hen Hem zal verraden, twijfelen ze geen ogenblik of het gaat gebeuren. De tijd van Psalm 41 is gekomen. Die psalm zal nu deze keer niet plechtig gelezen of stichtelijk gezongen worden; hij zal in vervulling gaan. En nu vragen ze: Ben ik het, Heer?
Deze vraag is ontroerend. Daar zitten nu Jezus' discipelen, die alles verlaten hebben om Hem te volgen. Huis en hof, vrouw en kind. Ze zijn naar buiten gegaan in de storm van het Koninkrijk der hemelen. De vossen hebben nog holen; zij hebben geen huis, en de Zoon des mensen heeft niets om er het hoofd op neer te leggen (Mt. 8 : 20). En toch zijn ze met Jezus gegaan. En moeten ze nu tenslotte nog in het onzekere zijn en Jezus die angstige vraag stellen? Had de Heer dan niet gezegd dat wie alles verlaten had om het koninkrijk Gods, veelvoudig zou weder ontvangen (Lk. 18 : 29 v.)? En bestaat er nu nog zo weinig zekerheid voor hen, dat Petrus of Johannes een Judas kan worden? Blijft de profetie tot 't einde toe boven hun hoofd zweven als een dreigend zwaard? En wordt het Koninkrijk der hemelen op die wijze niet een plaats van angst en twijfel, in plaats van gelovige zekerheid?
Ja, er is zeker wel reden om deze vragen te stellen. Arme Petrus, Jakobus en Johannes. Ze zouden zo graag een Evangelie vol licht gehad hebben. En ze hadden dat licht toch ook gezien. Toen Jezus predikte aan de zee van Tiberias en toen Hij doven deed horen, blinden het gezicht hergaf, doden opwekte en de armen het Evangelie verkondigde (Mt. 11 : 5). Maar nu wordt het tegen het einde zo donker en alles wordt weer onzeker. Hebben ze zich toch nog bedrogen? Neen, dat hebben ze niet. Voor ieder van hen is het een levensvraag. Een kwestie van behouden te worden of verloren te gaan. En ze rusten niet voor ze deze onrust des harten aan de Meester hebben geopenbaard, om zo mogelijk uit zijn mond een geruststellend antwoord te krijgen. En liever dan te zeggen, dat zij Judas nagesproken hebben, moet men het ervoor houden, dat deze met hen is meegegaan om zich een houding te geven. Wanneer Jezus niet anders gedaan had dan de lofzang te zingen op de paaszaal en niet door Gethsemané en over Golgotha gegaan was, dan hadden de discipelen het wel rustiger gehad, maar ze waren geen apostelen geworden. De psalmen en de profetieën zijn ook niet op de studeerkamer gemaakt. Sommige zijn in de kerker geschreven, andere onder oorlogsellende, in ballingschap of hongersnood. Dan moet een mens vaak wel vragen: Ben ik het? Ben ik dezelfde van vroeger, uit onbezorgde dagen? Heeft God mij daarvoor bestemd? Jozef moest dat vragen, toen hij in de Egyptische gevangenis zat. Was hij die jongeling met de veelvervige rok, de lieveling van z'n vader? Hij herkende zichzelf niet meer. En Jezus moet het straks zelf vragen aan het kruis: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Mt. 27 : 46)? Ook daarin kunnen we een Ben ik het? beluisteren. Is dat de geliefde Zoon, in wie de Vader een welbehagen had, toen Hij gedoopt werd (vgl. Mt. 3 : 17)? Zoals we van Hem zingen, als we denken aan z'n lijden onder Pontius Pilatus:
"Is dat, is dat mijn Koning, dat aller vaadren wens?"
Aan dat alles moet men denken, als men leest hoe ze allen aan Jezus vragen of zij het zijn, die Hem zullen verraden. Het Evangelie sluit zich aan bij de aardse werkelijkheid. En daar komt een mens telkens voor wonderlijke verrassingen te staan, die alles op losse schroeven schijnen te zetten, wat vroeger vaststond. Wij weten er in onze tijd van mee te spreken. Dan lopen de dingen niet altijd in een recht spoor. Er zijn wel zulke rechte lijnen. Een bekend schrijver in ons land schreef vroeger een boek, dat tot titel had Langs lijnen van geleidelijkheid. Maar hij bedoelde daarin te tekenen, hoe we recht op de dood toe gaan. Met het Evangelie is het anders. Wij kunnen wel op onze vingers uitrekenen, dat we sterven zullen, maar niet, dat we zalig zullen worden. Dat is een van die grote verrassingen, die God voor zijn kinderen heeft weggelegd. Het hele Evangelie "is een wonder in onz' ogen: ⚑wij zien het, maar doorgronden 't niet."
Jezus zegt het ook, dat degenen, die aan z'n rechterhand zullen komen te staan, verrast zullen zijn. Ze zullen vragen: Here, wanneer hebben we datgene gedaan, waarom wij aan uw rechterhand komen te staan (vgl. Mt. 25 : 37 vv.)? Ze kunnen het zelf nauwelijks geloven en vragen verwonderd: Ben ik het? Met dat verrassende karakter van het Evangelie moet iemand zich verzoenen, als hij met Jezus wil zijn. Dat hoort bij het leven. Alleen de dood heeft die zekerheid, die men op z'n vingers na kan tellen. Er ligt veel troost in, dat er in het geloof zo'n onrustige zekerheid is, die zich aansluit bij de toestanden in deze wereld en de stemmingen van het mensenhart. Wij merken dat Jezus en z'n discipelen, de profeten en de apostelen niet in een denkbeeldige wereld verkeerd hebben. Ze hebben het te doen gehad met de wereld, waarin wij dagelijks leven en met het hart, dat wij in ons omdragen.
Hiermee hebben we echter de volle troost, die in onze tekstwoorden ligt, nog niet uitgeput. Want het gaat hier niet alleen om de algemene onzekerheid der aardse dingen, niet om de wisselvalligheid der omstandigheden, maar om de onstandvastigheid van ons eigen hart, om de zekerheid of onzekerheid van ons eeuwig lot. Als Petrus of Johannes vraagt: Ben ik het, Heer?, dan vragen ze eigenlijk: Ben ik een Judas en zal ik verloren gaan of ben ik Petrus, een rotsman en zal ik volharden tot het einde; en: ben ik Johannes, de discipel, die Jezus liefhad? Een gewichtiger, maar tevens angstiger vraag bestaat er niet in 't mensenleven. Op de schilderij van da Vinci is dat zo duidelijk te zien. 't Gaat over de laatste levensvraag. Dat brengt alles bij de gelovige in beroering. Het geloof, zei Luther, is een onrustig ding. 't Is geen rekensom. 't Gaat er om wie ik ben en wat ik zijn zal.
Wanneer de beantwoording van zulke vragen alleen van de standvastigheid van ons eigen hart en de duurzaamheid van onze goede voornemens afhing, zou de spanning niet te verdragen zijn. Maar de volharding der heiligen is geen mensenwerk. Ons leven staat onder vaste bestiering en het gehoorzaamt aan hoger wenk. Misschien zien we dat zo dagelijks niet altijd duidelijk, maar hoe meer we onder 't Evangelie leven, door 't geloof, des te klaarder wordt dat. Op Jezus' eigen levens- en lijdensweg stond geen voetstap, die niet tevoren verordineerd was. Hij is als het kind, dat verdwaald buiten de ouderlijke woning, de weg naar het Vaderhuis terugvindt langs de broodkruimels, die tevoren langs het pad gestrooid zijn. Iedere schrede is de vervulling van een psalm- of profetenwoord. Die zijn z'n spijze. Daarom bidt Hij in Gethsemané: Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede (Lk. 22 : 42). Ook het bangste kruiswoord, het vierde, is een psalm (Ps. 22 : 2)!
Onder diezelfde goddelijke bepaaldheid staan nu ook de discipelen. Ze zijn zich daarvan bewust. Ze weten dat ze met Jezus Gods raad dienen, en de Schriften moeten waarmaken, dat Gods wil door hen moet geschieden. Ze staan in de storm van de vervulling, van de volheid des tijds. Hun rust hebben ze eraan gegeven. Ze zijn mensen van het einde. Welke rol zullen ze daarbij spelen? Wat heeft God hun toegelegd? Ze leven niet op eigen risico en staan niet op eigen benen. En daarom vragen ze, als Jezus de verrader noemt, met vreze en beving: Ben ik het, Here?
Dat ze het vragen bewijst, dat het hier om het eeuwige leven gaat. Een stok en een blok zijn dood. Die blijven vanzelf wel op hun plaats. Maar zij zijn mensen, die vallen kunnen en verloren kunnen gaan. Petrus zal diezelfde nacht Jezus nog verloochenen. Maar juist daarom hebben ze zich bij Jezus gevoegd. Ze willen graag met Hem in de goede, vaste orde Gods staan, waar alles tot zaligheid is bestemd. Die met zaligsprekingen begint en met hemelvaart eindigt. Ze voelen behoefte aan een bestemming. Het is een zegen voor een mens als al het onzekere, dat er in en om hem is, komt te staan onder de tucht van het eeuwige Woord Gods. Rondom Jezus komen alle profetieën uit en worden alle psalmen waar. Daarom houden ze zich dicht bij Jezus. Door Hem zal het eens alles goed worden.
En daarom, als ze vragen: Ben ik het?, dan maakt het groot verschil aan wie ze dat vragen. Ze vragen het niet aan de nacht en het noodlot, zoals koning Saul deed, toen hij in de avond, in welke hij de laatste beslissing voelde komen, de waarzegster van Endor opzocht (1 Sam. 28 : 7-25). God is geen duistere harde macht, die met de blinddoek voor de ogen over ons lot beslist. De discipelen vragen het Jezus en daarin ligt de volle vertroosting van dit woord. Rondom Jezus zijn de dingen ook niet onzeker en toevallig. Alles komt er zoals het moest. Het is alles voorspeld. Het staat van tevoren geschreven. De zaligheid hangt er niet aan een draad en is niet afhankelijk van de eb en vloed in de stemming van een mensenhart. Dat is juist zo gelukkig. - Maar de vastheid ligt in de raad des vredes tussen Vader en Zoon. Ze bestaat in de onveranderlijkheid van een grote liefde, die nimmermeer vergaat.
En dan is het vragen geen verschrikkelijk ding meer. Wie het Jezus vraagt, met vreze en beven, die gaat niet verloren. De zekerheid, die we nodig hebben, is bij Hem te krijgen. Ze kan van onze kant niet komen. Dan zouden we altijd door moeten vragen: Ben ik het? De veilige zekerheid zou nooit komen. Rondom Jezus alleen kan de ziel de 'onwrikbre vastigheden' leren kennen, die voor de zaligheid nodig zijn.
Zo zien we hier het wonderlijke gebeuren, dat de onrustige Petrus, Jakobus en Johannes, met hun angstige vragen, met Jezus in de weg Gods blijven. 't Lijkt dat in hun geloofsleven alles onzeker is, maar als ze zich aan die onzekerheid Gods overgeven, dan blijkt alles vast en veilig te zijn. Geen een van hen gaat verloren. Psalm en profetie worden ook aan hen vervuld. Alleen Judas, die eigenlijk niet vraagt omdat hijzelf wel weet; die niet onzeker is, omdat hij vastbesloten is het kwade te doen, gaat verloren. Hij gaat rechttoe rechtaan z'n eigen weg, naar z'n eigen plaats (Hand. 1 : 25). Had hij maar echt kunnen vragen aan Jezus, dan was hij behouden geweest. Maar hij kent niet de onrust des geloofs. Daarom zal hij de onrust van de wanhoop leren kennen die ongeneeslijk is, omdat het een weg is, die door hemzelf en niet door God bepaald is. De oude psalmist leert ons bidden:
"Leer mij, o Heer, de weg door U bepaald, dan zal ik die ten einde toe bewaren."
Alleen op die weg zullen we niet omkomen. Het is een grote rust, als iemand die geloofsweg heeft gekozen. Uitwendig en inwendig zal het dan niet altijd onbewogen zijn. Zie maar naar Jezus en z'n discipelen. Het Evangelie is storm van binnen en van buiten. Maar daar zijn ook een vrede en een verzekerdheid, die alle verstand te boven gaan. Al het andere is valse gerustheid en eigengerechtigheid. Het is beter met Petrus, Johannes en Jakobus ieder ogenblik aan Jezus te moeten vragen: Ben ik het?, dan met Judas zelf te weten: Ik ben het. Laat Gods Woord ons zeggen, wie wij zijn en hoe het met ons staat. Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen (Mt. 5 : 3).
Dankgebed:
Onze Vader, die in de hemelen zijt, wij danken U voor de vertroostingen van Uw eeuwig Evangelie. In Jezus Christus, Uw Zoon, hebt Gij ons leven geborgen voor eeuwig en altoos. En al is het dat de twijfel ons aanvecht, het zal ons niet kunnen schaden, want die drijft ons slechts dichter tot Hem. Van U zijn alle dingen en Gij hebt ze gegeven aan Hem, die de overste Leidsman en Voleinder van ons geloof is. Geef ons dat iedere moeilijkheid, elke aanvechting moge dienen om ons steeds vaster met Hem te verbinden. Amen.