O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Bijlage 3: Lezingen in samenvattingInhoudDe katholieke bestanddelen in de prediking →

Verzamelde Werken, deel 6 · p. 13–21

Evangelie en zielszorg1

Zeer tot m'n spijt ben ik niet in de gelegenheid de hele conferentie bij te wonen. Ik voel dit echter wel als een zeer essentieel verzuim in verband met m'n voordracht.

"De voorgaande besprekingen", aldus het programma, "zullen ons voeren tot een verdiepte vraag naar de inhoud van het Evangelie en de manier, waarop het op onze zielenoden ingaat." Ik had graag de beweging meegemaakt, de weg mee afgelopen, die tot de praktische aan-de-orde-stelling van m'n onderwerp leidt. Zulk een drie-daagse bespreking wordt dan tot symbool en meer dan dat, van de roering van wereld en ziel, waarop de Evangelieprediking moet ingaan.

Ik heb getracht in de geest toch tegenwoordig te zijn, toen ik over m'n onderwerp mediteerde. Er is gesproken over het persoonlijke in het Evangelie, het psychologische, het sociale en het gezellige.

Ik heb het gevoel, dat thans van mij gevraagd wordt de terugweg te leiden, van het gezellige naar het sociale, vandaar naar het psychologische, dan naar het persoonlijke, om dan daarboven uit te gaan tot het eigenlijk Evangelie, tot God. Ik zie de taak voor mij om u van de schaak- of tennisclub te brengen naar een geanimeerde debat-avond met arbeiders over sociale vragen, vandaar door het dromenland, waarvan de ingangspoort te vinden is in de spreekkamer van de psychiater, om dan uit te komen in de kerk, of op de catechisatie bij de simpele figuur, die daar het middelpunt vormt, de dominee. En dan ook hem te passeren, te transcenderen naar het allereenvoudigste wezen, dat wij God noemen.2

Wanneer ik het zo correct zeg, dan blijkt toch wel dat het waar is, wat ik zei, dat een conferentie symbool kan zijn van het werkelijke leven. We voelen dan de moeilijkheden die we hebben te overwinnen. Wat ons in een referaatje met wat handigheid kan gelukken, is een reuzemoeilijkheid in het werkelijke leven. En ons spreken over deze dingen moet daarmee rekening houden. William James schreef eens: "The truth of God must run the gauntlet of all truths."3 En hij wilde daarmee zeggen, dat we ons van de hoogste waarheid niet op een wijze mogen meester maken, die wat moeilijkheid betreft omgekeerd evenredig zou zijn met de bezwaren bij gewone vragen van de dag of wetenschappelijke bewijsvoeringen.

Dit past op mijn taak. Het kosmologisch bewijs voor het bestaan van God is met een beetje goede wil nog wel te volgen. Het loopt betrekkelijk gemakkelijk. Maar minder vlot verloopt de zaak, zodra men een methode zoekt om de jeugd van het voetbalveld of de straat, uit de natuur en de wereld ons te doen volgen naar de zondagse preek, het kosmologisch bewijs tot kerkelijk te concretiseren. De afstand van de gezellige zijde van het leven naar het Evangelie, van de voetbal naar God, is met begrippen niet te overbruggen. Er is een reëel verband tussen beide. God is de Schepper, ook van de voetbal. Oudere mensen noemden de aarde gaarne de voetbank Zijner voeten.4 In de jeugdbijbel die er zal komen, zal men misschien vertalen, de voetbal Zijner voeten. Ik zou er niet tegen zijn. Het zou misschien voor enkelen de enige manier zijn om een idee bij te brengen van de grootheid Gods. Als iemands hele ideologie in zulk een bal gevaren is, als die voor hem geworden is, wat voor Plato de hoogste idee, de idee van het goede was, dan ligt het religieuze contact daar en niet elders.

Ik geloof, dat we op deze wijze wel een beetje de moeilijkheden zien, waarvoor de terugkeer, die we moeten volbrengen ons stelt. Er is nogal afstand tussen het religieuze contact, waarover ik 't laatst sprak, en tussen het contact dat Paulus maakte, toen hij Rom. 8 schreef. We mogen die niet overbruggen door enige stichtelijkheden. We mogen niet even enige plooien in 't gezicht zetten, en zeggen: nu gaan we over 't Evangelie spreken. Onze dagelijkse ervaring is, dat dat niets geeft. Die dingen zijn er eenvoudig, de wereld van de sport, de wereld van ons goddelijk beroep, het sociale; en de wereld van ons intellect en onze memorie, het psychologische. Het zijn geweldige scheppingen Gods op zichzelf. Werelden van kracht (de sport), van edele zorg (het beroep), van wondere bezinning: ons geheugen. Ik geloof, dat God er zich tegen zou verzetten, als we ons daarvan met een stichtelijkheid afmaken. Hij zou zeggen, dat Hij ze daarvoor niet geschapen had.

Ik denk aan de sportrubriek in de NRC. Paulus over renbaan. Geheugen bij Augustinus. Beroep bij Luther. Evangelie mag niet abstraheren. Roze rood - rossig - duivel.

Paulus heeft veel oog voor de sport. Sommige van de mooiste passages uit z'n brieven zijn er aan georiënteerd, Rom. 12 : 1 en 2 en Fil. 3. Augustinus heeft in het tiende boek van z'n Confessiones die bekende onsterfelijke bladzijden gewijd aan het geheugen en in 't algemeen aan de schatkameren van de geest. Hij is de geweldige Westerse psycholoog. En Luther heeft tegenover de gehele Griekse en Romeinse Oudheid en ten dele de middeleeuwen het handwerk, het beroep in ere hersteld. Carlyie, een der weinige profeten van de negentiende eeuw, heeft er ware woorden aan gewijd.5 Deze dingen staan dus in de geschiedenis ook niet buiten alle verband met het Evangelie. Ze komen bij elke vernieuwing van de prediking mee naar voren en leveren er de vormen voor. Het oude christendom heeft de sportieve vorm van een militie Christi. Dat van Augustinus en de middeleeuwen is overwegend psychologisch. En dat van Luther heeft een sterk burgerlijk-sociale zijde. Ritschl is eenzijdig geweest wanneer hij het geheel ziet als een voorzienigheidsgeloof van de gezeten burger.6 Maar er is aanleiding toe.

We kunnen dus niet volstaan met zuiver te abstraheren van alles wat tot nog toe op deze conferentie gezegd is. Daarvoor is het verband tussen schepping en verlossing te reëel. De God van het Evangelie is ook de Schepper. Ik geloof in God de Vader, maar de kerk voegt er bij: Schepper des hemels en der aarde. Gnostieken, Marcionieten zijn wij niet.7 Als we 't toch doen, krijgen we die wezenloze verschijning van het Evangelie waarvoor we soms ineens komen te staan. Ik denk aan het kerknieuws van de NRC. Dat steeds aangelengde, nimmer eindigende nieuws over dominees, preken, kerkeraadsleden en kerkvoogden, die weeë aandacht, jaar in jaar uit, voor een oude instelling, oude gebruiken, die daar in een onwezenlijk licht aldoor maar worden opgevoerd. Ik lees zelden de sportrubriek, maar de bokswedstrijd tussen Dempsey en Tunney te Parijs,8 die ik er jaren geleden las, maakte veel frisser en wezenlijker indruk op mij dan de meeste beschouwingen over kerk en preek. Het Evangelie moet iets te maken hebben met mensen met armen en benen, met wezens die eten en drinken en kleren nodig hebben en die de zorg hebben voor een stuk leven in deze wereld. En met het bewuste en onderbewuste leven, dat in ons dromen en waken de voorraadschuur is van onze gedachten, die geen ogenblik stilstaan.

Het Evangelie mag niet minder wezenlijk en reëel zijn dan dit alles. De Verlosser is ook de Schepper en de Schepper is de Verlosser. Als we abstraheren van de roze stemming op het sportveld, langs de rode verbetenheid van het sociale gebied, over de vuurrode urethrale onderwereld van de psychiater, dan komen we niet bij God, maar bij de bloedrood geaderde gestalte van Satan terecht. God is onder onze abstracties in het witte zonlicht op het sportterrein gebleven. Het kwam van onze abstractie dat we bij het zoeken naar de hemel in de onderwereld terechtkwamen. Het Evangelie is geen abstractie. Geen algemeen begrip. Het is wil en wereld van God.

We mogen derhalve het Evangelie niet abstraheren van de schepping, omdat we dan niet tot God komen. Maar ook niet, omdat we dan de schepping van haar heerlijkheid beroven. Het moet ons opvallen dat tegelijk met de uitsluiting van Kerk en Evangelie van de drie terreinen die we noemden, deze dat uit een geestelijk oogpunt odieuze aspect krijgen, dat ze thans hebben. De weg van spel, over arbeid naar de ziel en zo naar het Evangelie is op zichzelf niet verkeerd. Dat ze ons in de vormen waarin wij ze kennen naar de duivel voert, zoals ik zopas aanwees, bewijst dat de abstractie waartegen ik waarschuwde, reeds heeft plaatsgehad. Wij weten niet meer wat spel, arbeid en ziel betekenen.

Wordsworth wist, dat de knaap bij z'n spel het hemelse licht ziet.9 Maar z'n kijk op het volwassen leven is donker. Hij gelooft dat de ernst des levens het licht dooft. Ik geloof het niet: Arbeid is vergeestelijkt spel, en ziel is meer vergeestelijkte arbeid. Om de arbeid zijner ziel zal hij het zien, zegt Jesaja.10 Psychologie is bezig ons de schepping gehaat te maken. Als we onze kinderen horen ontleden naar hun orale, anale en urethrale componenten, zouden wij ze liever met de tang willen vastpakken. Maar we weten beter als ze ons, zes of zeven jaar oud, over de tafel vragen stellen, die Plato en Paulus hebben beziggehouden. Er zit Evangelie in het spel en in de ziel en in de arbeid ook. Maar het is er uit geabstraheerd.

Augustinus volgt in het tiende boek van de Confessiones ook de weg van de buitenwereld over de ziel naar God en hij komt niet zo verkeerd uit als wij, omdat deze voor hem dichter bij God stonden. De Oudheid heeft voorgelovige wetenschap geleverd. Onze tijd abstraheert bewust van het Evangelie en levert ongelovige wetenschap en doet ongelovige arbeid en speelt goddeloze spelen. Maar we hebben goed praten. De dingen liggen er zo toe en we kunnen ze niet zondermeer ongedaan maken. "Busspredigen", zegt Rothe, "ist das allerwohlfeilste."11

De voorgaande vragen, zegt het programma, zullen ons voeren tot een verdiepte vraag naar de inhoud van het Evangelie en de manier waarop het op onze zielenoden ingaat. En zo is het.

De zaak zou hopeloos staan, als het Evangelie absoluut immanent was aan gezelligheid, arbeid en ziel. Als het gezellige verkeer, de maatschappij, de ziel het als een impuls, een inherente kwaliteit in zich hadden opgenomen, zodat we het konden verkwisten. Dan stonden we met lege handen. Want we hebben het in verregaande mate verkwist. We hebben met God gedeeld en zijn naar een ver land getogen.

Maar het Evangelie is transcendent. Dat is het, wat bij een verdiepte vraag naar de inhoud van het Evangelie als een blijde zekerheid tot ons doordringt en dat ons doet preken met meer gezag en dieper overtuiging dan vroeger. Dat de ziel van nature christinne is,12 klinkt ons niet meer zo dierbaar in de oren als de platonisch gestemde theologen van 100 jaar geleden. We zullen het niet helemaal ontkennen. We erkennen ook de band tussen schepping en verlossing, Oud en Nieuw Testament. We weten ook wel, dat het oog 'Sonnenhaft'moet zijn om de zon te kunnen zien. Maar we maken nog eenskeer de ontdekking van Augustinus, dat we het brood der sterken, d.i. God, niet te proeven krijgen, als het van de hemel niet nederdaalt.13 Als Jezus niet laag werd om ons lagen op te nemen. Humilis humilem. Het Evangelie blijft transcendent ten opzichte van de schepping. Wanneer men ons zegt, dat we het geabstraheerd hebben van de schepping en het hebben weggeworpen, dan zeggen we overtuigd: dat kan niet, want het zat er niet in. Het is geen idee, maar een werkelijkheid, nog veel reëler dan het geschapene.14 Het is een goddelijk Woord in nog veel voller zin dan het Woord waardoor de wereld geschapen werd. Dat is het nieuwe aspect van de prediking van onze tijd, voor zover hier van nieuw mag gesproken worden.

Ik geloof dat dat niet weinig is. Maar ook niet meer dan we nodig hebben. Men heeft jaren geleden gesproken van het bankroet der wetenschap en christelijke kringen hebben daarbij in de handen geklapt. Maar in werkelijkheid is het om te huilen. Wetenschap is uit God en het is een huiveringwekkende gedachte, wanneer de speelse gedachte van Descartes werkelijkheid zou blijken dat we met een esprit malin15 te doen zouden hebben voor onze kennis. Wij spreken nu al van het bankroet der beschaving en zelfs orthodoxe mensen houden op zich daarover blij te maken. De ernst van de zaak komt te voorschijn. Wat blijft er over als alles bankroet gaat. Als eerst wetenschap, dan cultuur, straks humaniteit, en eindelijk schepping frauduleus blijken te zijn.

Wij hebben slechts een antwoord en dat is voldoende: het Evangelie. Wij hebben het niet van de wereld geabstraheerd. Het is geen algemeen begrip voor alle bijzondere zaken van de wereld. Het wordt niet mee aangetast als alles ondergaat. God en de ziel. We kunnen toch zielzorgers zijn.

De vraag doet zich op of ik hier de zielszorg niet zo radicaal maak, dat het geen zorg meer kan heten. Is het niet beter een pedagogisch element op te nemen en aan te sluiten bij het bestaande. Niet te werken met 'Verelendung', maar met 'Veredelung'. Breekt bier de band tussen Evangelie en schepping tenslotte toch niet en is de schepping niet vatbaar voor verheerlijking?

Mijn ervaring is, dat wij op de radicale wijze de mensen het beste kunnen helpen. Ik wil de mogelijkheid toegeven dat de mate van exclusiviteit, waarmee het Evangelie gebracht wordt tegenover wat we schepping noemen, verband moet houden met de omstandigheden. Ook de tijdsomstandigheden. Dat we dat niet altijd in onze macht hebben. Ik geef toe, dat echt spel-kind zijn: geestelijke handenarbeid als in calvinistische landen, verdieping van 't zieleleven, als sedert Augustinus in Europa bekend is, hun bloei aan het Evangelie ontlenen, zodat het Evangelie tot op zekere hoogte immanentie krijgt, die aanrakingspunten biedt. Maar ieder kan weten hoe gevaarlijk het aanknopen aan die immanentie voor de Evangelieprediking kan worden. Hoe wreed zijn juist in calvinistische landen de sociale theorieën geworden, in aansluiting aan arbeidzaamheid, spaarzaamheid, particulier eigendom, rente en welvaart. Hoe gevaarlijk is de aanknoping aan de psychologische immanentie geworden in het Piëtisme? Het Evangelie zelf moet zuiver transcendent blijven ten opzichte van deze dingen en heeft het recht en het vermogen zich telkens weer terug te trekken en uit de 'Veredelung' in de 'Verelendung' over te gaan. Trouwens, zuiver religieuze documenten als de Heidelbergse catechismus gaan ook uit van de 'Verelendung', de ellende, al is het dat daarbij soms een geringe burgerlijke 'Veredelung 'wordt opgenomen in de voortgang. De radicale toepassing van het Evangelie op de ziel brengt de verlossende kracht aan het licht. Wanneer ik enkele malen in m'n pastorale ervaring - pastoraat in wijde zin - heb gemerkt uit vriendelijke erkentelijkheden, soms vrij lang na dato, dat m'n woorden reële hulp hadden gebracht - voor mij zelf alleen beschamend dan was het steeds door radicale toepassing van het Evangelie.

De lijn van onze bezinning loopt ook in die richting: We moeten van het spel over de arbeid, de ziel, de persoonlijkheid naar het Evangelie. Nu gaat het met het spelende kind nog wel. Jezus zette het in 't midden. Ook de arbeider kan als afbeelding van God dienen. Rilke zegt: "Du bist der Bauer mit dem Barte."16 De ziel gaat ook nog. Er zijn schöne Seelen.17 Maar dan komen we bij de persoon die het Evangelie moet brengen, waar De Vrijer het over gehad heeft.18 Zal iemand het in z'n hoofd krijgen een dominee in 't midden te stellen en te zeggen: Wie niet wordt gelijk een dominee, zal niet ingaan in 't Koninkrijk der hemelen? Hier komen we op 't wanhopige punt. Als we hier niet radicaal worden, zijn we verloren. Wie zal iets van ons willen weten als we 't niet zijn? Calvijn zegt in het begin van boek 4 van z'n Institutie dat God opzettelijk het Evangelie laat prediken door zo'n homunculus.19 Des te beter wordt het Evangelie geloofd. Het wordt als goddelijke boodschap overgebracht. Indien ergens dan is het nodig hier te transcenderen en niet stil te houden. Het symbool van de geestelijkheid - ik zeg niet de geestelijkheid zelf - is zwart. Al het licht is er aan onttrokken. Het blijft transcendent.

Het is mogelijk, dat er tijden zullen komen, waarin dit in mindere mate het geval zal zijn. Maar wij hebben niet abstract maar concreet te zijn in de prediking. We kunnen ons niet aanpassen aan sociale toestanden die er geweest zijn, of zullen komen. Een van de gevolgen daarvan zal zijn, dat het vertroostend karakter van het Evangelie sterk op de voorgrond zal staan. We leven in een periode van kerkopbouw. Wat dat is, beseffen we nog nauwelijks. Het is pas een heel aanvankelijk begin. Maar de wereldsituatie geeft er aanleiding toe. Het betekent dat iedere kerk zich opmaakt min of meer een vluchtheuvelkerk te worden. De opbouw van individuele persoonlijkheden - Beets voelde het al aankomen, toen hij over karakterschaarste klaagde-20, staat niet in bloei. Christus in ons, het Evangelie immanent in de wereld - we durven er niet te luid van spreken. Laten we 't dan rondom ons hebben. Als we niet naar het beeld van God kunnen zijn, laten we dan in het beeld geschapen zijn. De tegenstelling tussen de civitas terrena en de civitas Dei hebben we in lang niet zo duidelijk gezien.

De Evangelieprediking zal daarvan noodzakelijk de sporen dragen. We stellen minder voorwaarden voor het geloof. We troosten de mensen zoals ze daar zitten. Ze zitten er als vroeger en toch misschien anders. De Clercq geeft in z'n dagboek het verslag van een paaspreek op deze wijze21 Dominee X toonde ons de lachende beelden der onsterfelijkheid. Dat wil zeggen: De heer of dame die daar zit is gereed. Hij of zij wenst slechts te horen, dat z'n persoonlijk leven nooit zal ophouden. Maar daarvoor moet men een zonnig plaatsje in de schepping hebben; een evenwichtig zieleleven; een gevorderd geloofsleven.

Wij preken minder de onsterfelijkheid en meer de opstanding. Daarin zit een belofte niet alleen voor de levenden maar ook voor de doden. Het is een troost juist voor de doden. Dat maakt een groot verschil. Staat op uit de doden en Christus zal over u lichten.22 Dat is niet enkel een dogmatisch verschil. Wij zien het leven en de gemeente onder een heel ander licht dan vroegere generaties. Een boek als van Remarque23 blijft ons niet in de koude kleren zitten. Karakterschaarste lijkt ons geen al te ernstige klacht. Was het dat maar alleen. We hebben over erger schaarste te klagen. Ik denk aan de buitengewoon roerende wijze, waarop Dickens in Dombey and Son een aan tering lijdende knaap tot z'n zuster laat zeggen: "Are we all dead but you, Florence?" Wij horen het onze mensen tot Christus zeggen: "Are we all dead but you?" Ik bedoel niet dat we dat zo bewust beleven. We leven uitwendig vrijwel op dezelfde voet als de mensen uit de tijd van de karakterschaarste. Ieder probeert flink te zijn en wat vrolijkheid en goede moed om zich heen te verspreiden. Hij tracht z'n dingen te doen, en z'n man te staan. Hij tapt z'n mop en rookt z'n pijp. Maar er is toch wel wat veranderd. We zien onszelf en anderen sterker onder 't aspect van de dood. We doen dat niet opzettelijk. Helemaal niet onder de indruk van een of andere nieuwere dogmatiek. Maar het licht dat op de wereld valt is niet anders. We zullen het niet loven en nog minder aanmoedigen. Maar het baat niet of we 't loven of laken. Het is boven onze censuur uit. Het is kosmisch licht. Het valt op alle dingen rondom. Het schijnt op de intiemste dingen van ons bezit. Niet alleen op een erfsabel uit de Tiendaagse Veldtocht,24 die haar aureool verloor, maar ook op de andere dingen, die er bij behoren. Het valt binnen in ons op gesteldheden als karakter, vroomheid. Wat betekenen zulke overgeërfde parmantigheden. We durven ze nauwelijks te noemen of aan te kweken. Zijn het geen burgerlijke aardigheden, die toch door het leven te schande gemaakt worden. Wat zal er van blijken echt te zijn in het eschatologisch geweld der tijden.

De Evangelieprediking moet met zulke dingen rekenen. Ze mag niet abstraheren. Ze moet ook rekenen met het onderbewuste. Met de gangen en holen van het geheugen, waar de dingen wonen die geweldiger zijn dan ons dagbewustzijn. Maar waar is de psychiater die deze verdringing kan cureren door haar bewust te maken. En welke sociale revolutie kan het schijnsel dat op het leven valt, van kleur doen veranderen?

Leo Toistoj heeft al lang voor de oorlog dat licht op het leven gezien. In Anna Karenina en Opstanding zien we het en het maakt hele reeksen representatieve figuren, karakters en vromen, onwezenlijk naar hun verschijning. Doodshoven krijgen rechters en advocaten die met ontzettende omhaal en gewichtigheid en langdradigheid bezig zijn een arm, ongelukkig meisje in het gevang te werken.

Wij verzetten ons hiertegen. We vinden het een verlies. Er gaat veel goeds, veel moois verloren. En we proberen de schade weg te werken. Eerste remedie: de sport. Die kweekt volharding, gezondheid. In één woord: persoonlijkheid, karakter. Maar het resultaat valt niet mee. Men kweekt in de meeste gevallen een goedmoedige bruut.

We proberen het met het sociale en kweken een egoïst. We roepen de psychologie te hulp en we drukken onze kinderen op de sexualiteit terug.

Hoe vreemd het moge lijken: We moeten toch terechtkomen bij de homunculus - Calvijn heeft het wel goed gezien - die iets van het Evangelie te vertellen heeft. Hij is ook veranderd. Hij doet aan sport. Goed. Kingsley25 deed het ook. Hij bestudeert de sociale kwestie. Goed. Maurice26 deed het ook. Hij doet aan zielkunde. Goed. Paulus deed het ook. Maar laat hij zo doen als zij: machthebbende als hun aller meester, Jezus. Hem is het Evangelie toebetrouwd.

Het vale licht op ons leven heeft een realiteit van hogere potentie. Wij moeten ons er op instellen met de prediking. Maar dan dwars tegenover. Als wij vragen: Zijn wij allemaal dood, behalve gij? Dan antwoordt de Heer: Ik ben de Opstanding en het Leven.27 Het ene lokt het andere uit.

De aanknopingspunten die wij zoeken op de verschillende terreinen van het menselijke, bieden weinig houvast voor de prediking. Het zijn juist die dingen van hogere potentie, zo'n kosmisch licht, als waar ik op wees, dat min of meer gelijkwaardig is met het Evangelie. Het houdt ons gevangen en de prediking komt om ons vrij te maken. Zo'n macht of mogendheid zou zo sterk niet zijn, als ze haar bevoegdheid niet aan God zelf ontleende. Het is een keerzijde, een schaduw van het Evangelie. Het werkt mede.

Er is een tweede omstandigheid die hiermee in verband staat. En die werkt corrigerend ten opzichte van de eerste. De prediking, zoals ik die tot nog toe karakteriseerde, is elementair, bovenpersoonlijk. Ze vat nauwelijks de mens in 't oog. Ze is op z'n toestand, z'n doodsstaat gericht. Maar als we dan toepasselijk worden in preek of gesprek zal het vergelijkenderwijs gemakkelijker gaan. Dan kunnen we benedenpersoonlijk zijn. Laat ik zeggen: Om bij een zo gevormd mens en vroom christen als Beets huisbezoek te doen zou niet meevallen. Ge zoudt niet weten waar te beginnen en te eindigen. Hij is getroost en dan hebt ge niets te zeggen. Of hij is het niet en dan is er geen beginnen aan. De moderne mens ligt opener voor het Evangelie. Hij is veel minder af. De zielszorg kan hier meer gedifferentieerd zijn. Hij heeft wonde plekken genoeg.28 Partieel evangeliseren. ⚑Troosten. Dit is steeds ergens over. Het Evangelie: blinden, kreupelen, doven.

Later in 't Westen is de persoon meer naar voren gekomen. De schuldvraag. De genade. Dit zedelijke is wel goed. Maar het kan te klein worden, te menselijk, persoonlijk. De mensen kunnen zich niet bekeren, omdat ze te veel op hun eigen bewustzijn worden teruggedreven. Aus dem Leben eines Unbekehrten. Inzoverre moet de schuldvraag minder gemaakt. Luthers gewetensangst = plaatsbekledend. De catechismus: ellende uit de wet Gods. Dat is: onbekwaam tot alle goed, geneigd tot alle kwaad. Dat is niet restloos een bewustzijnsdatum. Daarin had de liberale prediking gelijk. De piëtisten, die het bewust wilden maken, hadden ongelijk. Het is iets veel ergers. Dit is de werkelijkheid, waar we mee rekenen moeten. Wij kunnen aan de schepping niet aanknopen. Het Evangelie is werkelijkheid.

Eindnoten

  1. 1

    Blijkens een aantekening op het manuscript hield N. een lezing over Evangelie en zielszorg in 1930 te Hardenbroek. Bedoeld zal zijn kasteel Hardenbroek bij Driebergen, van 1917-1932 het centrum van de NCSV. Nadere gegevens ontbreken: Het orgaan van de NCSV., Eltheto, verschaft deze niet en het archief van de NCSV. (in het Rijksarchief te Utrecht) is nog niet geïnventariseerd. Mogelijk hield N. zijn lezing op een door de NCSV. georganiseerde zgn. praktische theologenconferentie of conferentie voor persoonlijk geestelijk leven.↩

  2. 2

    Vgl. art. 1 van de Nederlandse geloofsbelijdenis.↩

  3. 3

    W. James, Pragmatism. A new name for some old ways of thinking. Popular lectures on philosophy. New impression, Londen enz. 1913, p. 109: "The truth of 'God' has to run the gauntlet of all our other truths. It is on trial by them and they on trial by it. Our final opinion about God can be settled only after all the truths have straightened themselves out together. Let us hope that they shall find a modus vivendi!" Zie over James p. 154, noot 161.↩

  4. 4

    Vgl. ook Jes. 66 : 1; Matth. 5 : 35; Hand. 7 : 49.↩

  5. 5

    Th. Carlyle (1795-1881), Schots geschiedschrijver, sterk puriteins georiënteerd, zag in de daad, in de praktijk van het leven de zin van het menselijk bestaan. Deze gedachtengang komt reeds in zijn eerste werk Sartor resartus (1833-1834) naar voren. Zie ook VW., dl. 1, p.223 en 229, noot 29.↩

  6. 6

    Vgl. voor de opvattingen van A. B. Ritschl (1822-1889) diens Unterricht in der christlichen Religion (1875; vele malen herdrukt). Zie over Ritschl ook VW., dl. 1, p. 75, noot 18.↩

  7. 7

    Gnostieken en Marcionieten kennen beide een scherpe tegenstelling tussen de Schepper-God en de Verlosser.↩

  8. 8

    In 1926 moest de fameuze Amerikaanse bokser Jack Dempsey (eigenlijk: William Harrison), die in 1919 wereldkampioen in het zwaargewicht werd, deze titel afstaan aan Gene Tunney.↩

  9. 9

    Vgl. de ode Intimations of immortality from recollections of early childhood, opgenomen in The poetical works of William Wordsworth, E. de Selincourt en H. Darbishire eds., dl. 4, Oxford 1947, p. 279-285. Zie over Wordsworth VW., dl. 2, p. 83, noot 7,↩

  10. 10

    Jes. 53 : 11.↩

  11. 11

    Vgl. Stille Stunden. Aphorismen aus Richard Rothes handschriftlichem Nachlass, Bremen 18882, p. 224: "Strafpredigen ist das allerwohlfeilste." Zie over Rothe p. 153, noot 134.↩

  12. 12

    Vgl. voor de herkomst van deze uitdrukking Tertullianus, Apologeticum, hoofdstuk 17.

    CChrSL. 1, 117: "O testimonium animae naturaliter Christianae!" De gedachte komt passim voor in De testimonio animae. CChrSL. 1, 175-183.↩

  13. 13

    Vgl. Conf. VII, 10. MPL. 32, 742; CSEL. 33, 157 v.; CChrSL. 27, 103 v. En vgl. Conf. VII, 18. MPL. 32, 745; CSEL. 33, 163; CChrSL. 27, 108. In Conf. VII, 18 komt de zinsnede voor: "non... tenebam deum meum Iesum humilis humilem nec cuius rei magistra esset eius infirmitas noveram."↩

  14. 14

    In het manuscript staat na deze zin ook nog een variant: "Het is nieuwe hemel en aarde. Wanneer de pot van het geschapene verkeerd is, dan heeft het Evangelie nog niets van z'n capaciteit verloren. Dat is het nieuwe aspect van de prediking van onze tijd."↩

  15. 15

    "Het is niet gelukt de term 'esprit malin' bij Descartes terug te vinden. In de Franse uitgave van de Meditationes spreekt Descartes aan het slot van de eerste meditatie over un mauvais genie' (A. -T., dl. 9, p. 17), waarmee de bedoelde 'bedriegergod'wordt aangeduid en wat een vertaling is van het 'genium malignum' uit de Latijnse tekst." Aldus VW., dl. 2, p. 272, noot ij. Vgl. Historische. Wörterbuch der Philosophie, Joachim Ritter ed., dl. 3, Darmstadt 1974, p. 309 v. (sub voce Genius malignus), waar wordt opgemerkt dat in het werk van kardinaal De Bérulle (1575-1629), die Descartes tot de publikatie van de Meditationes aanmoedigde, de term 'malin esprit' voorkomt.↩

  16. 16

    Vgl. Rainer Maria Rilke, Das Stunden-Buch, enthaltend die drei Bücher Vom mönchischen Leben / Von der Pilgerschaft / Von derarmuth und vom Tode, Leipzig 19136 boek 1, p.23: "Du bist der Bauer mit dem Barte / von Ewigkeit zu Ewigkeit. " Een exemplaar van deze editie behoorde tot Noordmans' bibliotheek.↩

  17. 17

    Vgl. de Betrachtungen einerschönen Seele, in Goethe's roman Wilhelm Meisters Lehrjahre (1795-1796).↩

  18. 18

    Vermoedelijk doelt Noordmans op een lezing van De Vrijer tijdens de conferentie. Waarschijnlijk gaat het over M. J. A. de Vrijer (1881-1969), toenmalig hervormd predikant te Amsterdam, van 1935-1947 hoogleraar vanwege de N.H. Kerk te Utrecht; zie verder VW., dl. 5, p. 225, noot 21.↩

  19. 19

    Vgl. Inst. IV, 3, 1.↩

  20. 20

    Karakter, karakterschaarste, karaktervorming is de titel van de inaugurele oratie van Nicolaas Beets, gehouden te Utrecht op 16 maart 1875 bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de kerkgeschiedenis.↩

  21. 21

    Vgl. Willem de Clercq naar zijn dagboek door A. Pierson met medewerking van De Clercqs jongste kleindochter, dl. 1, Haarlem 18893 p. 113. Zie over De Clercq VW., dl. 1, p. 88-101.↩

  22. 22

    Aldus Ef. 5 : 14.↩

  23. 23

    Erich Maria Remarque, pseudoniem van Erich Paul Remark (1898-1970), Duits-Amerikaans schrijver, werd wereldberoemd met zijn eerste roman Im Westen nichts Neues (1929; in 1930 en in 1980 verfilmd), waarin hij de zin- en uitzichtloosheid van het oorlogsbedrijf weergeeft via de ogen van een soldaat. Bij de filmpremière in het najaar van 1930 kwam het tot grote ongeregeldheden, aangesticht door Goebbels, die zich namens het opkomend nationaal-socialisme tegen de anti-militaristische tendens van het boek uitsprak.↩

  24. 24

    De Tiendaagse Veldtocht is een militaire operatie van 2-12 augustus 1831 door het Noordnederlandse leger tegen het leger der opstandige Belgen.↩

  25. 25

    Zie over de Britse schrijver en historicus Ch. Kingsley (1819-1875) VW, dl. 1, p. 51, noot 8.↩

  26. 26

    Zie over de Engelse theoloog en sociaal-theoreticus F. D. Maurice (1805-1872) VW, dl. 1, p.148, noot 6.↩

  27. 27

    Aldus Joh. 11 : 25.↩

  28. 28

    Het volgende, aforistische gedeelte wekt in het manuscript de indruk snel opgeschreven te zijn. Waarschijnlijk is het bedoeld als puntsgewijze 'geheugensteun' bij de afsluiting van de lezing.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Bijlage 3: Lezingen in samenvattingInhoudDe katholieke bestanddelen in de prediking →